Inenting meningokokken B niet in vaccinatieprogramma
mrt30

Inenting meningokokken B niet in vaccinatieprogramma

De inenting tegen meningokokken type B komt niet in het Rijksvaccinatieprogramma. Daarmee neemt staatssecretaris Blokhuis van het advies van de Gezondheidsraad over. Deze stelt dat er nog onduidelijkheid rondom de werkzaamheid van dit vaccin. Het geeft relatief veel bijwerkingen geven, zoals hoge koorts. En het vaccin is niet kosteneffectief. Blokhuis deelt dit mee aan in een brief aan de Tweede Kamer  met daarin zijn motivatie. Hij heeft dit besluit zeker niet lichtvaardig genomen. Zo schrijft hij: ‘Het RIVM houdt altijd goed in de gaten of er nieuwe relevante wetenschappelijke publicaties zijn en informeert hierover het prioriteringsoverleg dat twee keer per jaar plaatsvindt met het RIVM, Zorginstituut Nederland, de Gezondheidsraad en VWS en zo nodig tussendoor. Ook hecht ik er aan te melden dat het RIVM de incidentie van meningokokkenziekte nauwlettend in de gaten houdt. Wanneer er sprake is van een substantiële toename, kan ik hier snel actie op ondernemen.’ Op eigen kosten Hij wijst in zijn brief op de bijwerkingen die veel voorkomen bij deze inenting. Ook het feit dat het vaccin niet kosteneffectief is, speelt mee in de besluitvorming. Desondanks: het gaat natuurlijk om een aandoening met ernstige gevolgen. Het is wel mogelijk om te laten vaccineren tegen betaling, vermeldt Blokhuis: ‘Gezien de ernst van de ziekte begrijp ik goed wanneer mensen op individueel niveau een andere afweging maken over het vaccineren van zichzelf of hun kinderen. Het vaccin tegen meningokokken B is op eigen kosten verkrijgbaar via de huisarts of een vaccinatiecentrum (zoals een GGD).’ Uitbreiding informatie Ook vindt de staatssecretaris goede informatie van belang en met het RIVM gaat hij bekijken hoe informatie over meningokokken B-vaccinatie nog beter onder de aandacht kan worden gebracht.  Er is reeds informatie voor publiek en Informatie voor professionals en dat wordt verder uitgebreid. Herbeoordeling Over drie jaar  wordt de vaccinatie tegen meningokokken B en eventuele opname daarvan in het Rijksvaccinatieprogramma opnieuw beoordeeld. Dan zijn er namelijk ook meer gegevens beschikbaar over de effectiviteit beschikbaar.   Bron:...

Lees Verder
Anticonceptiepil nog steeds beperkt leverbaar
mrt30

Anticonceptiepil nog steeds beperkt leverbaar

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) adviseert apothekers om maximaal voor drie maanden de anticonceptiepil levonorgestrel/ethinylestradiol 150/30 µg mee te geven. Dit om het risico op tekorten te verkleinen. De voorzorgsmaatregel is van toepassing tot en met 31 mei 2019. Het betreft is een verlenging van het eerder afgegeven advies over levering van de anticonceptiepil. De KNMP ondersteunt het advies. De levering van de anticonceptiepil (levonorgestrel/ethinylestradiol 150/30 µg) is namelijk nog niet stabiel. Het CBG heeft via het Meldpunt geneesmiddelentekorten en -defecten diverse meldingen ontvangen van een aantal geneesmiddelenbedrijven die aangeven dat ze het middel slechts in kleinere of onvoldoende hoeveelheden te kunnen leveren. De leveringsproblemen komen volgens de geneesmiddelenbedrijven  door een vertraging in de kwaliteitscontrole. Het is nog onbekend wanneer firma’s die nu door hun voorraad heen zijn weer voldoende kunnen leveren. Omdat sommige merken van de anticonceptiepil niet kunnen worden geleverd, kan het zo zijn dat vrouwen tijdelijk een ander merk anticonceptiepil krijgen bij de apotheek.   Bron: CBG /...

