ZonMw-parel voor vroegsignalering medicatiegebruik
okt11

ZonMw-parel voor vroegsignalering medicatiegebruik

De apotheker meldt de arts als voorgeschreven medicijnen voor een ernstige psychiatrische aandoeningen niet zijn opgehaald. Daardoor kan de arts direct met de betreffende cliënt in gesprek over het medicatiegebruik. Dit is de basis van een project dat de ZonMw-Parel heeft gewonnen. De ZonMw Parel is onlangs uitgereikt aan de projectgroep Signaleren en Melden door Apothekers van Niet-Opgehaalde Medicatie voor mensen met een Ernstige Psychiatrische Aandoening (SMANOM-EPA). De keuze van de jury is op dit project gevallen omdat het een goed voorbeeld is van een praktijkproject dat het verschil kan maken door vroegsignalering. Terugval vermijden
 Als mensen met een ernstige psychiatrische aandoening hun medicijnen niet goed gebruiken, kan dat leiden tot een terugval. De aanpak van dit Parelproject zorgt ervoor dat de apotheker bij de arts aan de bel trekt als voorgeschreven medicijnen niet zijn opgehaald. Door direct met de cliënt in gesprek te gaan, kan zo’n terugval mogelijk worden vermeden. In het project wordt een geautomatiseerde signaalfunctie toegevoegd aan het informatiesysteem van de apotheek. Het systeem geeft een signaal zodra een bepaalde ophaaltermijn van medicatie wordt overschreden. Op YouTube staat een informatief filmpje over dit project, waarbij een groot aantal betrokkenen aan het woord komen, waaronder een ervaringsdeskundige, een apotheker Cliëntenbelang en de GGD. Zij lichten in enkele minuten het project helder toe. Voorwaarden en uitwerking Politie, GGD, GGz, apothekers én cliënten praten in het project mee over de voorwaarden en de concrete uitwerking van het signaleringssysteem. Begin 2018 start een proefimplementatie bij Amsterdamse apotheken. Met anonieme registratiedata worden de resultaten gemeten. Vermindert het aantal crises? Zijn er minder spoedinterventies nodig? Daalt het aantal opnamen? Goede kansen voor implementatie SMANOM-EPA heeft de Parel mede ontvangen vanwege de kansrijke inzet op implementatie. Via de Amsterdamse apothekersvereniging FBA wordt het systeem getest bij een groot aantal apotheken in de hoofdstad. Er zijn nauwe contacten met Service-apotheken en BENU-apotheken, die een landelijk netwerk hebben. Ook de WSO, de wetenschappelijke sectie van openbaar apothekers van brancheorganisatie KNMP, is betrokken. De WSO kan een belangrijke rol spelen om de aanpak op te nemen in de landelijke standaarden. Actieprogramma Verward Gedrag Het project SMANOM-EPA heeft subsidie ontvangen vanuit het Actieprogramma lokale initiatieven voor mensen met Verward Gedrag. De Parel is daarom uitgereikt op het ZonMw-congres ‘De stand in het land: aanpak voor personen met verward gedrag’. Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

Lees Verder
NHG-Standaarden Atriumfibrilleren en  Diepe veneuze trombose en longembolie herzien
okt10

NHG-Standaarden Atriumfibrilleren en Diepe veneuze trombose en longembolie herzien

