Blog

Kritiek op de voorgestelde wijzigingen wet op bevolkingsonderzoek

door | 15:32 in 2018, Aankondigingen, Actueel, Praktijkvoering, Redactioneel, Topbericht | ) reacties

Kritiek op de voorgestelde wijzigingen wet op bevolkingsonderzoek

Minister Schippers overwoog vanwege de toenemende health checks af te stappen van een vergunningsplicht voor onderzoeken zoals bodyscans. In het recente voorstel tot wetswijziging staat echter dat er wordt vastgehouden aan de vergunningsplicht voor met ioniserende straling. Tegelijk wil minister De Jonge af van de bestaande vergunningsplicht voor bevolkingsonderzoeken van het rijk. De internetconsultatie leverde enkele kritische reacties op. De digitale consultatieronde over deze wetswijziging is per 8 augustus jl. gesloten. Minister Hugo de Jonge van VWS stelt voor om bevolkingsonderzoeken in te delen in drie categorieën, met elk eigen regels. Categorie 1: Onderzoeken zonder medisch risico, waarvoor geen nadere regels komen. Categorie 2: Onderzoeken waarvan de uitvoering een medisch risico met zich meebrengt, vanwege voorbehouden handelingen die moeten worden uitgevoerd. Deze mogen alleen verricht als ze voldoen aan professionele standaarden en normen. Categorie 3: Onderzoeken waarbij (risico-indicatoren voor) ernstige ziekten of aandoeningen kunnen worden aangetroffen waarvoor geen behandeling of preventie mogelijk is, onderzoeken waarbij ioniserende straling wordt toegepast én onderzoeken die zich richten op dezelfde ziekten en aandoeningen als de bevolkingsonderzoeken die de rijksoverheid aanbiedt. Voor deze gehele categorie wil de minister een vergunningsplicht. De vergunning wordt alleen verleend na een advies van de Gezondheidsraad. Uitbreiding handhavingsmogelijkheden IGJ De Jonge wil af van de bestaande vergunningsplicht voor bevolkingsonderzoeken die de rijksoverheid zelf aanbied, dus borst-, darm- en baarmoederhalskanker. In het conceptvoorstel worden ook de handhavingsmogelijkheden voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd uitgebreid. Niet alleen het verrichten, maar ook het aanbieden van bevolkingsonderzoeken moet onder de Wbo komen te vallen, dus ook als de uitvoering in het buitenland plaatsvindt. Kritiek KNMG De KNMG heeft enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij het concept. De federatie vindt het niet goed dat er geen eisen aan de eerste categorie testen worden gesteld. Ook doet de voorgestelde indeling niet aan de werkelijkheid, aldus de KNMG. Zo kunnen er op de eerste categorie vervolgonderzoeken volgen die wel medische risico’s met zich mee kunnen brengen. Tevens vindt de KNMG dat de informatievoorziening aan gebruikers niet alleen aan aanbieders kan worden overgelaten. Ze maakt zich daarnaast zorgen over de werkdruk en kosten die preventieve onderzoeken met zich meebrengen voor eerste- en tweedelijnszorgaanbieders, vanwege mensen die zich daar melden met zorgen over of behoefte aan interpretatie van uitslagen. ZKN: maak onderscheid in zwaarte van straling Zelfstandige Klinieken Nederland (ZKN) vreest door de vergunningsplicht vooral een inperking van de keuzemogelijkheden voor mensen die preventieve onderzoeken willen laten verrichten. ‘Mensen die graag een betere test en hiervoor willen betalen, zouden deze mogelijkheid moeten hebben.’ ZKN pleit ervoor om in ieder geval onderscheid te maken in de mate van ioniserende stralingsbelasting. ‘Sommige diagnostische apparatuur is zo weinig belastend dat de vergunningsplicht een te zwaar instrument is’. VKGN is bezorgd over toenemen aanbod genetische tests De Vereniging Klinische Genetica Nederland (VKGN) spreekt in de consultatieronde haar zorgen uit over het toenemend aanbod en gebruik van commerciële genetische test. ‘Via onder andere advertenties worden consumenten uitgenodigd hiervan gebruik te maken. De Nederlandse jurisdictie eindigt bij de landsgrenzen. Om die reden bieden Nederlandse en buitenlandse aanbieders hun diensten via advertenties en websites in Nederland aan, en voeren zij de analyses in laboratoria over de grens uit.’ Daarnaast maakt de VKGN zich over het aanbod aan minderjarigen. ‘Er is niets geregeld om gebruik door minderjarigen te voorkomen.’ Vervolg Na verwerking van de consultatiereacties volgt een...

