Drieluik POCT | Deel 2: Verantwoord  aan de slag met  POCT
mrt15

Drieluik POCT | Deel 2: Verantwoord aan de slag met POCT

Point of care testing (POCT) begint een steeds grotere plaats in te nemen in de gezondheidszorg. In ziekenhuizen worden testen aan het bed van de patiënt al vele jaren onder regie van de klinisch chemici uitgevoerd, maar ook huisartsen zien interessante mogelijkheden voor hun praktijk en ook apothekers roeren zich. FarmaMagazine staat daarom in drie opeenvolgende edities stil bij dit onderwerp. Het tweede artikel gaat over de vraag hoe de huisarts en apotheek verantwoord met POCT aan de slag kunnen gaan, met welke factoren zij hierbij rekening moeten houden en welke risico’s hierbij komen kijken. Zoals in het vorige artikel werd gesteld, wordt een aantal POCT-testen al standaard in de huisartspraktijk gebruikt: nitriet in urine (om te bepalen of sprake is van urineweginfectie), glucose (voor diabetes), HbA1C (monitoring voor het instellen van de diabetespatiënt op de langere termijn), hemoglobine (voor bloedarmoede) en CRP (om te bepalen of sprake is van een infectie die het voorschrijven van antibiotica rechtvaardigt). De openbare apotheek kan gebruikmaken van een POCT-test voor creatininebepaling, om te controleren of de nierfunctie van de patiënt reden geeft om de medicatie aan te passen. Het Nederlands Huisartsen Genootschap heeft samen met de Nederlandse Vereniging voor Klinisch Chemici, de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie en SAN centra voor medische diagnostiek de richtlijn Point of care testing (POCT) in de huisartspraktijk opgesteld. Doel van deze richtlijn is een goede kwaliteit van zorg te borgen en de risico’s op fouten met POCT in de huisartspraktijk zoveel mogelijk te voorkomen. “Veiligheidsaspecten komen hierin nadrukkelijk aan bod: gebruik van de juiste apparatuur die ook goed is afgesteld, correcte meting en aflezing en goede, elektronische verslaglegging en communicatie met andere zorgaanbieders”, zegt Ron Kusters (klinisch chemicus en medisch manager in het Jeroen Bosch Ziekenhuis in ‘s-Hertogenbosch en hoogleraar aan de Universiteit Twente). “De laatste twee aspecten zijn lastig omdat verschillende systemen met elkaar moeten kunnen praten: het huisartsinformatiesysteem, het ordersysteem, het laboratoriumsysteem en vaak ook het elektronisch patiëntendossier in het ziekenhuis. Het vraagt dus om goede ketenafspraken.” “Er worden veel merken en typen meters aangeboden die allemaal net iets anders meten. Samenwerking met het ziekenhuis is dus nodig bij de vaststelling van het assortiment dat je als apotheek wilt aanbieden, om tot goede afstemming te komen.” Eerst nadenken Maar voordat aan die ketenafspraken kan worden toegekomen, is het in de eerste plaats essentieel dat huisartsen weten waaraan ze beginnen. Marc Elisen (klinisch chemicus, hoofd klinisch chemisch laboratorium MC Zuiderzee en Trombosedienst Flevoland) heeft twijfels bij de vraag of dit altijd het geval is. “Ik denk niet dat huisartsen zich voldoende bewust zijn van de vraag wanneer toepassing van POCT wel en niet zinvol is....

Lees Verder
Richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding herzien
mrt15

Richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding herzien

De website www.volksgezondheidenzorg.info vermeldt verontrustende getallen betreffende de huidige en toekomstige aantallen mensen met een beroerte. In 2016 hadden 25.700 mannen en 29.300 vrouwen een TIA en 20.900 mannen en 21.400 vrouwen een beroerte. In totaal waren er in Nederland in 2016 naar schatting 451.900 mensen met een beroerte (jaarprevalentie, inclusief TIA), wat meer mannen dan vrouwen. De prevalentie neemt sterk toe met de leeftijd. Bij personen jonger dan 55 jaar komen beroertes niet zo vaak voor. Op grond van de getallen uit de periode 1991 tot 2014 lijkt het aantal nieuwe gevallen van beroerte de laatste jaren licht te dalen. Desondanks wordt op grond van demografische ontwikkelingen de komende jaren een flinke stijging van het aantal personen met een beroerte verwacht. Ook in financieel opzicht is beroerte een belangrijk gezondheidsprobleem: de kosten van zorg voor beroerte bedragen ongeveer 2,5% van de totale kosten voor gezondheidszorg in Nederland. Al met al zijn er voldoende redenen voor huisarts en apotheker om goed op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen en veranderende inzichten betreffende diagnostiek en behandeling van beroerte. Richtlijnen Een belangrijk middel daartoe zijn de richtlijnen die met een zekere regelmaat worden herzien. Zo werden vorig jaar de NHG-Standaarden Atriumfibrilleren en Diepe veneuze trombose en longembolie herzien. In dit tijdschrift werd daaraan aandacht besteed. Thans is op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie en geautoriseerd door een hele reeks betrokken beroepsverenigingen en in samenwerking met o.a. het Nederlands Huisartsen Genootschap de richtlijn Herseninfarct en hersenbloeding herzien en in december 2017 beschikbaar gekomen. Allereerst is er voor de eerste lijn de uiterst belangrijke aanbeveling om de symptomen en een snelle herkenning van een beroerte onder de aandacht van de gehele Nederlandse bevolking te brengen. In wachtkamer en publieksruimte moet dat goed kunnen. Hoe sneller iemand met een beroerte wordt behandeld hoe meer hersenweefsel gespaard kan blijven. De FAST-test (Face-Arm-Speech-Time) is daartoe zeer geschikt. Is een van de symptomen aanwezig, dan kan via 112 onmiddellijk hulp worden ingeroepen. Voor de huisarts is er de NHG-Triagewijzer die bij telefonische melding van neurologische uitvalsverschijnselen kan worden gebruikt om de urgentie van de toestand te beoordelen en de patiënten die mogelijk voor acute behandeling in aanmerking komen te selecteren. De huisarts wordt vooral aanbevolen om aandacht te besteden aan de ketenzorg in de zin dat er goede afspraken worden gemaakt met de ambulancezorg in de regio. Er wordt voor gepleit om – voorafgaand aan beoordeling door de huisarts – bij melding onmiddellijk een ambulance te sturen met A1-urgentie indien de patiënt mogelijk voor acute behandeling in aanmerking komt. Op de Spoedeisende Hulp (SEH) aangekomen wordt zo snel mogelijk diagnostisch onderzoek verricht om te...

Lees Verder
Regie vereist op vernieuwing digitale communicatie in de 1e lijn
mrt15

Regie vereist op vernieuwing digitale communicatie in de 1e lijn

Het huisarts informatiesysteem (HIS), het apotheek informatiesysteem (AIS) en het keteninformatiesysteem (KIS) zijn alle drie bedoeld voor registratie voor eigen gebruik. De systemen zijn dus los van elkaar ontwikkeld op basis van verschillende uitgangspunten en sluiten niet of onvoldoende op elkaar aan. De veldpartijen zelf zijn ervan overtuigd dat doorontwikkeling nodig is. Maar die vergt wel om regie en daarin zal de overheid een rol moeten spelen. HIS Het HIS is door hobbyende huisartsen bedacht. De eerste basis was administratie, de huisartsen wilden vooral een hulpmiddel om makkelijk te kunnen declareren. Dit was nog in de tijd van de Ziekenfondswet – gemiddeld was een derde van de patiënten particulier – maar die declaratiebehoefte veranderde met de komst van de Zorgverzekeringswet in 2006. Vanaf de tweede helft van de jaren tachtig begonnen huisartsen ook patiëntgegevens in het HIS op te nemen. Vanuit het Nederlands Huisartsen Genootschap en de Landelijke Huisartsen Vereniging was de werkgroep Coördinatie Informatisering en Automatisering opgericht, met het doel de groene kaarten te vervangen door patiëntadministratie via A4. Uit het steeds formeler registreren ontstond gaandeweg het HIS Referentiemodel, dat steeds verder werd verfijnd. Een HIS moest feitelijk voldoen aan de WCIA-eisen maar dit bleek in de praktijk moeilijk te toetsen. Bovendien gingen niet alle bedrijven die inmiddels HIS’sen ontwikkelden mee in dit gedachtegoed. Een van die ontwikkelaars was PharmaPartners (waarover meer bij de tekst over AIS), dat een zodanig systeem ontwikkelde dat de huisarts nog slechts een domme terminal nodig had en bovendien meteen bestellingen kon plegen. Huisartsen konden hiermee ook in elkaars bestanden kijken, wat voor waarnemingen heel handig was want de huisartsenposten bestonden nog niet. OPG bood een soortgelijk systeem. In Zoetermeer en Almere bestaan nog steeds dergelijke grote clusters. Verder is het gebruik van een HIS dat via een application service provider wordt verzorgd – en dat dus werkt met een systeem dat elders in een datacenter op een server staat – inmiddels gemeengoed. Begrijpelijk, want de updates en de garantie van uptime waren voor de huisarts amper meer te regelen. De huisartsenmarkt is in omvang vrij stabiel: vijfduizend praktijken en ongeveer 11.800 huisartsen. Wie bedenkt dat het moderniseren van een HIS pas bij meer dan duizend patiënten financieel haalbaar is, begrijpt dat negen HIS-leveranciers veel is. Toch is de shake out in deze markt, die al eind jaren negentig werd verwacht, er nog steeds niet gekomen. Alle nu in gebruik zijnde HIS’sen voldoen in grote lijnen aan het HIS Referentiemodel, maar geen enkel HIS voldoet voor honderd procent aan de versie 2017. Een enquête van de Landelijke Huisartsen Vereniging wees eens uit dat iedere huisarts wel ongeveer tevreden is over zijn HIS en...