Het gebruik van de Directe Orale AntiCoagulantia (DOAC’s) neemt nog steeds toe. Op de GIP Databank zijn gegevens beschikbaar over de jaren 2011 t/m 2015 (nog niet voor 2016). De aantallen gebruikers van deze middelen zijn flink toegenomen. Zie tabel 1. De Stichting Farmaceutische Kengetallen publiceerde in mei van dit jaar dat de Nederlandse openbare apotheken in 2016 75% meer DOAC’s verstrekten dan in het jaar daarvoor en dat in 2017 deze toename doorgaat. Sinds de verruiming van de vergoedingsvoorwaarden beginnen nu ook huisartsen naast cardiologen en internisten patiënten met deze middelen te behandelen. Met 67.000 gebruikers in 2016 was rivaroxaban (Xarelto®) het meest toegepaste DOAC, gevolgd door dabigatran (Pradaxa®). De aantallen gebruikers van de andere DOAC’s blijven (nog) flink achter maar nemen ook toe. Interessant is dat de aantallen gebruikers van de VKA’s acenocoumarol en fenprocoumon tot voor kort niet waren gedaald en zelfs waren gestegen. Het totale aantal mensen dat orale antistolmiddelen gebruikt nam kennelijk toe; de SFK meldde echter onlangs dat nu in 2017 het aantal gebruikers van VKA’s toch licht is gedaald. Wijzigingen in standaarden De NHG-Standaarden Atriumfibrilleren en Diepe veneuze trombose en longembolie zijn onlangs bijgewerkt naar de laatste stand van zaken. De belangrijkste wijziging in beide NHG-Standaarden is dat nu bij de medicamenteuze behandeling van atriumfibrilleren resp. diepe veneuze trombose in algemene zin de DOAC’s een gelijkwaardig alternatief voor de vitamine-K-antagonisten (VKA’s) worden genoemd. In navolging van het NHG-standpunt Anticoagulantia (2016) zijn in beide NHG-Standaarden aanbevelingen opgenomen om in samenspraak met de patiënt te beoordelen of er redenen zijn om te kiezen voor een DOAC of een VKA. Indien patiënten reeds een VKA gebruiken en tevreden zijn met de bestaande behandeling, wordt het overzetten naar een DOAC niet aanbevolen. Mocht dit echter toch de voorkeur hebben, dan bevatten deze NHG-Standaarden nuttige aanwijzingen hoe deze omzetting het best en veiligst kan gebeuren. Dat geldt ook voor het omgekeerde, dus overzetting van een DOAC op een VKA. Belangrijke vragen zijn dus welke omstandigheden leiden ertoe dat voor een bepaald antistolmiddel, een VKA of DOAC, wordt gekozen en op grond van welke overwegingen kiest men – indien voor een DOAC wordt gekozen – een bepaalde DOAC. Het zelfvertrouwen en de ervaring van de voorschrijver zijn belangrijk maar blijven hier nu buiten beschouwing. Een VKA of een DOAC? Voor de keuze van een middel uit een van deze twee groepen zijn vooral (maar niet uitsluitend) de volgende omstandigheden van belang: – 
leeftijd van de patiënt: bij kwetsbare ouderen (terzijde: wie zijn dat precies?) is de kans op een gastro-intestinale bloeding bij gebruik van een DOAC groter dan bij dat van een VKA en kan men waarschijnlijk beter...

Lees Verder
Aanpak tussentijdse wijzigingen in medicatierol
okt03

Aanpak tussentijdse wijzigingen in medicatierol

Tussentijdse wijzigingen in een medicatierol zijn een belangrijk knelpunt in medicatieveiligheid.  Zulke aanpassingen leveren in praktijk levert soms praktische problemen op. Daarom is het belangrijk om tussentijdse wijzigingen zoveel mogelijk te voorkómen. Een model kan daarbij helpen. Wijziging van medicatie in een geïndividualiseerd geneesmiddeldistributiesysteem, zoals de medicatierol, is de verantwoordelijkheid van apotheker. De apotheker wijzigt medicatie in het systeem alleen op voorschrift van de arts. Wijziging brengt altijd een bepaald risico met zich mee. Daarom moeten apotheker en arts afstemmen of wijziging kan wachten tot de volgende uitgifte van geneesmiddelen in het geïndividualiseerd geneesmiddeldistributiesysteem. Tussentijds wijzigen moet alleen aan de orde zijn als de wijziging niet kan wachten tot de volgende uitgifte. Tussentijdse wijziging Als de cliënt met de medicatie naar de apotheek kan komen, dan is een tussentijdse wijziging geen praktisch probleem. In de apotheek wordt de medicatie gewijzigd conform de KNMP-richtlijn over geneesmiddelen in een geïndividualiseerd geneesmiddeldistributiesysteem. Maar als de cliënt niet met de medicatie naar de apotheek kan komen of de cliënt verblijft in een zorginstelling, wordt het lastiger. Bij een tussentijdse wijziging in de medicatie, moeten de zakjes handmatig worden opengeknipt en de tabletten worden geïdentificeerd. Dit is een farmaceutische handeling en daarom is dit de taak en verantwoordelijkheid van de apotheek. In de praktijk kan dit lastig zijn, want dan moet de apotheker de medicatierollen ter plekke wijzigen. Als zorgmedewerker wijzigingen doorvoeren is dat risicovol, ook al lijkt het misschien een simpele handeling. Wijzigingen doorvoeren hoort niet tot de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de zorgmedewerkers en moet daarom worden beperkt tot uitzonderingssituaties. Afspraken tussen apotheker en zorginstelling Hoe kunnen we deze gang van zaken verbeteren? In het kader van het project  ‘Veilige principes verder in de praktijk’  ontwikkelde het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen samen met Interzorg Noord-Nederland een model met 6 stappen. Het model is ontwikkeld voor de intramurale situatie, maar ook bruikbaar voor de thuissituatie, met name stap 1 en stap 6. 
Het model is vooral gericht op het verbeteren van afspraken en afstemming tussen apothekers en zorgverleners. Uitgangspunt is tussentijdse wijzigingen zoveel mogelijk uit te sluiten. En als het in een uitzonderingssituatie toch moet, -en de apotheek kan de tussentijdse wijziging niet doen-, dan moet de zorginstelling het zo organiseren dat de zorgmedewerker dit op een veilige manier kan doen. Daarvoor moet iedere zorg organisatie, op basis van afspraken met de apotheek, passend in de eigen situatie, een protocol opstellen. Verder kan een tool hierbij handig zijn (zie stap 6). Het model Stap 1: Afspraken De apotheek en de zorginstelling hebben taken en verantwoordelijkheden vastgelegd in een overeenkomst. Het is wenselijk om medicatiewijzigingen zoveel mogelijk per volgende medicijnrol te laten ingaan. Stap...

Lees Verder
Aankondiging uitzending radio 1: Verdwijnt  het vakmanschap van de apotheker?
okt02

Aankondiging uitzending radio 1: Verdwijnt het vakmanschap van de apotheker?

Dropwater en cannabisolie Verdwijnt het vakmanschap van de apotheker? Zondag 8 oktober 2017 NPO Radio 1, 19.02-20.00 uur In het logo van de apotheek komt nog wel eens een vijzel voor, maar het maken van geneesmiddelen is ingeruild voor het voeren van gesprekken aan de balie. Van de 2000 apotheken zijn er nog ongeveer 50 die zelf bereiden. En dat is een serieuze zorg voor de beroepsorganisatie van apothekers, de KNMP, van de Patiëntenfederatie en van Zorgverzekeraars Nederland. Apothekers maken geneesmiddelen op maat voor bijvoorbeeld kinderen en voor mensen die stervende zijn. Of ze verzinnen andere toedieningsvormen, voor bijvoorbeeld iemand die niet kan slikken. 2,5 Miljoen mensen zijn afhankelijk van de bereiding van een geneesmiddel door de apotheek. Uit onderzoek van Reporter Radio blijkt ook dat de vergoeding, het maakloon voor de apothekers, zo laag is dat de drempel om middelen zelf te bereiden te hoog ligt. En behalve dat er steeds minder apothekers zelf bereiden, wordt er in de opleiding tot apotheker of apothekersassistent ook steeds minder aandacht aan besteed. Bereiden is een keuzevak geworden. De KNMP, de Patiëntenfederatie en Zorgverzekeraars Nederland spreken zich uit over het verlies van kennis, kunde en capaciteit van apothekers, de consequenties daarvan bij geneesmiddelentekorten en de gevolgen voor patiënten. In de uitzending zijn te horen: Corina Mos, Bernd Arents, apotheker Paul Lebbink, Gerben Klein Nulent KNMP, Dianda Veldman Patiëntenfederatie, Sandra Offeringa Zorgverzekeraars Nederland, Hans Waals van de Vereniging Doorleverende Bereidingsapotheken en Erik Frijlink, apotheker en hoogleraar verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen....