lees verder

Per 2020 wordt TPV vergoed uit de geneeskundige zorg

door | 08:21 in 2018, Aankondigingen, Actueel, Praktijkvoering, Redactioneel, Topbericht | ) reacties

Per 2020 wordt TPV vergoed uit de geneeskundige zorg

Totale parenterale voeding (TPV) moet vanaf 1 januari 2020 voor alle TPV-patiënten alleen nog worden vergoed uit de geneeskundige zorg, aldus het Zorginstituut Nederland. Met dit standpunt komt er een einde aan de onduidelijkheid of de vergoeding van deze zorg valt onder de farmaceutische zorg, hulpmiddelenzorg of geneeskundige zorg. Totale parenterale voeding wordt altijd vergoed vanuit het basispakket. Maar er bleek veel onduidelijkheid te bestaan over de vergoeding van TPV voor chronische patiënten, zowel volwassenen als kinderen, die thuis verblijven. Voor deze groep patiënten worden de voeding en de hulpmiddelen die nodig zijn om de voeding toe te dienen, zoals infuuspomp met toebehoren, momenteel vergoed op twee manieren. Namelijk vanuit een combinatie van farmaceutische zorg (voeding) en hulpmiddelenzorg (infuuspomp met toebehoren). En vanuit de geneeskundige zorg. Dit zorgt in de praktijk voor verwarring. Medisch specialist altijd eindverantwoordelijk Het Zorginstituut is met alle betrokken partijen tot de conclusie gekomen dat de TPV-zorg vanaf 1 januari 2020 alleen vanuit de geneeskundige zorg moet worden vergoed. Dit betreft dus zowel de voeding als de hulpmiddelen. De voorschrijvende medisch specialist is en blijft namelijk eindverantwoordelijk voor TPV-zorg, zowel in het ziekenhuis als thuis. Ook zal altijd een achterwachtfunctie vanuit het ziekenhuis nodig zijn voor deze patiënten. Wijziging regelgeving Het Zorginstituut heeft de minister van VWS verzocht de regelgeving zodanig aan te passen, dat TPV en de bijbehorende hulpmiddelen per 1 januari 2020 alleen kunnen worden bekostigd via de geneeskundige zorg. Verder is het belangrijk dat voor de nieuwe situatie de bekostigingsstructuur per 1 januari 2020 wordt geregeld, zodat vergoeding vanuit geneeskundige zorg mogelijk wordt. Hiervoor hebben de betrokken partijen onlangs een wijzigingsverzoek bij de NZa ingediend. Richtlijn TPV-zorg De Stichting Darmfalen Nederland gaat in samenwerking met de zorgverleners en de patiëntenvereniging aan de slag met een richtlijn. Hierin wordt aangegeven hoe de TPV-zorg het beste kan worden georganiseerd. Bron: Zorginstituut Nederland Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

lees verder

Je hoeft niet ziek te zijn om beter te worden

door | 11:28 in 2018, Opinie, Praktijkvoering, Redactioneel, Samenwerking, Topbericht | ) reacties