Lees Verder
JAK-remmers en de behandeling van reumatoïde artritis anno 2019
mrt27

JAK-remmers en de behandeling van reumatoïde artritis anno 2019

In de Romeinse mythologie is Janus de god van het begin en het einde, van het openen en het sluiten, ook van de hemelpoort. Hij kon in twee richtingen kijken en werd afgebeeld met twee gezichten, een naar voren en een naar achteren. Zijn standbeelden werden vaak bij poorten of deuren geplaatst. Ianua is het Latijnse woord voor deur en januari is de eerste maand van ons jaar. De naam van Janus is verbonden aan een bepaalde groep intracellulaire kinasen die de voortgang van signalen van cytokinen, interferonen en vele hormonen van hun receptor in de celmembraan, de ingang, naar de celkern regelen en aldus invloed hebben op de synthese van een groot aantal biologisch werkzame stoffen. Deze kinasen spelen een sleutelrol bij de functie van aangeboren en verkregen immuunreacties en ook bij onder meer de hematopoëse en ontwikkeling van cellen betrokken bij die immuunreacties. Een groot aantal cytokinen is betrokken bij ontstekingen die voortvloeien uit immuunreacties zoals bij o.a. reumatoïde artritis. Vier enzymen De groep van de Januskinasen (JAK) bestaat uit vier enzymen: JAK1, JAK2, JAK3 en tyrosinekinase 2 (TYK2). JAK1, JAK2 en TYK2 komen in veel verschillende cellen tot expressie terwijl de expressie van JAK3 is beperkt tot hematopoëtische, myeloïde en lymfoïde cellen. Deze vier enzymen zijn elk gekoppeld aan bepaalde cytokine-receptoren. Cytokinen met een hormoonachtige functie (zoals o.m. GM-CSF, IL-3 en IL-5) binden zich aan receptoren die signalen doorgeven via JAK2; de zogenoemde γc-familie van receptoren sluist signalen van IL-2, IL-4, IL-7, IL-9, IL-15 en IL-21 door naar de celkern en maakt daarbij gebruik van JAK1 en JAK3. Bij de werking van interferonen, IL-28, IL-29 en IL-10 is o.a. TYK2 betrokken. Het voert te ver om deze onderlinge verschillen hier verder uit te diepen maar het is van belang om te weten dat JAK dus uit vier verschillende enzymen bestaat met elk hun eigen biochemisch spectrum. De JAK enzymen zijn onderdeel van de ‘Signal Transducer and Activation of Transcription’ (STAT) pad dat is betrokken bij ontstekings- en immuunreacties. Afwijkingen hiervan kunnen abnormale proliferatie van cellen veroorzaken en leiden tot o.a. polycythaemia vera, leukemie en lymfomen. Baricitinib en tofacitinib Sinds enkele jaren zijn in Nederland twee JAK-remmers beschikbaar, namelijk baricitinib (Olumiant®) en tofacitinib (Xeljanz®). Baricitinib is een remmer van JAK1 en JAK2, tofacitinib remt vooral JAK1 en JAK3 en in mindere mate JAK2 en TYK2. Baricitinib en tofacitinib zijn beide geregistreerd voor de behandeling van matige tot ernstige reumatoïde artritis indien er onvoldoende verbetering is bij toepassing van één of meer disease-modifying antirheumatic drugs (DMARD’s) al dan niet in combinatie met methotrexaat. Beide middelen verbeteren de zogenaamde ACR-score (American College of Rheumatology) en de werkzaamheid is waarschijnlijk...