Lees Verder
Brede verspreiding jodiumtabletten
okt02

Brede verspreiding jodiumtabletten

Sinds 1987 heeft de Nederlandse overheid een centrale voorraad met jodiumtabletten. Onlangs is besloten een deel van deze voorraad te verspreiden. Daarom ontvangen 1,2 miljoen huishoudens in de week van 9 of 16 oktober 2017 een doosje met jodiumtabletten. Dus van centrale opslag naar eigen medicijnkastje. Jodiumtabletten zijn dan direct in huis ten tijde van een eventueel kernongeval. Met het beschikbaar stellen van de jodiumtabletten onder de risicogroepen volgt Nederland de richtlijnen van het Internationaal Atoom en Energie Agentschap. Het advies is om de distributie van jodiumtabletten voor te bereiden in een straal tot 100 kilometer van een kernreactor. Hoe staat ieder land vrij. Advies GGD/GHOR
 Minister Edith Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op voorspraak van onder andere de Veiligheidsregio’s en de GGD/GHOR besloten een deel van deze voorraad aan huis te verspreiden. Jodiumtabletten zijn dan direct bij de hand ten tijde van een kernongeval. Dat scheelt de hulpdiensten kostbare tijd. Er is dus geen sprake van specifieke dreiging. Het kabinet acht de kans op een nucleair ongeval net zo klein als voorheen. Nucleaire installaties moeten aan strenge veiligheidseisen voldoen. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming ziet daarop toe. Afstand tot kernreactie De tabletten worden gestuurd naar mensen t/m 40 jaar woonachtig op maximaal 20 kilometer van een kernreactor en naar huishoudens met kinderen tot 18 jaar die binnen de 20 tot 100 kilometer van een kernreactor wonen. Het verschil heeft te maken met de afstand van de kernreactor, de leeftijd en de werking van de schildklier. Hoe verder van de kernreactor hoe lager de mogelijke blootstelling aan radioactief jodium. En hoe ouder iemand is, hoe kleiner de kans op het ontwikkelen van schildklierkanker door radioactief jodium. Zelf kopen
 Zwangere vrouwen behoren eveneens tot de doelgroep. Zij kunnen vanaf 9 oktober 2017 jodiumtabletten kopen bij apotheken en drogisterijen (adviesprijs € 2,95.) Bij een kernongeval kunnen zij  tabletten innemen ter bescherming van hun ongeboren kind. In de folder Zwanger staat meer informatie. Zwangeren ontvangen deze folder bij hun eerste bezoek aan de verloskundige / gynaecoloog. Ook mensen die niet tot de risicogroep behoren maar graag tabletten in huis willen hebben, kunnen die kopen bij apotheek of drogist. Beperkte bescherming De tabletten bieden alleen bescherming tegen opname van radioactief jodium door de schildklier, niet tegen andere radioactieve stoffen die vrij kunnen komen. Ze zijn dan ook een aanvulling op andere mogelijke maatregelen bij een kernongeval, zoals schuilen of evacueren. Meer informatie
 Het is dus de bedoeling dat mensen deze jodiumtabletten bewaren voor het geval dat. De tabletten zijn 10 jaar  houdbaar. Voor vragen en meer informatie, kijk op de website: www.waaromkrijgikjodiumtabletten.nl. Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

Lees Verder
Minder antibioticaprescriptie kinderen met luchtweginfecties
sep29

Minder antibioticaprescriptie kinderen met luchtweginfecties

Antibiotica worden vaak onnodig voorgeschreven voor kinderen met luchtweginfecties. Antibiotica helpen vaak niet om klachten te verminderen, of er sneller vanaf te komen, terwijl ze wel vervelende bijwerkingen geven en bijdragen aan de ontwikkeling van resistente bacteriën. Een korte online training voor huisartsen in combinatie met een informatieboekje voor ouders vermindert antibioticaprescriptie voor kinderen met luchtweginfecties. Dat is de conclusie van het RAAK-onderzoek.  RAAK staat voor: RAtioneel Antbioticabeleid Kinderen. Dit onderzoek heeft aangetoond dat huisartsen die een korte online scholing volgden en ouders een informatieboekje gaven, minder antibiotica voorschrijven voor kinderen met luchtweginfecties. De huisartsen die de interventies hebben gevolgd, schrijven significant minder antibiotica voor aan kinderen met een luchtweginfectie. Minder bezoek aan huisarts
 Binnen dezelfde ziekte-episode kwamen kinderen uit de interventiegroep minder vaak terug op het spreekuur van de huisarts. Er was geen verschil in aantal consulten voor nieuwe luchtweginfecties of verwijzingen naar het ziekenhuis met de controlegroep gedurende 6 maanden. Ook vond de projectgroep een significante reductie plaats van het totale aantal antibioticaprescripties voor kinderen in een heel jaar na de interventie. Huisartsen en ouders tevreden
 Huisartsen waren zeer tevreden over de scholing. De inhoud was vaak niet nieuw voor hen, desondanks werden ze zich daardoor meer bewust van hun voorschrijfgedrag. Ouders vertelden dat ze al terughoudend waren over antibiotica en dat ze het prettig vonden dat het informatieboekje hun visie bevestigde. Ze vonden uit het boekje vooral de concrete aanwijzingen relevant bij welke klachten of symptomen ze contact moesten opnemen met de huisarts. Dit  gaf hen een zekerder gevoel om te durven afwachten tot hun kind herstelt. Financiering
 Het RAAK-onderzoek is gefinancierd door ZonMw als onderdeel van het ZonMw-programma Priority Medicines Antimicrobiële Resistentie. Dit programma wil een bijdrage leveren aan het beheersen en oplossen van de problematiek van Antimicrobiële resistentie of antibioticaresistentie. Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