Je hoeft niet ziek te zijn om beter te worden

‘Ze is een huisarts zoals je iedereen zou toewensen’, aldus een patiënt van Anneke Dalinghaus. ‘Vriendelijk, benader- baar en professioneel.’ Een mooi compliment voor een huisarts lijkt me. Anneke (64) blijkt een bezige bij: huisarts, kaderarts ouderengeneeskunde, vrouw en moeder van, schildert en spreekt haar talen. En als het even kan doet ze alles op de fiets. Een vrouw die het vak ademt. “Ik hou van mijn vak omdat ik het verschil kan maken. Ik kan mensen helpen om zichzelf beter te laten voelen. Wat het soms moeilijk maakt, is dat ik mijn beroep bén. Het is een manier van leven. Prima hoor, anders zou ik iets anders doen.” Huisartsenpraktijk Lidwina ligt in Stratum. In deze praktijk zijn drie huisartsenpraktijken gevestigd. Stratum is een van de zeven stadsdelen van de gemeente Eindhoven en telt ruim 33.000 inwoners. Het was oorspronkelijk een agrarische gemeenschap waar in de vorige eeuw ook sigaren- en textiel- industrie ontstond. Daarna deden ook grotere, moderne bedrij- ven hun intrede, zoals truckfabrikant DAF. Het is een gemê- leerde wijk met een groot aantal oudere bewoners. U bent 32 jaar geleden begonnen als huisarts. Hoe zag uw carrière er in vogelvlucht uit? “Voordat ik als eenpitter mijn praktijk begon in een nieuw- bouwwijk iets verderop, heb ik een aantal jaar met mijn man in Venezuela gewoond. Daar hield ik me onder andere bezig met de bestrijding van malaria. In 1991 kwamen we terug in Nederland en begon ik mijn praktijk in een noodgebouwtje. Aantal patiënten: 0. In 1995 werd ik de klassieke huisarts met praktijk aan huis. Wel zo handig als je drie kinderen hebt. Sinds 2006 zit ik in deze praktijk. Aantal patiënten: 2350. Als ik terug- kijk, is vooral de manier waarop we nadenken over gezondheid veranderd.” In welke zin anders? “Gezondheid werd vooral gezien als de afwezigheid van ziekte. Je was gezond als je geen ziekte had. Nu is gezondheid het gevoel van gezond zijn. Dit kan ook als je ziek bent of een chronische ziekte hebt. Arts-onderzoeker Machteld Huber introduceerde deze visie over positieve gezondheid in 2012 in Nederland. In haar zienswijze is gezondheid het vermogen om met fysieke, emotionele en sociale uitdagingen om te gaan en zoveel mogelijk de eigen regie te voeren. Het gaat om het vermogen om met veranderende omstandigheden om te kunnen gaan. Vroeger zeiden we: ‘Je bent een ‘diabeet’. Maar je bént niet je ziekte, je hébt een ziekte.” Hoe vertaalt deze visie zich in de praktijk? “Het betekent dat ‘de dokter’ niet meer degene is die tegen de patiënt zegt wat hij moet doen. We gaan samen op zoek naar hoe je zo gezond en prettig mogelijk kunt leven. De pati- ent neemt in deze zoveel mogelijk de regie. Daarbij is goede informatie essentieel zodat er weloverwogen keuzes gemaakt kunnen worden. Dan kom ik om de hoek kijken. Ik ben de expert op het gebied van gezondheid waaraan de patiënt vragen kan stellen. Een coach die begeleidt om gezonder te worden. Als je dat wilt natuurlijk. ” Je bent ook kaderarts ouderengeneeskunde. Waarom ouderengeneeskunde?
 “Ouderengeneeskunde is een uitdaging op medisch gebied. Maar het is ook interessant om te zien hoe de ouderdom zich tot het leven verhoudt. Dan gaat het om veel niet-medische aspecten. Denk aan eenzaamheid, hulpbehoevendheid en mantelzorg. Oud worden is moeilijk. Iedereen wil het...

lees verder

Amsterdam UMC gestopt met eigen bereiding CDCA

door | 10:11 in 2018, Aankondigingen, Actueel, Farmaco, Praktijkvoering, Redactioneel, Topbericht | ) reacties