Lees Verder
Geneeskundestudenten hebben onvoldoende kennis van geneesmiddelen
mrt14

Geneeskundestudenten hebben onvoldoende kennis van geneesmiddelen

Vrijwel elke arts schrijft dagelijks geneesmiddelen voor. Maar veel bijna afgestudeerde artsen in Europa zijn niet goed in staat om geneesmiddelen effectief en veilig voor te schrijven. Ze hebben onvoldoende kennis over veel voorgeschreven medicatie. Ze maken zelfs regelmatig fouten in geneesmiddelrecepten voor bekende ziektebeelden. Dat blijkt uit onderzoek van klinisch farmacoloog David Brinkman. Hij heeft de kennis en vaardigheden van geneeskundestudenten in Europa over het voorschrijven van geneesmiddelen onderzocht en is daarop recent gepromoveerd. “Geneeskundeopleidingen in Europa moeten hun curriculum verbeteren zodat beginnende artsen deskundiger zijn in het voorschrijven van geneesmiddelen”, raadt hij aan. “Het blijkt dat een behoorlijk deel van de bijna afgestudeerde artsen in Europa momenteel niet goed in staat is om effectief en veilig geneesmiddelen voor te schrijven. Zo hadden de studenten onvoldoende kennis over veel voorgeschreven medicatie. Ook maakten zij regelmatig fouten in geneesmiddelrecepten voor bekende ziektebeelden, zoals longontsteking en hoge bloeddruk”. Onvoldoende aandacht voor farmacotherapie Eén van de belangrijkste oorzaken voor het gebrek aan deskundigheid ligt bij de opleiding. Vaak is er onvoldoende aandacht voor klinische farmacologie en farmacotherapie. Brinkman: “Het onderwijs is bij de meeste opleidingen in Europa nog erg traditioneel. Kennis wordt alleen verkregen uit hoorcolleges en zelfstudie uit boeken. Studenten die meer praktijkgericht onderwijs volgden, hadden betere kennis en vaardigheden dan studenten die traditioneel onderwijs volgden.” In Nederland krijgen geneeskundestudenten overigens wel praktijkgericht onderwijs. Verplicht voorschrijfexamen Brinkman doet meerdere aanbevelingen om het onderwijs in Europa te moderniseren. Zo kunnen pas afgestudeerden bekwamer worden in het voorschrijven van geneesmiddelen. Brinkman: “Studenten moeten meer in de praktijk worden getraind. Dit kan met simulatie of echte patiënten onder begeleiding van ervaren artsen.” Daarnaast vindt hij dat er een verplicht voorschrijfexamen moet komen voor alle Europese landen. “Geneeskundestudenten in Europa moeten dit examen halen voordat zij hun voorschrijfbevoegdheid krijgen. Daarmee wordt ingezet op verbetering van de kwaliteit en veiligheid van de patiëntenzorg.” Bron: VUmc Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