Lees Verder
Actie tegen handel in illegale medicijnen
sep28

Actie tegen handel in illegale medicijnen

Via internet worden veel illegale medicijnen uit het buitenland besteld. Zorgelijk, want het is niet duidelijk welke stoffen er in die medicijnen zitten. Veel medicijnen die online worden aangeboden zijn nep en kunnen de gezondheid zelfs in gevaar brengen. Jaarlijks is er een grootscheepse internationale actie tegen handel in illegale medicijnen: de operatie Pangea. De operatie Pangea wordt gecoördineerd door Interpol. Dit jaar deden er 123 landen aan mee. Doel is om zoveel mogelijk potentieel gevaarlijke geneesmiddelen van de illegale markt te halen. Wereldwijd zijn er tijdens deze actie ruim 25 miljoen (!) medicijnen in beslag genomen. De geschatte waarde daarvan is zo’n 43 miljoen euro. Onderzoek in Nederland
 De Nederlandse douane heeft 10.000 zendingen gecontroleerd en nam 315 pakketjes in beslag met in totaal bijna 50.000 illegale geneesmiddelen. Het ging met name om erectiemiddelen, afslank- en slaapmiddelen, alsmede voedingssupplementen en pijnstillers. Ook wordt tijdens Pangea onderzoek gedaan naar websites. In Nederland onderzocht de Inspectie voor de Gezondheidszorg tien websites die illegaal reclame maken of illegale medicijnen verkopen. Drie zaken zijn voor strafrechtelijk onderzoek overgedragen aan het Openbaar Ministerie (OM). Het ontbreekt de inspectie echter vaak aan mogelijkheden om de eigenaar van een website te achterhalen, omdat deze in het buitenland staat geregistreerd of onder valse naam werkt. Daarom is samenwerking met andere diensten in binnen- en buitenland belangrijk. Voorlichting vanuit overheid Het controleren van de pakketstroom naar Nederland wordt steeds lastiger. Inmiddels worden er naar schatting 225 miljoen pakketten per jaar thuisbezorgd en dat aantal neemt al jaren toe. 
De Nederlandse overheid doet er veel aan om burgers te wijzen op het gevaar van illegale medicijnen. Om mensen te leren hoe ze nepmedicijnen kunnen herkennen, heeft VWS de site echtofnep.nl ontwikkeld, met informatie over zaken waarop mensen moeten letten bij online bestellen van medicatie. Om te laten zien hoe lastig het is, kunnen bezoekers de echt-of-nep-quiz invullen. 
Daarnaast is er de website aanbiedersmedicijnen.nl, met de regels rondom online aanbieden met medicijnen, een overzicht van legale aanbieders en veelgestelde vragen. Tot slot is er de site internetpillen.nl met algemene informatie van de Rijksoverheid over geneesmiddelen per internet. Toename illegaal aanbod Het is echter de vraag of burgers het bestaan kennen van deze informatieve sites en zo ja: of ze zich er iets van aantrekken. In een tijd waarin bestellen per internet gemeengoed is, zal het kopen van geneesmiddelen, voedingssupplementen, afslankmiddelen en erectiepreparaten eerder toe- dan afnemen. Bronnen: IGZ, VWS Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

Lees Verder
Adviesraad: zelfde eisen voor homeopathische middelen
sep26

Adviesraad: zelfde eisen voor homeopathische middelen

In Europa is er een stevige markt voor homeopathische geneesmiddelen. In 2015 werd er voor ruim 1 miljard euro verkocht in de Europese Unie en jaarlijks is er sprake van zo’n 6 procent groei. Als het aan de Europese adviesraad van wetenschapsacademies EASAC ligt, komt hier een einde aan. EASAC wil namelijk dat EU-lidstaten homeopathische middelen niet toestaan, zolang de werking en veiligheid daarvan niet zijn aangetoond. EASAC stelt in haar rapport dat homeopathische middelen moeten voldoen aan dezelfde eisen als reguliere geneesmiddelen. Als niet op wetenschappelijke wijze kan worden onderbouwd dat een dergelijk middel werkt, moet er geen registratie worden afgegeven door controle-instanties van de verschillende lidstaten, zoals in ons land door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Volgens de raad is er in sommige gevallen wellicht sprake van een placebo-effect, maar is er geen enkel wetenschappelijk bewijs dat homeopathische middelen werken voor welke ziekte dan ook. Zelfde regulering 
 Op dit moment hoeven de homeopathische middelen dus niet aan dezelfde eisen te voldoen als reguliere geneesmiddelen. Homeopathische worden alleen gecontroleerd op veiligheid, maar niet op werkzaamheid. Dat is volgens de adviesraad onterecht.  Daarnaast concludeert de adviesraad dat in veel landen de controle op gebruik en promotie van homeopathische middelen te wensen overlaat als zo’n middel eenmaal is geregistreerd. “Er kunnen niet twee vormen van geneesmiddelen bestaan: conventioneel en alternatief. Er zijn geneesmiddelen die adequaat zijn getest en er zijn middelen waarbij dat niet is gebeurd”, aldus de EASAC. ‘Je moet het onder dezelfde regulering brengen als alle andere middelen’, vindt ook hoogleraar interne geneeskunde Jos van der Meer in een artikel in De Volkskrant. ‘Als een middel niet voldoet aan de claim van werkzaamheid, moet het niet worden toegelaten. Ook moet op de etiketten duidelijk staan wat erin zit, net als bij andere geneesmiddelen. Zodat je inzichtelijk maakt dat zo’n middel uit honderd procent water bestaat.” Van der Meer schreef namens de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) mee aan het EASAC-advies aan de Europese Commissie. Mens en dier
 Het rapport van de EASAC beperkt zich tot de klassieke homeopathie, waarbij door grote verdunning er geen werkzame stof meer aanwezig is in de oplossing die de patiënt krijgt. Volgens opsteller Jos van der Meer zou de discussie ook kunnen gaan over andere alternatieve (natuur)geneesmiddelen. Opvallend detail: in het advies wordt ook nadrukkelijk het gebruik van homeopathische middelen bij vee afgewezen. Terwijl in een richtlijn voor de organische landbouw de EU het gebruik van homeopathische middelen expliciet aanmoedigt, om zo het gebruik van antibiotica tegen te gaan. Eenzijdig
 De homeopathische sector noemt in een reactie het advies “eenzijdig”. Homeopathisch arts Frans Kusse en bestuurslid van de Artsen Vereniging...

Lees Verder
Platform Inkoopkracht Dure Geneesmiddelen per 1 oktober aan de slag
sep25

Platform Inkoopkracht Dure Geneesmiddelen per 1 oktober aan de slag

Per 1 oktober 2017 wordt het Platform Inkoopkracht Dure Geneesmiddelen ingesteld. Het doel is om, in samenwerking met alle betrokken partijen, de inkoop van dure geneesmiddelen te optimaliseren en zo dure geneesmiddelen beter toegankelijk en betaalbaar te maken. Het Platform brengt partijen die betrokken zijn bij de inkoop van dure geneesmiddelen samen. Het bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende betrokken partijen, zoals ziekenhuizen, medische specialisten, apothekers en verzekeraars. Voorzitter van dit Platform is de heer drs. M.J.A.M. (Chiel) Bos. Thema’s
 Het Platform richt zich op de thema’s en bijbehorende knelpunten. Deze zijn de afgelopen periode door de kwartiermaker van het Platform geïdentificeerd in gesprekken met alle bij de inkoop betrokken spelers. Het betreft de volgende thema’s: * vertrouwen tussen spelers * diversiteit in de aanpak van de inkoop van dure geneesmiddelen * omgang met inkoopvoordelen * slagkracht Vanwege de nauwe relatie tussen de inkoop en het gebruik van dure geneesmiddelen, kan het Platform, in het verlengde van het Actieplan gepast gebruik geneesmiddelen, tevens thema’s en knelpunten aanpakken op het gebied van gepast gebruik die binnen organisaties spelen. Samenwerking en informatie-uitwisseling
 Ziekenhuizen en zorgverzekeraars kopen nu vaak afzonderlijk of in kleine samenwerkingsverbanden geneesmiddelen in. Ook is er geen centrale plaats waar kennis en kunde hierover wordt gedeeld. Om de betaalbaarheid en toegankelijkheid van deze onnodig dure geneesmiddelen te waarborgen, moet de inkooppositie van ziekenhuizen en zorgverzekeraars worden versterkt. Daarvoor is betere samenwerking en meer informatie-uitwisseling noodzakelijk. Het Platform Inkoopkracht krijgt daarin een sleutelrol. Optimaliseren inkoop dure geneesmiddelen
 De rol van het Platform is het optimaliseren van de inkoop van dure geneesmiddelen binnen het huidige zorgsysteem. Thema’s en knelpunten die voortkomen uit bestaande initiatieven, zoals de samenwerking op het gebied van de inkoop van dure geneesmiddelen van de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU), de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN), kunnen in het Platform worden geagendeerd en aangepakt. De eerste bijeenkomst van het Platform vindt in het najaar van dit jaar plaats. Zie de Kamerbrief van minister Schippers hierover Bron: Ministerie van VWS Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

Lees Verder
Column: “Dat staat toch in de computer?”
sep21

Column: “Dat staat toch in de computer?”

Als wijkapotheker-farmacotherapeut in de Utrechtse wijk Overvecht voer ik veel polyfarmaciegesprekken. Het huisartsdossier van deze patiënten kenmerkt zich voornamelijk door vele brieven van een heleboel verschillende zorgverleners met daarin weer een enorme bult medicatiewijzigingen. Ondanks verschillende pogingen om de apotheek en huisarts ICT-systemen met elkaar te laten praten zijn er nog vaak discrepanties in de medicatieoverzichten van huisarts, apotheek en ziekenhuis. Het is tot mijn verbazing (en steeds vaker ook irritatie) bijna onmogelijk om de huisarts- en apotheeksystemen met elkaar te laten communiceren. Dagelijks verbaas ik me over de muren die zelfs tussen verschillende zorgverleners met hetzelfde systeem worden opgetrokken, omdat men niet op hetzelfde ‘cluster’ zit. Bizar! Patiënten weten het zelf vaak ook niet meer. ‘Dat staat toch in de computer?’ is een antwoord dat u waarschijnlijk wel herkend. Helaas is dat vaak niet zo. Dossiers doorspitten, (veel) overleggen met andere zorgverleners en uiteindelijk gezamenlijk met arts en patiënt knopen doorhakken is dan vaak de enige oplossing. Onlangs volgde ik de cursus ‘Interprofessioneel samenwerken in de wijk’ met meerdere professionals uit de wijk (wijkverpleegkundige, POH-ouderen, buurtteam, sociaal makelaar (googlet u dat maar eens) en huisarts). Wat vooral leerzaam was, was dat iedereen een andere kijk heeft op de patiënt. Door elkaars vragen te horen en kennis te gebruiken kwamen we vooral bij complexe casussen sneller tot een adequaat beleid. Als belangrijk hulpmiddel voor samenwerking binnen ‘Overvecht Gezond’ gebruiken we het 4D-model*. Dit is een hulpmiddel om de patiënt in kaart te brengen en problemen te kaderen. Het geeft op een visuele manier inzicht in vier levensgebieden: lichaam, geest, maatschappelijk en sociaal, die allemaal invloed hebben op hoe gezond iemand zich voelt. De persoon zelf staat in het midden: hij/zij staat centraal. Met behulp van het 4D model kunnen we als zorgprofessionals optimaal samenwerken, doordat we doelen opstellen, prioriteren en onze inzet op elkaar kunnen afstemmen om vervolgens in één gezamenlijke taal te gebruiken. Alle deelnemers bij de genoemde cursus waren zich bewust van de noodzaak van goede overdracht van informatie, maar discussie ontstond over hoe we dat kunnen bewerkstelligen. Toch bleek iedereen in de praktijk binnen zijn eigen domein zaken vast te leggen en dit zelden te communiceren aan anderen. Mijzelf incluis. Dus na de cursus ging ik enthousiast aan de slag om ook mijn medezorgverleners op de hoogte te stellen van mijn bemoeienis en acties. Maar hoe doe je dat in een oerwoud van buurtteam-schriftjes, thuiszorg-mappen, (gecodeerde) mails van en naar specialist en apotheek? Het enige wat ik kan bedenken, is dat de leveranciers van de verschillende ICT-systemen ook eens naar het 4D-model gaan kijken en de patiënt centraal stellen. Oftewel: ga nou toch eens samenwerken! Misschien...

Lees Verder