Amsterdam UMC gestopt met eigen bereiding CDCA

Het medicijn CDCA dat Amsterdam UMC sinds april bereidt voor patiënten met een zeldzame stofwisselingsziekte, wordt teruggehaald. De Inspectie Gezondheid en Jeugd (GJ) stelt dat de grondstof voor het medicijn, uit China, niet betrouwbaar kan worden getest en dat het middel mogelijk onzuiverheden bevat. Of dit werkelijk zo is, wordt verder uitgezocht. Uit voorzorg moet Amsterdam UMC stoppen met de bereiding en alle patiënten vragen de medicatie terug te geven. Amsterdam UMC heeft direct persoonlijk contact gezocht met alle patiënten en de situatie uitgelegd. Het ziekenhuis voegt zich in de tussentijd naar het oordeel van de IGJ, maar beraadt zich op verdere stappen. “Wij hebben het middel vanaf het begin volgens geldende Europese kwaliteitseisen laten testen door een gecertificeerd laboratorium. We zijn verbaasd dat de IGJ tot een andere conclusie komt.” Voorlopige vergoeding oorspronkelijke medicijn Verzekeraars hebben inmiddels toegezegd het oorspronkelijke medicijn van het farmaceutische bedrijf Leadiant, dat niet is toegelaten tot het basispakket, voorlopig te vergoeden. Amsterdam UMC bezorgt het vervangende middel zelf bij de patiënten zodat iedereen tijdig over medicatie beschikt. Tevens wordt de oude medicatie opgehaald. Prijs vervijfvoudigd Het middel is bedoeld voor de behandeling van de ziekte CTX, ofwel cerebrotendineuze xanthomatose. Daarvan zijn in Nederland ruim 60 patiënten. De patiënten missen een enzym om een galzuur aan te maken. Door de blokkade in de productie maakt het lichaam andere stoffen die toxisch zijn en die leiden tot ziekteverschijnselen met name in hersenen, ogen en pezen. Sinds de jaren zeventig worden patiënten behandeld met CDCA en dat werkt goed. Tot voor kort konden patiënten dit geneesmiddel verkrijgen voor 30.000 tot 40.000 euro per jaar. Toen het farmaceutische bedrijf Leadiant de prijs vervijfvoudigde (!) gaven de verzekeraars aan het middel niet langer uit coulance te vergoeden. AMC-internist Carla Hollak,  hoogleraar erfelijke stofwisselingsziekten en één van de initiatiefnemers tot de eigen bereiding: ‘Deze prijsverhoging heeft geen enkele relatie met meerkosten of meerwaarde van dit geregistreerde middel ten opzicht van het eerder bereide middel.’ Amsterdam UMC besloot om het middel zelf te bereiden en beschikbaar te stellen tegen kostprijs, zodat de zorg voor deze patiënten gegarandeerd bleef. Inspectie na melding farmaceutisch bedrijf Leadiant heeft vervolgens een melding gedaan bij de inspectie. Daarop heeft IGJ een inspectie uitgevoerd bij Amsterdam UMC, locatie AMC. Daarbij stelde de IGJ dat de kwaliteit van de grondstof niet volgens Europese standaarden kan worden getest. Daarnaast stelt de inspectie dat de grondstof onzuiverheden bevat in een concentratie boven de toegestane waarde. De IGJ kan niet zeggen om welke onzuiverheden het gaat. Amsterdam UMC heeft de kwaliteit van de grondstof voor toepassing uitgebreid laten onderzoeken. Teleurstellend De IGJ vermeldt dat ze zich ervan bewust zijn dat deze ontwikkeling een grote impact heeft op patiënten met CTX en hun naasten en dat dit voor alle betrokkenen teleurstellend is. Het AMC heeft de inspectie laten weten hard te werken aan een goede oplossing voor patiënten. De IGJ en het AMC hebben met elkaar afgesproken hierover in gesprek te blijven. Bron: Amsterdam UMC en IGJ Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

lees verder

Dikkedarm- en prostaatkanker: Op het snijvlak van huisarts en specialist

door | 09:33 in 2018, E06, Farmaco, Praktijkvoering, Redactioneel, Samenwerking, Topbericht | ) reacties

