Adrienne van Strien: Terug naar de basis

FarmaMagazine_Adrienne van StrienWillen apothekers de positie van zorgverleners erkend krijgen dan moeten ze tijd en ruimte krijgen voor de basis. “Het is allemaal te veel wat op de apotheek afkomt en het is te versnipperd in de praktijk. Het wordt dan ook tijd dat apothekers de ruimte krijgen om meer te gaan focussen”, aldus Adrienne van Strien. Dat betekent gestructureerde en goed begeleide implementatie van richtlijnen met oog voor de uitkomsten.

Farmaceutisch geweten. Als er dan al een stempel geplakt moet worden op Adrienne van Strien dan past deze wel het beste. In diverse functies zet zij zich in voor de farmaceutische zorg.

Bij apothekenorganisatie Mosadex is zij farmaceutisch directeur extramuraal. In de praktijk houdt zij zich daar bezig met de kwaliteit van zorg in de 400 aangesloten Service Apotheken. Voor de Napco, belangenbehartiger voor zelfstandige apotheken, ligt het dossier prestatiebekostiging op haar bureau. En als vice-voorzitter van de Wetenschappelijke sectie Openbaar Apothekers (WSO) van de KNMP maakt ze een blauwdruk voor de toekomst van het vak openbaar apotheker als zorgverlener.

Een apotheker met hart voor het vak dus, die zelf er niet meer aan toekomt om voor of achter de balie te staan.

Hoe typeert u de staat van de farmaceutische zorg in ons land?
“De gemiddelde patiënt is in goede handen in de Nederlandse apotheek. De zorg in de apotheek is best wel goed, de medicatiebewaking en begeleiding zijn op orde. Helaas zijn wij apothekers niet goed in het over de bühne krijgen van wat we allemaal doen. Patiënten die niet zo vaak in de apotheek komen, hebben moeite om te begrijpen wat er voor hen wordt gedaan in een apotheek. Want we doen heel veel! Ook weten zorgverleners onvoldoende van elkaar wat de een of de ander doet. In de huisartsenpraktijk ontvangt de patiënt informatie over het geneesmiddel, maar ook in de apotheek. Het is vaak niet bekend welke informatie de patiënt krijgt en vaak is deze ook niet op elkaar afgestemd. Zo wordt er onvoldoende gebruik gemaakt van elkaars expertise. Kortom, het is nog onvoldoende bekend wat we bieden.”

Hoe is dat zo gekomen?
“Apothekers zijn zorgverleners maar moeten wel de ruimte krijgen om de rol te vervullen. Er komt namelijk te veel af op het veld. Heel veel nieuwe wet- en regelgeving, beleidsmaatregels, uitvoeringsregelingen vanuit de zorgverzekeraar, nieuwe (multidisciplinaire) richtlijnen, contractafspraken die continu veranderen, een veelheid aan administratieve taken. Vergeet niet dat de apotheker aan het einde van de zorgketen zit en zo de problemen van al deze maatregelen en afspraken in de zorgketen mag oplossen. Die positie aan het einde van de keten vergeten we weleens. Bovendien hebben individuele apothekers door de jaren heen veel geïnvesteerd in de ontwikkeling van zorg maar geven wij als beroepsgroep nog maar een aantal jaren dit in richtlijnen vorm. Er komt  veel op de apotheek af en het is te versnipperd wat we in de praktijk laten zien. Het wordt dan ook tijd dat apothekers de ruimte en tijd krijgen om te gaan focussen.”

Wat is de basis van de farmacie?
“De echte basis is natuurlijk een optimale medicatiebegeleiding in de breedste zin van het woord. Die core business van de apotheek moet op orde zijn. Daarnaast moeten we onze richtlijnen gericht implementeren. Zo heeft de WSO een helder routeplan opgesteld. Ik noem het focus en rust aanbrengen. De eerste twee jaar staan vijf richtlijnen centraal. Niet meer en niet minder. Het zijn ook al bestaande richtlijnen maar die moeten geoptimaliseerd worden als het ware. Er moeten praktijktoetsen gedaan worden en een business impact analyse, dat zijn onderdelen die nog niet zijn gedaan. Maar we moeten als beroepsgroep ook gaan kijken naar de implementatiegraad. Hoe doen we het met elkaar en als het niet lukt waarom dan niet, is de richtlijn dan wel goed? Na die twee jaar komen er weer vijf richtlijnen bij. Alle richtlijnen hebben ook indicatoren, want de stakeholders zoals patiënten en zorginkopers moeten weten wat een goed meetinstrument  is. Belangrijk is dat we deze richtlijnen ook echt gaan implementeren. Onze sector wil nog weleens aan de haal gaan met een richtlijn. Zodra het op papier staat is het een voldongen feit. Zo werkt het natuurlijk niet. Het kost tijd om een richtlijn in de sector te implementeren. De NHG heeft niet voor niets een heel gebouw gevuld met professionals die zorgdragen voor de ontwikkeling, implementatie en onderhoud van de richtlijnen bij huisartsen.“

Hoe reageert de sector op de focus?
“We zijn het land ingetrokken, hebben met veel apothekers en stakeholders gesproken. Het routeplan wordt gedragen door onze achterban en is bijna klaar voor de implementatie. Maar we kunnen pas aan de slag als IGZ en verzekeraars er ook achter staan. We zijn nog steeds in gesprek met deze twee partijen. Ze hebben zich nog niet uitgesproken of ze zich gaan houden aan dit routeplan.”