Lees Verder
Niet meer maagbloedingen door afschaffing vergoeding maagzuurremmers
mrt13

Niet meer maagbloedingen door afschaffing vergoeding maagzuurremmers

In 2012 is de vergoeding voor kortdurend gebruik van maagzuurremmers afgeschaft. Uit cijfers van het Nivel blijkt dat patiënten met een verhoogd risico op maagbloedingen deze middelen nog even vaak gebruiken  en er niet meer maagbloedingenvoorkomen. Deze bevindingen zijn onlangs gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Frontiers in Public Health. Uit het onderzoek blijkt dat het veranderen van de vergoeding geen negatieve invloed heeft gehad op het gebruik van maagzuurremmers door  patiënten. Twee jaar na invoering van de nieuwe vergoedingsregels is er zelfs een toename te zien in het gebruik van maagzuurremmers bij patiënten met een verhoogd risico op maagbloedingen. In dezelfde periode is een afname van het aantal ziekenhuisopnames te zien voor maagbloedingen. De maatregel om maagzuurremmers in mindere mate te vergoeden lijkt daarmee geen negatieve effecten te hebben. Afschaffen vergoeding
 Oudere patiënten die een pijnstiller zoals diclofenac of aspirine krijgen, moeten daarnaast maagzuurremmers gebruiken om hun maag te beschermen. Anders lopen zij meer kans op een maagbloeding. Vanaf 2012 krijgen deze hoogrisico-patiënten hun eerste recept voor een maagzuurremmer niet meer vergoed. De afschaffing van deze vergoeding kost hen eenmalig ongeveer 12 euro. Patiënten zonder hoog risico op een maagbloeding moeten een maagzuurremmer altijd zelf betalen. Onderzoek Nivel-onderzoekers analyseerden gegevens uit elektronische patiëntendossiers uit 500 huisartsenpraktijken uit NIVEL Zorgregistraties in de periode 2010 t/m 2013 en gegevens uit het DBC Informatie Systeem (DIS) uit dezelfde periode. Met behulp van de gegevens uit NIVEL Zorgregistraties bekeken zij het gebruik van maagzuurremmers bij patiënten met een verhoogd risico op maagklachten over de tijd. Met behulp van de gegevens uit DIS brachten zij het aantal ziekenhuisopnames voor maagbloedingen in kaart. Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

Lees Verder
Even bellen
mrt13

Even bellen

De herhaalmedicatielijn al gebeld, Bas? Op het antwoordapparaat wel even luid en duidelijk naam, geboortedatum, medicatie en dosering roeptoeteren. Na vier keer inbellen ligt met een beetje geluk jouw medicatie over twee werkdagen voor je klaar. Met e-health en nieuwe technologie moet dat toch eenvoudiger kunnen. Mijn Iphone stuurt automatisch mijn medicijngebruik naar apotheker en huisarts en middels de volledige integratie van AIS en HIS brengt een drone de medicatie waar ik maar wil. Zo niet, dan videochat ik wel met mijn zorgverlener over wat er mis is gegaan bij de aflevering. Wat heb jij gedronken, Niels! Jij denkt dat de wereld maakbaar is. Laat ik je uit de droom helpen: minder dan één op de vijf patiënten maakt gebruik van internet voor de aanvraag van een herhaalrecept. Slechts 7% heeft online het medicatieoverzicht ingezien. E-mailconsulten omvatten minder dan 1 procent van het totale aantal huisartsenconsulten. Kortom, de wereld ís niet maakbaar en een innovatie als e-health blijft de komende jaren achter bij alle verwachtingen en komt niet verder dan goede bedoelingen. Ik begrijp wat je bedoelt, Bas. Hoewel mijn vader van 90, oud apotheker, prima overweg kan met zijn Ipad zweert hij bij de telefoon met draad én persoonlijk contact met zijn zorgverleners. Net als de hele generatie van 60-plussers. Precies, Niels. Verandering van gedrag is lastig te realiseren zo leren we uit de psychologie. Zolang grote groepen chronische patiënten niet connected zijn en zeker niet verslaafd zijn aan de smart phone zoals de jongste generatie zal nieuwe technologie niet bijdragen aan meer gemak en betere en efficiëntere zorg. Doet me denken aan dat recente onderzoek naar welke interventie door de apotheker leidt tot hogere therapietrouw, Bas. Een speciale Whatsapp-groep, videochatten? Niets van dat alles: een eenvoudig telefoontje naar de patiënt over zijn of haar medicatiegebruik leidt tot significant hogere therapietrouw. Zeker bij de RAS-remmers en statines. Een old skool telefoontje… Met draad waarschijnlijk. Het wachten is dus op de generatie die met de smart phone in de hand connected geboren wordt, Niels. Een kritische massa die van zijn of haar zorgverlener een visie op nieuwe technologie in de zorgpraktijk verlangt: ik wil nu een video-consult met mijn huisarts, ik wil kunnen chatten met mijn apotheker over het gebruik van die inhaler en ik wil een afspraak kunnen inplannen in de digitale agenda van mijn zorgverlener. Pas als de massa in beweging komt zal e-health het verschil maken. Dat duurt dus nog wel even, Bas. Kunnen we dan ondertussen al wel zorgen dat het huisarts informatiesysteem (HIS), het apotheek informatiesysteem (AIS) en het keteninformatiesysteem (KIS) uitwisseling van gegevens tussen zorgverleners en met de patiënt mogelijk maken? Ook die...

Lees Verder
Samenwerken voor succesvolle e-health
mrt13

Samenwerken voor succesvolle e-health

Hoewel grootschalige implementatie van online patiëntportalen, zorgapps en thuismeet-apparaatjes in de eerste lijn nog te wensen over laat, blijft het geloof in e-health onverminderd groot. E-health kan alleen succesvol zijn als apothekers en huisartsen bij de ontwikkeling en implementatie ervan nauw samenwerken met patiënten, ontwikkelaars en zorgverzekeraars, zo stellen onderzoekers Dr. Martine Huygens (Universiteit Maastricht) en Dr. Ilse Swinkels van het Nivel. Het zou een oplossing moeten zijn voor tal van problemen in de zorg. Terwijl het aantal chronische patiënten met complexe aandoeningen maar toe blijft nemen en het aantal zorgverleners maar blijft afnemen zou nieuwe technologie de zorg toegankelijk en betaalbaar moeten houden. Want een video-consult op afstand met de huisarts, chatten met de apotheker over het gebruik van die inhaler of het eenvoudig via de digitale agenda van de zorgverlener een afspraak voor een consult inplannen is makkelijk, eenvoudig en goedkoop. En dan hebben we het nog niet eens gehad over robotica en domotica die het leven van de patiënt dragelijker maken. Kortom, e-health kan bijdragen aan meer gemak en betere en efficiëntere zorg. Misschien weet u het nog. De toenmalige Minister Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stuurde in 2014 een brief naar de Kamer: binnen vijf jaar moet 80% van de chronisch zieken online toegang hebben tot zijn of haar dossier, 75% kan zelf thuis metingen uitvoeren en 100% kan via een beeldscherm met de zorgverlener communiceren. We zijn vier jaar later en de praktijk is weerbarstiger. Nictiz en Nivel onderzoeken sinds 2013 het aanbod en het gebruik van e-health door zorgverleners en patiënten. Deze jaarlijkse e-Health-monitor laat zien dat het maar moeizaam gaat met het grootschalig toepassen van e-health in de praktijk van de eerste lijn. Een paar cijfers: in 2016 had 60% van de huisartsen de mogelijkheid om een e-consult aan te bieden, slechts 3% van de patiënten maakt er gebruik van. Minder dan één op de vijf patiënten maakt gebruik van de mogelijkheid om via internet een herhaalrecept aan te vragen. Een op de tien patiënten maakt online een afspraak. Zo’n 7% van patiënten met een chronische aandoening heeft online zijn of haar haar medicatieoverzicht ingezien, maar liefst 43% heeft dit niet gedaan, maar wil dit wel. Potentie “Nieuwe technologie heeft zeker veel potentie. Maar in de praktijk lopen we tegen tal van barrières aan”, stelt onderzoeker Martine Huygens. Zij deed onderzoek naar de implementatie van nieuwe technologie in de zorgpraktijk. Op 11 januari 2018 promoveerde zij aan de Universiteit Maastricht (UM). “Het gebruik van online zorgdiensten in de huisartsenpraktijk is laag. E-mailconsulten, bijvoorbeeld, omvatten minder dan 1 procent van het totale aantal huisartsenconsulten. Er is wel een groep die er positief tegenover...