Lees Verder
Vraagtekens over de afleverkosten van medicijnrollen
mrt26

Vraagtekens over de afleverkosten van medicijnrollen

De uitzending van Kassa van 23 maart jl. deed nogal wat stof opwaaien. Daarin werd aangetoond dat de kosten van het leveren medicatie in baxterrollen veel hoger zijn dan die van de standaardlevering in een apotheek. Apothekers willen daarbij geen inzage geven in de kosten. De NZa start een onderzoek. De zakjes met de dagelijkse hoeveelheid pillen (gemiddeld 5 medicijnen per dag) worden opgerold en wekelijks ter hand gesteld aan deze groep die merendeels in verzorgingstehuizen woont of thuiszorg ontvangt. De totale terhandstellingskosten zijn de afgelopen jaren gestegen: van 340 miljoen in 2016, 350 miljoen in 2017 naar 365 miljoen in 2018. Deze kosten vormen bijna 25% van de totale kosten van de apotheekzorg. Terwijl de groep van kwetsbare patiënten slecht 7,1% van de totale groep medicijngebruikers bedraagt. Concurrenten Waarom zijn de apothekers niet transparant over de kosten? De KNMP wijst in een verklaring op het feit dat apothekers sinds 2012 elkaars concurrenten zijn, omdat de overheid de prijzen overliet aan de markt. De prijzen zijn derhalve niet transparant. Zie de volledige reactie van de KNMP.  Wel is bekend dat de kosten van de terhandstelling op weekbasis worden berekend en per medicatiesoort. Wie 1 pil per dag gebruikt, betaalt gemiddeld 3 tot 4 euro per week. Zitten er 2 pilsoorten per dag in, dan kost het 2 keer die 3 á 4 euro. Gemiddeld gebruikt deze groep 5 verschillende pillen per dag, dus dat loopt flink op. Onderzoek In de uitzending van Kassa vertelt de heer Kallen dat zijn moeder wekelijks 7 pilletjes Temazepam nam die 0,36 cent per week kosten, dus op jaarbasis 18,70 euro. De wekelijkse afleverkosten bedroegen 3,35 euro, op jaarbasis is dat 174,20 euro. En dat is dan voor slechts één van de vier medicatiesoorten die mevrouw Kallen gebruikte. Haar zoon heeft gevraagd of de medicijnrollen per maand kunnen worden afgeleverd, in plaats van wekelijks. Dat zal leiden tot lagere kosten. Maar aflevering per maand was niet mogelijk.  Zorgverzekeraars Nederland is overigens voorstander van een vast bedrag per weekrol, ongeacht het aantal medicijnen in die rol. Kamervragen en onderzoek Zorgverzekeraars Nederland heeft inmiddels om een onderzoek gevraagd van de Nederlandse Zorgautoriteit. Dat onderzoek is op dit moment gaande. John Kerstens, PVDA-Kamerlid, eist dat de apothekers inzage geven, anders zal hij Kamervragen stellen en desnoods een debat hierover aanvragen, zegt Kerstens tijdens van uitzending van Kassa....

Lees Verder
Studie naar de R&D-kosten van medicijnen
mrt26

Studie naar de R&D-kosten van medicijnen

Redactie FarmaMagazine: Ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen is kostbaar. De gemiddelde R&D-kosten van een nieuw geneesmiddel bedragen 2,5 miljard dollar (!).  Slechts 7 procent daarvan bestaat uit kosten voor het geneesmiddel zelf. Een groot deel, nl. 40%, is geld voor medicijnen die nooit op de markt zijn gekomen. Denk bijvoorbeeld aan onderzoek naar medicijn tegen alzheimer. En het grootste deel: nl. 53 procent zijn kapitaalslasten: de jarenlange financieringskosten die worden gemaakt om de periode te overbruggen totdat een farmaceut verdient aan een geneesmiddel. Dit blijkt uit het onderzoek van Gupta Strategists: ‘The cost of oppurtunity – A study on pharmaceutical R&D costs’. Experts van deze organisatie hebben een model ontwikkeld om de R&D-kosten van geneesmiddelen in kaart te brengen en onderling vergelijkbaar te maken. Mogelijke besparingen En ze gaan verder dan dat. Ze hebben ook gekeken waar eventueel besparing mogelijk is op die torenhoge R&D-kosten. Daarbij ligt de focus op het verminderen van de kapitaalslasten, die tenslotte meer dan de helft van de totale R&D-kosten uitmaken. Daartoe noemen ze drie manieren: Het verkorten van de doorlooptijd van het onderzoek, door geneesmiddelen eerder toe te laten op de markt Het reguleren van de verkoop van intellectueel eigendom door universiteiten aan farmaceuten, waardoor minder financiering nodig is. Aanboren van publieke financieringsbronnen, met lagere rentetarieven, waardoor de totale kapitaalslasten worden beperkt. Daarnaast wijst Gupta op de mogelijkheid om kosten te besparen op de ontwikkelkosten van middelen die de markt niet halen. Dat kan door het kiezen voor geneesmiddelen met een hogere succeskans en het versoepelen van de toelatingscriteria. Van belang Verlaging van de R&D-kosten is uiteraard van belang en niet alleen vanwege de prijzen van medicijnen. Het wordt aantrekkelijker om medicijnen te ontwikkelen. Het leidt tot meer concurrentie, dan kunnen ook kleinere bedrijven actief aan de slag op de farmamarkt. Overigens is het niet zo dat lagere R&D-kosten direct lagere prijzen van geneesmiddelen tot gevolg hebben. Deze zijn lang niet altijd aan elkaar gekoppeld. Vaak worden veel hogere prijzen berekend dan op basis van de ontwikkelkosten en afzet redelijk zou zijn. Kanttekeningen Uiteraard zijn er bij alle voorstellen van Gupta kanttekeningen te plaatsen en dat wordt ook volop gedaan. Zo kleven er uiteraard risico’s aan vroege toelating van geneesmiddelen en geen zorgverzekeraar vergoedt een middel waarvan de werking niet overduidelijk is aangetoond. Verkoop van intellectueel eigendom van universiteiten kan inderdaad, maar dan wel onder strikte voorwaarden ten aanzien van het prijsbeleid, zodat de farmaceuten de prijzen niet verviervoudigen (of meer). En tenslotte de publieke financieringsbronnen: wie gaat al die miljarden bij elkaar brengen? Begin van een discussie Ook de onderzoekers erkennen dat er geen ‘laaghangend fruit’ is waarmee de R&D-kosten op een eenvoudige...

Lees Verder
Terugroepactie bloeddrukmedicijnen met losartan
mrt25

Terugroepactie bloeddrukmedicijnen met losartan

Een aantal medicijnen met daarin de werkzame stof losartan wordt teruggeroepen. Dit vanwege de ongewenste stof NMBA, die voorkomt in een beperkt aantal partijen van deze medicijnen. De fabrikanten hebben tot de terugroepactie hebben besloten in overleg met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). In andere Europese landen is ook een terugroepactie in gang gezet. Eerder zijn er al verontreinigingen met NDEA en NDMA gevonden in bepaalde partijen valsartan en irbesartan voor de Nederlandse markt. Het is voor het eerst dat de stof NMBA gevonden is in sartanen. NMBA behoort tot de chemische groep van nitrosaminen en is vergelijkbaar met NDEA en NDMA. NDEA en NDMA zijn geclassificeerd als waarschijnlijk kankerverwekkend. De hoeveelheden NMBA die in Losartan zijn gevonden, zijn gering. De kans dat een patiënt daadwerkelijk kanker krijgt bij gebruik van de verontreinigde medicijnen is erg klein. Betreft beperkt aantal geneesmiddelen Het gaat om een beperkt aantal medicijnen met daarin losartan. Zie voor meer informatie dit overzicht. Losartan wordt voorgeschreven voor: de behandeling van hoge bloeddruk de behandeling van hartfalen bescherming van de nieren bij patiënten met hoge bloeddruk en type 2-diabetes Niet alle medicijnen met losartan worden teruggeroepen. Het gaat om een beperkt aantal partijen waarin verontreiniging met de stof NMBA is gevonden. En om een aantal partijen waarvan de testgegevens nog niet bekend zijn. Die worden uit voorzorg ook teruggeroepen. De partijen die zijn onderzocht en waarin de verontreiniging niet is aangetroffen, blijven beschikbaar. Patiënten informeren Het gaat om een terugroepactie op patiëntniveau. Patiënten die losartan uit de betreffende partijen gebruiken kunnen hun medicijnen omruilen bij hun apotheek. Apothekers moeten alle betreffende gebruikers hierover benaderen en verder informeren. Het advies is vooral om niet zelf te stoppen met de medicijnen. Voor vragen waarmee patiënten niet terecht kunnen bij hun apotheek of behandelend arts, kunnen ze contact opnemen met het Landelijk Meldpunt Zorg.   Bron: IGJ...