Dikkedarm- en prostaatkanker: Op het snijvlak van huisarts en specialist

Zorg die steeds complexer wordt, een groter kennisaanbod en een steeds mondiger patiënt die meer onderdeel wil uitmaken van zijn eigen behandelplan: door deze én meer aspecten speelt de huisarts een onmiskenbare rol rondom de oncologiepatiënt van nu. Hiermee beet Emile Voest, medisch directeur van het Antoni van Leeuwenhoek (AVL), het spits af tijdens het huisartsensymposium over darm- en prostaatkanker dat dinsdag 19 juni jl plaatsvond in zijn centrum. Een aantal medisch-oncologen uit het AVL en onco-seksuoloog Woet Gianotten presenteerden onderzoeksresultaten die ook van belang zijn voor de praktijk van de huisarts. Op basis van reacties uit de zaal bleek het geen overbodige luxe te benadrukken dat huisartsen ook de seksuele gevolgen van darm- en prostaatkanker met de patiënt zouden moeten bespreken: weinig huisartsen gaven aan dit te doen. “Zo’n gemiste kans,” zei Woet Gianotten, seksuoloog gespecialiseerd in onco-seksuologie: “Seks is niet alleen belangrijk voor de kwaliteit van leven, intimiteit en seks helpen ook bij het proces van herstel. Bovendien verbetert adequate aandacht voor het seksleven het contact met de patiënt. “De cijfers liegen er niet om: afhankelijk van hoe belangrijk seks is, het soort kanker, het soort behandeling en de aanpak van de zorgverlener, ondervindt tussen de veertig en honderd procent van de patiënten en hun partners schade aan intimiteit en seksualiteit. Met soms grote gevolgen, zoals depressiviteit en stuklopen van de relatie. “Uitleggen dat schade aan het seksleven ook een gevolg is van de aandoening, maakt voor de meeste patiënten al een groot verschil,” zei Gianotten: “En dat er vaak ook iets aan gedaan kan worden.” Aan de hand van studies liet de seksuoloog zien dat seksuele schade per aandoening verschilt. Zo vergroten chirurgie en radiotherapie bij colorectale kanker bij de man de kans op erectie- en ejaculatieproblemen en bij de vrouw lubricatieproblemen en ovariële schade. Het hebben van een stoma, zo legde Gianotten uit, kan enorm belastend zijn voor het seksleven. “Als je klaarkomt, stijgt de oxytocinespiegel sterk, waardoor de colonperistaltiek toeneemt. Normaal zorgt de kringspier van de anus ervoor dat er dan geen ontlasting vrijkomt. Het colostoma mist zo’n kringspier en dus loopt het stomazakje dan vol, waardoor onrust en onzekerheid. Hier is weinig aan te doen, maar je kunt het in ieder geval bespreken. ” Veranderend sexleven Gianotten liet de gevolgen van prostaatkankerbehandelingen op het seksleven zien: Zo hebben patiënten na radicale prostatectomie erectieproblemen, anejaculatie en last van urine-incontinentie. “Het laatste is bij orale seks vervelend tijdens het klaarkomen,” zei Gianotten: “Overigens is dit makkelijk te voorkomen met een stuwbandje. Elke huisarts kan zo’n advies geven.” Na radiotherapie zijn de gevolgen ongeveer hetzelfde als bij chirurgie, maar daar komt bij dat mannen vaak niet meer kunnen ejaculeren, pijn hebben tijdens het orgasme en blaas- en darmproblemen hebben. De gevolgen van bestraling met hormoontherapie zijn nog uiteenlopender, met daarbij ook minder zin hebben in seks en minder energie hebben. Gianotten vertelde dat de erectiefunctie bij zenuwsparende behandeling na anderhalf jaar weer hersteld kan zijn, mits de patiënt in de tussenperiode wel geforceerd erecties probeert te krijgen, bijvoorbeeld met behulp van een vacuümpomp of injecties. Dat voorkomt de ontwikkeling van fibrose in de corpora cavernosa. De rol van de huisarts, zo besloot Gianotten, is cruciaal: “Door er te zijn, te luisteren en eventueel oplossingen aan te reiken, kun je als huisarts eraan bijdragen dat de patiënt...

lees verder

MFB’s voor optimale farmacotherapie

door | 10:07 in 2018, Opinie, Praktijkvoering, Redactioneel, Samenwerking, Topbericht | ) reacties