Lees Verder
Succesvol groepsprogramma voor mensen met diabetes
mrt13

Succesvol groepsprogramma voor mensen met diabetes

Mensen met diabetes type 2 kunnen voor een groot deel van hun ziekteverschijnselen afkomen door hun leefstijl te veranderen. Dat blijkt uit de eerste uitkomsten van het programma  Keer Diabetes 2 Om. Na 12 maanden is 87 procent van de deelnemers geheel of gedeeltelijk van de ziekte af, 38 procent gebruikt zelfs helemaal geen medicijnen meer. In Nederland hebben 1 miljoen mensen diabetes 2. Keer Diabetes 2 Om  is een groepsprogramma. Het begint met een gezamenlijk weekend waarbij patiënten leren wat diabetes type 2 eigenlijk is, en wat een andere leefstijl voor patiënten kan betekenen. Zo krijgt deelnemers praktische handvatten voor een nieuw voedingspatroon en leert ze meer over zelfregie. Daarna volgen nog een aantal terugkomdagen, na een, drie en zes maanden. Hier wordt zowel in groepsverband als individueel gekeken naar hoe het is gegaan. Wat gaat er goed of waar loopt de deelnemer tegenaan?  De deelnemers hebben daarnaast een eigen online community. Hoe eerder, hoe beter
 Huisarts Nynke van der Zijl is medisch eindverantwoordelijk voor het programma. “Het is nadrukkelijk geen afval-programma, geen crash-dieet”, benadrukt ze. “Je leert je voeding aan te passen door er zoveel mogelijk koolhydraten uit te halen. “
Naast voeding is ook bewegen belangrijk, wandelen, fietsen of sporten. Volgens Van der Zijl is de aanpak voor bijna alle patiënten geschikt. “Alleen voor een groepje van 5 procent dat al heel lang ziek is en bijvoorbeeld geen alvleesklierfunctie meer heeft, is het geen optie. Voor alle anderen geldt hoe eerder je begint, hoe beter.” Uitrol
 Nu de resultaten zo goed zijn, wordt Keer Diabetes 2 Om uitgebreid. Rotterdam sloot deze week een samenwerkingsovereenkomst waardoor enkele duizenden inwoners de mogelijkheid krijgen mee te doen. Zorgverzekering VGZ vergoedt voor haar verzekerden de meeste kosten van het programma. Bron: NOS en Keer Diabetes 2 om Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

Lees Verder
Verband tussen preferentiebeleid en geneesmiddelentekorten aannemelijk
mrt12

Verband tussen preferentiebeleid en geneesmiddelentekorten aannemelijk

Het preferentiebeleid raakt de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Dat vergroot risico’s van het wisselen van medicatie, zoals medicatiefouten en een lagere therapietrouw van de patiënt. Daarom is een versoepeling van het preferentiebeleid nodig. Dit staat in rapport ‘Effecten van het preferentiebeleid op beschikbaarheid van geneesmiddelen’.  Diverse partijen hebben de afgelopen jaren gewezen op een mogelijke associatie tussen preferentiebeleid en geneesmiddelentekorten. Daarom hebben de KNMP, Bogin en de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen opdracht gegeven aan Berenschot tot dit onderzoek naar de effecten van het preferentiebeleid van zorgverzekeraars op de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Tekort vaker bij preferent middel Het adviesbureau stelt vast dat geneesmiddeltekorten relatief vaker voorkomen bij preferent aangewezen geneesmiddelen. Sinds de invoering van het preferentiebeleid is het aantal gerapporteerde geneesmiddelentekorten gestegen en een verband met het preferentiebeleid is aannemelijk. Voor geneesmiddelen die onder het preferentiebeleid vallen, blijft de impact van tekorten voor de gezondheid van patiënten overigens beperkt. Het preferentiebeleid vergroot echter wel risico’s van het wisselen van medicatie, zoals medicatiefouten en een lagere therapietrouw. Ook levert wisseling regelmatig problemen op bij de vergoeding van het alternatief door de zorgverzekeraar. In de komende jaren zal slechts een beperkt aantal veel gebruikte, breed verkrijgbare geneesmiddelen uit patent gaan en in aanmerking komen voor preferentiebeleid. Het huidige preferentiebeleid sluit niet aan op een stijging in het gebruik van steeds specifiekere geneesmiddelen (personalised medicine). Nederland kent meer tekorten heeft dan andere landen in Europa. Echter, in andere landen is de rapportage waarschijnlijk minder goed dan in Nederland. Het is voorstelbaar dat het relatief grote aantal tekorten in Nederland samenhangt met relatief lage geneesmiddelenprijzen, een relatief kleine markt en een relatief hoog gebruik van generieke geneesmiddelen. Preferentiebeleid monitoren en versoepelen Het preferentiebeleid moet worden gemonitord, zo luidt de aanbeveling. Bij terugkerende tekorten moet het preferentiebeleid worden versoepeld en vereenvoudigd. Verder pleit Berenschot ervoor de lijst van geneesmiddelen waarvoor preferentiebeleid geldt te beperken. Reactie KNMP “Voor een doorontwikkeling van het preferentiebeleid pleiten wij al langer”, stelt voorzitter Gerben Klein Nulent van de KNMP. “We ervaren dagelijks in de apotheek dat de patiënt hinder ondervindt van het preferentiebeleid. Het zijn de apothekers die continu met veel kunst- en vliegwerk aan oplossingen moeten werken.” Samen met patiëntenorganisaties bood de KNMP vorig jaar een petitie aan voor een preferentiebeleid waarin zorgverzekeraars na twee jaar niet langer één maar vier of vijf middelen aanwijzen als preferent. Reactie Bogin “Lage prijzen en een onzekere, niet-flexibele markt maken Nederland minder aantrekkelijk voor generieke geneesmiddelfabrikanten”, stelt Bogin-voorzitter Martin Favié. “Voor goedkope generieke geneesmiddelen betalen we daarom de prijs dat er bij een tekort niet meteen andere producenten klaar staan om dit op te vangen. Met meer flexibiliteit, zoals het rapport aanbeveelt, kunnen we...

Lees Verder
Video’s met informatie over medicatie
mrt06

Video’s met informatie over medicatie

Op de site apotheek.nl leggen apothekers de belangrijkste informatie per medicijn uit in korte video’s. De KNMP wil met deze online filmpjes stimuleren dat patiënten medicijnen op een juiste wijze gebruiken. Per video komt kort en in duidelijke taal aan bod: bij welke aandoeningen het geneesmiddel werkt; wanneer het begint te werken; hoe de gebruiksinstructie is; wat mogelijke bijwerkingen zijn; en of er waarschuwingen gelden. Daarbij zijn er iconen toegevoegd aan de video’s, tekeningetjes als extra toelichting bij de uitleg. Zie als voorbeeld de video-uitleg over metoprolol. Voorkeur voor digitale toelichting Om medicijnen op de juiste manier te gebruiken, is het van belang de uitleg ervan goed te snappen. Schriftelijke medicijninformatie, zoals de bijsluiter, is niet voor iedereen geschikt. Voor laaggeletterden, maar ook voor jongeren kan digitale uitleg prettiger zijn. Echte apothekers en geen acteurs
 Een van de apothekers die meewerkte aan de KNMP-video’s is Johan te Biesebeek, openbaar apotheker in Almelo. Dat de KNMP de patiënt benadert via video vindt Te Biesebeek goed. ‘Patiënten weten vaak niet waar ze hun vraag over bijvoorbeeld bijwerkingen als eerst moeten stellen: bij de arts of bij de apotheker? Uit deze video’s blijkt: de apotheker is de expert op het gebied van medicijnen. Goed dus dat er ‘echte’ apothekers zijn ingezet, in plaats van acteurs.’ Stapsgewijze aanpak De KNMP werkt stapsgewijs aan nieuwe video’s, zodat uiteindelijk het gros van de medicijnteksten op apotheek.nl van uitleg in beeld is voorzien. Patiënten bekijken de gratis online video’s door op apotheek.nl te zoeken naar hun medicijn. Na een klik op het medicijn komt de bezoeker op de medicijnpagina met de video. Over apotheek.nl Apotheek.nl is een website met onafhankelijke informatie over medicijnen. De website is een uitgave van KNMP, de beroeps- en brancheorganisatie van Nederlandse apothekers. De inhoud van de medicijninformatie wordt gecontroleerd en actueel gehouden door apothekers van het Geneesmiddel Informatie Centrum van de KNMP. Bron: KNMP Onder redactie van: Gerda van Beek      ...

Lees Verder
Pagina 2 van 3123