Lees Verder
Immunotherapie als effectieve behandelvorm in de 1e lijn
mrt23

Immunotherapie als effectieve behandelvorm in de 1e lijn

In de nieuwe NHG-Standaard over allergische en niet-allergische rhinitis wordt te weinig aandacht besteed aan immunotherapie als effectieve behandelvorm, zo menen KNO-artsen en allergologen. Juist deze behandeling zorgt er namelijk voor dat patiënten voor langere tijd geen of slechts milde klachten hebben. Momenteel wordt er gewerkt aan de richtlijn ‘Immunotherapie bij rhinitis’, die huisartsen het vertrouwen moet geven dat deze behandeling ook in de eerste lijn succesvol en veilig kan worden gegeven. Ernstige, maar ook mildere vormen van allergische rhinitis kunnen de kwaliteit van leven aanzienlijk bepalen. Ziekteverzuim, achterblijvende schoolprestaties, niet kunnen meedraaien in het sociale verkeer: gevolgen waar veel patiënten met een allergische reactie op huismijt, pollen of een ander allergeen mee kampen. Onnodig, menen zowel de Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde als ook de Nederlandse Vereniging voor Allergologie (NVvA). Want, als deze patiënten op de juiste wijze worden behandeld, veelal is dat met immunotherapie, dan hebben ze voor langere tijd geen of beperkte klachten. Immunotherapie zorgt er namelijk voor dat het immuunsysteem wordt gemodificeerd, waardoor het lichaam niet of nauwelijks meer reageert op het allergeen waarvoor de patiënt allergisch is. Het is de enige behandeling die allergische rhinitis bij de wortel aanpakt en ervoor zorgt dat dit ‘ziekte-modificerend’ effect optreedt. Behandelen met immunotherapie gebeurt al in de tweede lijn, maar zou ook al in de eerste lijn moeten worden gedaan, zo stellen de NVvA en KNO-vereniging. Simpelweg omdat de meeste patiënten met allergische rhinitis in de eerste lijn worden behandeld. Huisartsen lijken echter huiverig om immunotherapie te geven. Daarin worden ze bevestigd door de NHG-standaard ‘Allergische en niet-allergische rhinitis’ uit 2018. Hoewel het wel wordt genoemd als behandelmogelijkheid, wordt slechts subcutane immunotherapie als optie gegeven. Sublinguale immunotherapie (SLIT) wordt afgeraden op basis van een negatief uitvallende meta-analyse. De NVvA en de KNO-vereniging zijn kritisch over deze conclusie: ze stellen dat de data die in deze analyse zijn gebruikt, discutabel zijn. Immunotherapie met tabletten, zo stellen beide verenigingen, is wetenschappelijk namelijk goed onderbouwd, minder belastend voor de patiënt en geeft minder kans op complicaties. Werkdruk Als de voordelen van immunotherapie zo evident zijn, waarom wordt deze therapie dan niet als voorkeursbehandeling vermeld in de richtlijn? Waarom behandelt slechts een handvol huisartsen met deze therapie? “Het is natuurlijk altijd gissen,” vertelt Bas Op de Coul, KNO-arts in het Jeroen Bosch Ziekenhuis, “maar werkdruk kan een reden zijn; het bordje van de huisartsen zit vol.“ De KNO-arts, die regelmatig bijscholing in immunotherapie aan huisartsen geeft, noemt nog een reden: “Rondom immunotherapie is in het verleden gedoe geweest. In het begin, toen er nog relatief weinig onderzoek naar was gedaan, zijn er sublinguale vormen gebruikt die achteraf niet altijd even effectief bleken...

Lees Verder
De multidisciplinaire communicatielijnen zijn essentieel
mrt22

De multidisciplinaire communicatielijnen zijn essentieel

Toenemende ervaring met het voorschrijven van DOACs heeft er paradoxaal genoeg toe geleid dat er nieuwe vragen zijn ontstaan rond de behandeling met deze medicatie. Wat zijn bijvoorbeeld de afwegingen bij een behandelkeuze? Welke patiënt krijgt levenslang antistolling geadviseerd? Wie neemt hier het besluit over en op welke gronden? Tijdens het transmuraal farmacotherapeutisch gesprek, dat onlangs in UMC Utrecht plaatsvond, bleken de daar aanwezige zorgprofessionals ook geen oplossingen te hebben. “Het enige wat echt duidelijk is rond antistolling, is dat zorgverleners met elkaar heldere afspraken moeten maken.” Aan de telefoon, daags na deze multidisciplinaire bijeenkomst, benadrukt de moderator van de avond, Karin Kaasjager, hoogleraar interne geneeskunde aan het UMC Utrecht, het belang van het voeren van transmuraal farmacotherapeutische gesprekken. Zorgverleners uit verschillende disciplines laten dan hun licht schijnen over een actueel thema. “Wat betreft communicatie tussen zorgverleners hapert het nog wel eens, terwijl veel aandoeningen een multidisciplinaire aanpak vereisen, vertelt de hoogleraar en vervolgt: “Vaak weten we elkaar niet goed te vinden, waardoor de patiënt tussen wal en schip dreigt te raken. Dat is niet vanwege onwil, maar onder meer omdat onze patiëntendossiers niet aan elkaar zijn gelinkt en omdat in de uitvoering van richtlijnen de afstemming niet altijd goed is geregeld. Dit soort avonden maakt dat we, door te brainstormen hoe we beleid beter op elkaar kunnen afstemmen, meer te weten komen over elkaars dagelijkse klinische werkelijkheid. Opvallend genoeg blijk je dan regionaal vrij eenvoudig tot heel werkbare afspraken te kunnen komen.” Goede afstemming Een grote groep huisartsen, apothekers, verpleegkundig specialisten en specialisten besprak tijdens Valentijnsdag diverse vraagstukken rond antistolling. Met de komst van de direct werkende orale anticoagulantia (DOACs), ook wel de non vitamine K afhankelijke orale anticoagulantia (NOACs), zijn er verschillende keuzemogelijkheden om een belangrijk behandeldoel van atriumfibrilleren en veneuze trombo-embolie te bewerkstelligen: het voorkomen van ischemisch herseninfarct enerzijds en terugkeer van diep veneuze trombose of embolie anderzijds. Mede door de vergrijzing zijn dit veelvoorkomende ziektebeelden die zowel in de eerste als tweede lijn behandeld worden. Goede afstemming tussen de betrokken behandelend zorgverleners is dan ook essentieel. Aangestuurd door Kaasjager, vond er aan de hand van een aantal casus een dialoog plaats tussen aanwezigen in de zaal en een panel van vier deskundigen. Later zou Kaasjager vertellen waarom het bespreken van casus zo belangrijk is: “Je krijgt dan goed zicht op de overwegingen van de arts in een specifiek geval. Vanuit allerlei onderzoeken weten we op groepsniveau hoe we patiënten moeten behandelen, maar wat doet de huisarts met de individuele patiënt die in zijn spreekkamer voor hem zit en nooit precies in het plaatje past?” Eerst kwam een jonge dame van 18 jaar aan bod: ze...

Lees Verder
CRP point-of-care testing bij kinderen met een luchtweginfectie: mag dat?
mrt21

CRP point-of-care testing bij kinderen met een luchtweginfectie: mag dat?

Het gebruik van C-reactief proteïne (CRP) point-of-care testing (POCT) bij volwassenen die de huisarts bezoeken is in Nederland sinds 2011 gemeengoed. Steeds vaker wordt dit in samenwerking met POCT experts uit een geaccrediteerd diagnostisch centrum of laboratorium georganiseerd, conform de nationale richtlijn die hiervoor is ontwikkeld. Lees...

Lees Verder
Rob Dijkstra: Van scheiding naar verbinding
mrt21

Rob Dijkstra: Van scheiding naar verbinding

Huisartsen en apothekers kunnen meer samenwerken. “De huisarts is de coördinator van het farmacotherapeutisch dossier, maar kan zich beter laten ondersteunen door de apotheker”, stelt Rob Dijkstra, scheidend voorzitter van het NHG. Over het volle bordje van de huisarts, de nieuwe focus, het einde van de domeinen en het doorslaan van het preferentiebeleid. 60 jaar na de eerste Woudschotenconferentie kwamen begin dit jaar huisartsen bijeen om de nieuwe kernwaarden en kerntaken vast te stellen. Wat 60 jaar terug begon met een stelletje enthousiaste huisartsen die de inhoud van het vak beschreven op basis van wetenschappelijke inzichten is uitgegroeid tot het wetenschappelijk geweten van de huisartsenzorg: het NHG. En na 12 jaar NHG, waarvan de laatste zes jaar als voorzitter, neemt Rob Dijkstra afscheid van ‘zijn’ Nederlands Huisartsen Genootschap. Onder zijn leiding kwam er meer aandacht voor persoonsgerichte zorg en groeide Thuisarts.nl tot de bron van informatie voor patiënt en zorgverlener. Dijkstra staat nog steeds een dag in de week in zijn huisartsenpraktijk in Amsterdam. Wat hij na 1 juni gaat doen als hij de voorzittershamer overdraagt, weet hij nog niet. Waarom zijn nieuwe kernwaarden en kerntaken nodig? “In 2012 hebben we de nieuwe toekomstvisie op de huisarts in 2022 gemaakt. Zeven jaar later blijkt de toekomstvisie op verschillende punten achterhaald. Toen was er geen POH ggz, de ontwikkelingen in ouderenzorg en jeugdzorg konden we niet voorspellen. Ook de huisarts is de afgelopen jaren veranderd: meer vrouwen, meer parttimers en naar verhouding minder praktijkhouders. Al mijn collega’s vragen: hoe staan we in het vak, hoe moeten we omgaan met al deze veranderingen? Een nieuwe toekomstvisie was onnodig, een herijking wel.” Het afgelopen jaar hebben het NHG, de LHV, InEen en tal van organisaties in de huisartsenwereld de nieuwe kernwaarden en kerntaken van de huisarts ontwikkeld. De nieuwe kernwaarde Gezamenlijk betekent dat de huisarts samen met de patiënt, het praktijkteam, de eerste-, tweede- en derde lijn en met overige zorginstellingen samenwerkt om goede, persoonsgerichte zorg te realiseren. De kernwaarde Generalistisch is aangescherpt tot Medisch-generalistisch, want huisartsen zijn vooral dokters die het eerste aanspreekpunt zijn voor lichamelijke en psychische klachten. Gebleven is de kernwaarde Persoonsgericht met de toevoeging dat de huisarts vooral samen met de patiënt optrekt. Gebleven is ook de kernwaarde Continu, want de huisarts is de constante factor voor de patiënt, continuïteit in de zorg en in de arts-patiëntrelatie blijven belangrijke uitgangspunten voor goede huisartsenzorg. Ook hebben de huisartsen geformuleerd wat een huisarts doet en wat elke patiënt van zijn of haar huisarts mag verwachten. En dus ook welke taken niet van de huisarts zijn. Het werkveld van de huisarts draait om medisch-generalistische zorg en het beschikbaar stellen van spoedeisende...

Lees Verder