MFB’s voor optimale farmacotherapie

In totaal hebben apothekers in ons land in 2017 bijna een miljoen landelijke Medisch Farmaceutische Beslisregels (MFB’s) afgehandeld. De MFB’s helpen bij het extra controleren op medicatieveiligheid. Bij een op de vijf afgehandelde MFB’s zijn aanpassingen doorgevoerd. De farmacotherapie van de individuele patiënt is zo geoptimaliseerd. Dit blijkt uit verzamelde data van bijna 90% van de Nederlandse apotheken. De MFB’s uit de landelijke set dragen bij aan zorg op maat en veilig medicatiegebruik. Per apotheek zijn over heel 2017 ruim vijfhonderd van deze MFB’s uit de landelijke set afgehandeld. In 20% van de gevallen werd naar aanleiding van een MFB de medicatie gewijzigd. Landelijke set MFB’s 2019 Inmiddels is de landelijke set MFB’s voor 2019 bekend. Deze bestaat uit totaal 26 MFB’s. De MFB ‘Overgebruik triptanen’ wordt toegevoegd voor het opsporen van patiënten met frequente migraine-aanvallen. Bij een frequentie van twee of meer migraine-aanvallen per maand wordt geadviseerd om preventieve behandeling te bespreken. Daarnaast kan deze MFB ondersteunen bij het signaleren van patiënten met hoofdpijn door medicatie-overgebruik. Dit kan ontstaan wanneer patiënten te veel en te vaak triptanen verstrekt krijgen. Met de MFB bekijkt de apotheker of de huidige therapie adequaat is. Vanaf augustus is de MFB ‘Overgebruik triptanen’ beschikbaar op de KNMP Kennisbank via het menu ‘Medicatiebewaking’. Alle zorgschillen (BENU Medicijnmonitor, NControl, NMC en WeCare) geven aan dat zij vanaf januari 2019 de nieuwe landelijke set volledig geïmplementeerd hebben in hun systemen. De MFB ‘Verhogen acetylsalicylzuur 30 mg en carbasalaatcalcium 38 mg’ wordt na twee jaar uit de landelijke set gehaald, omdat deze MFB niet voldoende meerwaarde heeft. Eenduidigheid en zichtbaarheid Het MFB-convenant is in 2016 getekend door de KNMP, Alphega & Boots apotheek, BENU Apotheken, NFZ, Pluriplus en Service Apotheek. De betrokken organisaties stellen jaarlijks de landelijke set MFB’s samen. Dankzij dit convenant signaleren bijna 90% van de Nederlandse apotheken MFB’s op dezelfde wijze. Deze landelijke signalering bevordert eenduidigheid en zichtbaarheid van de zorg die de apotheker levert. De set wordt jaarlijks geüpdatet. Bron: KNMP Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

lees verder

CRP-POCT in de huisartsenpraktijk

door | 15:39 in 2018, E06, Opinie, Praktijkvoering, Redactioneel, Samenwerking, Topbericht | 1 reactie

CRP-POCT in de huisartsenpraktijk

In de afgelopen februari-, maart- en april-editie van FarmaMagazine is uitgebreid ingegaan op Point of Care Testing (POCT); oftewel een methode aan de hand waarvan professionals in de directe nabijheid van de patiënt laboratoriumtests kunnen uitvoeren. Zo kwam aan de orde wat POCT precies is, hoe huisartsen en apothekers verantwoord aan de slag kunnen met POCT en wat de verantwoordelijkheden zijn rondom interpretatie van de resultaten van deze snelle tests. Bepaling van C-reactief proteïne (CRP) in de huisartsenpraktijk is een vorm van POCT. Met CRP-POCT kan door middel van één drupje bloed ernstige luchtweginfecties meteen worden onderscheiden van niet-ernstige varianten. Bij patiënten met diverticulitis kan CRP-POCT helpen bij het onderscheid maken tussen een ongecompliceerde en mogelijk gecompliceerde variant. En de verwachting is dat zorgverleners met CRP-POCT in de nabije toekomst ook andere infecties zullen uitsluiten, dan wel aantonen. Hierdoor worden minder antibiotica voorgeschreven, is er minder doorverwijzing naar de tweedelijns zorg en is er sneller duidelijkheid voor de patiënt. Maar gebruik van deze tests heeft pas zin als de huisarts en andere zorgverleners deze accuraat uitvoeren en de uitkomst correct interpreteren; scholing en begeleiding zijn dan ook essentieel. Correct identificeren Sinds CRP-POCT in 2011 werd opgenomen in de NHG-richtlijnen Acuut Hoesten en Diverticulitis én er in 2015 een speciale multidisciplinaire richtlijn POCT (Point of Care Testing) in de huisartsenpraktijk kwam, passen steeds meer huisartsen deze vorm van diagnostiek toe. Vijfennegentig procent van alle huisartsen wil er graag gebruik van maken, zo blijkt uit onderzoek, maar nog niet iedereen heeft een samenwerking kunnen opstarten met een ondersteunend diagnostisch centrum. Ook op de huisartsenpost is CRP-POCT inmiddels een gewilde methode om snel acute ziektebeelden te kunnen uitsluiten: verdenking van infectieuze exacerbaties van COPD, snel bepalen of er sprake is van pneumonie of een andere luchtweginfectie bij een hoestende patiënt, bepalen van de gradatie bij acute diverticulitis. Onderzoek laat namelijk zien dat huisartsen moeite hebben (long)ontstekingen correct te identificeren. Op de huisartsenpost geldt bovendien dat zorgverleners meestal te maken hebben met patiënten waar ze de ziektegeschiedenis onvoldoende van kennen en bovendien is de tijdsdruk groot. De aanvullende CRP-POC test kan dan uitkomst bieden. De voordelen zijn groot: gecombineerd met goede algemene consultvaardigheden kan hiermee onnodig antibioticumgebruik worden voorkomen. Bovendien leidt het tot veertig procent minder verwijzingen naar de tweedelijns zorg en is het een snelle en patiëntvriendelijke methode. De uitslag is namelijk binnen enkele minuten bekend, waardoor de zorgverlener tijdens het consult samen met de patiënt het beleid kan bepalen. Momenteel wordt onderzoek gedaan naar het inzetten van CRP-POCT bij een verdenking op sepsis. De verwachting is dat sepsis in een eerder stadium opgespoord kan worden. CRP-uitslag De meeste ‘winst’ haalt CRP-POCT bij de groep patiënten waar differentiaal diagnostisch wordt gedacht aan een longaandoening die een ernstig beloop kan hebben, maar waar na anamnese en onderzoek hier onvoldoende bewijs voor is. Met alleen anamnese en lichamelijk onderzoek en zonder inzicht in de CRP-waarde, wordt in deze gevallen vaak (en veelal uit voorzorg) antibiotica voorgeschreven. Maar als met de POC-test een lage waarde (onder de 20 milligram per liter) wordt gevonden, dan is er geen sprake van een ernstige infectie. Bij zestig tot vijfenzeventig procent van de hoestpatiënten die de huisarts wil testen, blijkt dit het geval te zijn. Dankzij de snelle CRP-uitslag kan de patiënt dan gewoon worden gerustgesteld, is verdere behandeling...

lees verder

De NHG-Standaard Pijn is herzien

door | 15:25 in 2018, E06, Farmaco, Praktijkvoering, Redactioneel, Topbericht | ) reacties

De NHG-Standaard Pijn is herzien

De kundigheid om de betekenis van pijn te beoordelen is misschien wel een van de moeilijkste in het medisch vakgebied. Maar als de betekenis en de oorzaak van pijn duidelijk zijn geworden is goede pijnstilling – indien gewenst –ook verre van eenvoudig. Zo de dokter of apotheker op enig gebied ‘a drug’ kan zijn, dan is het wel op het gebied van de pijnstilling. Het vertrouwen dat pijn in voldoende mate kan worden bestreden is vaak op zichzelf al een waardevol pijnstillend middel. Wat zijn in de onlangs herziene NHG-Standaard Pijn de belangrijkste veranderingen ten opzichte van de versie uit 2016? De nieuwe versie raadt aan om zeer terughoudend te zijn met het gebruik van opioïden voor niet-palliatieve pijnstilling voor bijv. lagerugpijn en voorts is er een advies betreffende cannabis opgenomen. Voor het overige is deze herziene versie identiek aan de vorige versie uit 2016 die in het najaar van 2016 in FarmaMagazine aan de orde is geweest (2016;11(10):28-31). Stappenplan Het Stappenplan is onverkort gehandhaafd en wordt beknopt vermeld: – Stap 1 paracetamol – Stap 2 – 
 
bij plaatselijke spier- en/of gewrichtspijn diclofenacgel 1-3% of ibuprofengel 5% op de huid – 
oraal (of zo nodig rectaal of intramusculair) naproxen, ibuprofen of diclofenac afhankelijk van de individuele kenmerken van de patiënt – Stap 3 tramadol – Stap 4 morfine of een ander sterk werkend opioïd – Stap 5 
subcutane of intraveneuze toediening van morfine of een ander sterkwerkend opioïd Voor doseringen en nadere bijzonderheden zoals o.a. wanneer naproxen de voorkeur heeft boven diclofenac en vice versa zij verwezen naar de herziene NHG-Standaard Pijn. Hier richten wij ons op de belangrijkste wijziging, dat wil zeggen het beleid betreffende de toepassing van opioïden. Daarbij is het van groot belang om onderscheid te maken tussen de palliatieve pijnstilling bij patiënten die meestal kanker hebben en de niet-palliatieve pijnstilling. Behandeling van pijn die niet verband houdt met kanker Er zijn in de jaren 2016 en 2017 resultaten van verschillende onderzoeken gepubliceerd waaruit blijkt dat het belangrijk is om opioïden bij niet met kanker verband houdende pijn zorgvuldig voor te schrijven om zo overmatig gebruik en nadelige effecten zoals dosisverhoging, overdosering, afhankelijkheid, botbreuken, myocardinfarct en endocriene dysfunctie te voorkomen. Op grond van deze artikelen bevat de NHG-Standaard Pijn een aantal aanbevelingen. De zogenoemde WHO-ladder dient men niet zonder meer toe te passen bij chronische, niet aan kanker verbonden pijn. Enerzijds bestaat het risico dat het aantal patiënten dat opioïden als onderhoudsmedicatie gebruikt met afhankelijkheid en overmatig gebruik stijgt, want reeds na enkele weken gebruik van ca. 30 mg morfine per dag ontstaat fysieke afhankelijkheid en treden bij staking van het gebruik onttrekkingsverschijnselen op. Anderzijds kan ook bij niet met kanker verband houdende ernstige pijn kortdurend een indicatie voor opioïden bestaan indien niet-medicamenteuze therapie en andere pijnstilling onvoldoende resultaat opleveren. Voordat men daartoe overgaat moet men met de patiënt goed overleggen en de voor- en nadelen en risico’s bespreken – en benadrukken dat deze middelen in het algemeen maar gedurende een beperkte periode kunnen worden gebruikt. De onderhavige NHG-Standaard geeft dan ook het advies om bij patiënten met chronische, niet aan kanker verbonden pijn een sterkwerkend opioïd alleen dan toe te passen als de pijn onvoldoende vermindert met de optimaal en maximaal toegepaste stappen 1, 2 en 3 van de WHO-pijnladder en de pijn zoveel...

lees verder

Beperkt aantal meldingen bijwerkingen na griepvaccinatie

door | 09:41 in 2018, Aankondigingen, Praktijkvoering, Redactioneel, Samenwerking, Topbericht | ) reacties

Beperkt aantal meldingen bijwerkingen na griepvaccinatie

In de periode van 1 oktober 2017 tot 1 april 2018 ontving Bijwerkingencentrum Lareb ontving 230 spontane meldingen van vermoede bijwerkingen na vaccinatie met een influenzavaccin. Naar aanleiding van de meldingen zijn geen nieuwe of verontrustende bijwerkingen gevonden. Na de griepvaccinaties zijn er 230 meldingen van 967 mogelijke bijwerkingen ontvangen. Daarnaast nam een groep die de griepvaccinatie ontving deel aan Lareb Intensive Monitoring (LIM). LIM is een online onderzoek waarbij informatie wordt verzameld over eventuele bijwerkingen van een geneesmiddel of vaccin. In totaal meldden 445 patiënten zich aan voor dit onderzoek en zij rapporteerden 488 mogelijke bijwerkingen. Net als eerdere jaren is het overgrote deel van de meldingen afkomstig van de gevaccineerden zelf (88,7%). De overige meldingen zijn gedaan door zorgverleners. Van de 230 meldingen waren er vier (1,7%) geduid als ‘ernstig’ volgens de criteria van de Council for International Organizations of Medical Sciences (CIOMS): het internationaal samenwerkingsverband van autoriteiten, fabrikanten en de WHO rondom vaccinaties. De ernstige meldingen gaven overigens geen aanleiding tot nadere analyse. Andere wijze van registreren Vanaf januari 2017 is de manier van registreren van mogelijke bijwerkingen na vaccinatie in de Lareb databank aangepast. Voorheen werd bijvoorbeeld een melding van roodheid en zwelling op de injectieplaats geregistreerd als ontstekingsreactie op de injectieplaats. Vanaf januari 2017 worden zowel de roodheid als de zwelling apart geregistreerd. Dit heeft tot gevolg dat het aantal vermoede bijwerkingen na vaccinatie per melding hoger ligt in deze rapportage ten opzichte van voorgaande jaren. Aard van gemelde bijwerkingen gelijk aan voorgaande jaren In het seizoen van 2017/2018 werd het meest melding gedaan van bekende bijwerkingen zoals een ontstekingsreactie op de injectieplaats met daarbij de diverse ontstekingsverschijnselen zoals pijn, roodheid en zwelling. Ook koorts, spierpijn en hoofdpijn werden vaak gemeld. De aard van de gemelde bijwerkingen in 2017/2018 komt overeen met die van eerdere jaren. Zie de rapportage Meldingen van bijwerkingen na influenzavaccinatie 2017/2018 Bron: Lareb Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

lees verder