Adrienne van Strien geeft een voorbeeld. Neem de huidige richtlijn ‘ter hand stellen’.  Apothekers hebben daarin beschreven dat receptcontrole binnen 24 uur moet plaatsvinden en dat de apotheker als professional steeds zelf een risicoinschatting maakt. De IGZ hanteert echter in sommige gevallen toch 12 uur. “24 uur of 12 uur, daar zit een enorm verschil in. Onze normen gaan uit van 24 uur. Waarom wijkt IGZ af van die 24 uur en hanteren ze niet onze norm? Ieder recept is namelijk anders, heeft een ander risico. Vandaar ook de toelichting dat de apotheker zelf een risicoinschatting maakt. En dan moet je weten dat in het buitenland vaak helemaal geen controle van het recept plaatsvindt. Onze norm is afgestemd op de dagelijkse praktijk in de openbare apotheek. Het is een voorbeeld hoe belangrijk het is dat IGZ onze normen moet erkennen en op die basis gaat handhaven. Zonder die randvoorwaarde kan de apotheker onvoldoende goed zijn rol invullen.”

Wat levert goede farmaceutische zorg eigenlijk op?
“Op de eerste plaats goed gebruik van geneesmiddelen. Maar de maatschappij wil terecht weten wat het effect van effectieve zorg is. Wat kost het en wat levert het op? Alleen dan wil men betalen voor zorg. Wil je harde uitkomsten koppelen aan goede farmaceutische zorg, dan wordt het ingewikkeld. Want wat ga je dan precies meten: harde uitkomsten in euro’s, tevredenheid van de patiënt? Dat is al complex. Wil je een concrete uitkomst hebben, dan moeten we gegevens uit diverse bronnen uit de zorgketen gebruiken, naast elkaar leggen en analyseren om zo een effect door te rekenen. Daarvoor hebben we naast gegevens over medicatiegebruik uit de apotheek ook data van bijvoorbeeld huisartsen, laboratoria, ziekenhuizen en zorgverzekeraars nodig. Die kunnen we echter niet zomaar krijgen en gebruiken.”

“Neem medicatiebeoordeling. We weten nog onvoldoende bij welke  patiëntengroepen een medicatiebeoordeling het meeste effect heeft. Dat moeten we nog goed onderzoeken. Ondertussen heeft de IGZ apothekers opgelegd om een specifieke patiëntenpopulatie een medicatiebeoordeling te geven. Patiënten met zeven of meer geneesmiddelen, ouder dan 75 jaar en met een slechte nierfunctie. Daarnaast hanteren ze een ingroeimodel naar 100 medicatiebeoordelingen per jaar in 2017 voor de apotheek. Of neem het voorstel van de NPCF. Die stelt voor om ieder jaar patiënten uit te nodigen voor een APK-medicatie. Want dat zou effect hebben. Medicatiebeoordeling is behoorlijk tijdsintensief je moet dus wel zeker weten dat het nuttig is. Helaas weten we dat nog niet. Laat nu aan de sector zelf over hoe we de medicatiebeoordeling oppakken. We zijn sinds het verschijnen van de multidisciplinaire richtlijn in 2012 goed  op weg en dan is het niet handig om je alleen te focussen op zo een kleine groep patiënten zoals IGZ dat wil.”

Ondertussen daalt de waardering van de patiënt voor de apotheek.
“Volgens de Zorgkaart van de NPCF krijgt de apotheker de laagste waardering van alle zorgverleners. Ik zie ook bij de Service Apotheek dat de waardering de laatste paar jaar met een paar tienden daalt. We zitten nu op een mooie 7,8. Die daling is goed verklaarbaar door de onvrede aan de balie, bij zowel patiënten als assistentes. Het gaat teveel over geld en vergoedingen en niet over zorg. Als we ons weer meer kunnen gaan focussen op onze kerntaken dan wordt duidelijker wat we doen, komt het werkplezier terug bij de assistentes en scoren we een hogere waardering.”

En hoe ziet het farmaceutisch landschap er over 10 jaar uit?
“Ik voorzie meer samenwerkingsverbanden als bijvoorbeeld een A-hoed, want de efficiency neemt toe als zorgverleners onder een dak zitten en makkelijk kunnen samenwerken. Maar ook een groei in lokale netwerken zoals zorggroepen van apothekers met  aandacht voor kwaliteit. De apotheker kan op die manier steeds beter invulling geven aan zijn rol. Ik geloof ook niet in de scheiding van zorg en distributie. Wel zullen apothekers steeds meer taken uitbesteden aan centrale organisaties.”

Wie betaalt wie?
Huisartsen en apothekers werken al goed samen onder meer dankzij multidisciplinaire richtlijnen. Winst is te behalen met meer eenduidigheid in contracten met zorgverzekeraars. Nu zijn de doelstellingen voor huisarts en apotheker vaak verschillend benoemd. De prestatie moet eenduidig zijn voor huisarts en apothekers maar ook de indicatoren bijvoorbeeld, stelt Adrienne van Strien. “Nu komt het voor dat apothekers de huisarts moet betalen uit de financiering die de apotheker van de zorgverzekeraar krijgt. Dat werk niet. Ik pleit voor benoemen van gezamenlijke prestaties met dezelfde doelstelling voor beide zorgverleners. Ik merk echter dat in beleidsdiscussies over farmaceutische zorg in de zorgketen vertegenwoordigers van de LHV, de NHG en huisarts zorginkopers helaas niet altijd aanwezig zijn. Ook dat moeten we multidisciplinair insteken.”

 

Tekst: Niels van Haarlem
Fotografie: Frank van Wijck

 

 

Gerelateerde berichten

Auteur: redactie
Categorie: E10
Tags: ,

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *