Blog

Aanpak stapeling van de zorgkosten

door | 10:15 in 2018, Aankondigingen, Actueel, Redactioneel, Topbericht | ) reacties

Aanpak stapeling van de zorgkosten

Het kabinet pakt de stapeling van zorgkosten aan. Vanaf 2019 kost ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) voor iedereen €17,50 per vier  weken. Daarnaast wordt de vermogensinkomensbijtelling voor de Wet langdurige zorg (Wlz) verlaagd van 8% naar 4%.Tevens is het kabinet voornemens om de bijbetalingen voor bepaalde geneesmiddelen te maximeren op € 250 per jaar. Veel mensen die een eigen bijdrage betalen voor maatschappelijke ondersteuning of langdurige zorg maken ook het eigen risico op en/of moeten bijbetalen voor o.a. geneesmiddelen. Deze stapeling van zorgkosten kan soms oplopen tot honderden euro’s per maand. Het kabinet neemt daarom een reeks van gerichte maatregelen om voor iedereen de benodigde zorg en ondersteuning betaalbaar te houden. Bevriezing eigen risico t/m 2021
 Eerder dit jaar werd al het percentage van het inkomen dat meetelt voor de berekening van de eigen bijdrage in de Wlz verlaagd van 12,5% naar 10%. Ook heeft het kabinet al besloten om het eigen risico voor de zorgverzekering te bevriezen tot en met 2021 en is het kabinet voornemens om de bijbetalingen voor bepaalde geneesmiddelen te maximeren op € 250 per jaar. In de berichtgeving van de Rijksoverheid staat overigens niet vermeld om welke geneesmiddelen het gaat. Abonnementstarief voor Wmo Met de invoering in 2019 van het abonnementstarief voor de Wmo betalen huishoudens die gebruik maken van een Wmo-voorziening een vast tarief van €17,50 per vier weken, ongeacht inkomen, vermogen of gebruik. Halvering vermogensinkomenbijtelling in Wlz Tevens wordt vanaf 2019 de vermogensinkomensbijtelling voor de eigen bijdragen in de Wlz gehalveerd van 8% naar 4% van het vermogen. Door deze maatregel hoeven mensen, waaronder veel ouderen in verpleeghuizen, minder op hun vermogen in te teren. Bron: Rijksoverheid Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

lees verder

Ding mee naar KNMP Zorginnovatieprijs

door | 14:41 in 2018, Aankondigingen, Actueel, Redactioneel, Topbericht | ) reacties

Ding mee naar KNMP Zorginnovatieprijs

De KNMP Zorginnovatieprijs ter waarde van € 10.000 wordt eens per jaar uitgereikt tijdens het KNMP Najaarscongres in oktober. Alle KNMP-leden kunnen een initiatief indienen voor deze prijs. Het is een stimulans voor innovatieve apothekers om hun idee te delen en verder te brengen. Tot en met vrijdag 3 augustus is inzending mogelijk. Voortdurende vernieuwing is nodig om de zorg op de steeds veranderende behoeften van de patiënt en maatschappij aan te laten sluiten. Vandaar dat de KNMP deze jaarlijkse Zorginnovatieprijs uitreikt. Leden bepalen de winnaar
 Een jury toetst de inzendingen op een aantal criteria. Uit alle inzendingen selecteert de jury drie initiatieven voor de finale. Vervolgens maakt een professionele filmmaker van deze genomineerden een korte video. Deze drie filmpjes worden geplaatst op de site van de KNMP. KNMP-leden kunnen dan gedurende twee weken online stemmen op hun favoriete inzending. Zo bepalen de leden de uiteindelijke winnaar van de KNMP Zorginnovatieprijs. Omschrijving en pitch
 Een volledige inzending bestaat uit een korte omschrijving en een pitch. In de omschrijving, dat moet gebeuren in een vast format, moet u onder meer vermelden wat het initiatief bijzonder maakt, wat het bijdraagt (bijvoorbeeld aan veilig medicijngebruik, aan zorgverbetering of aan kostenbesparing), de toegevoegde waarde voor de patiënt en/of apotheek, eventuele samenwerking met partners en kan het initiatief elders worden toegepast. De bijgaande pitch moet kort en krachtig zijn. Dit kan in de vorm van een animatie, een filmpje, infographic, powerpoint, prezi… enz. Het dient als ondersteuning van de beschrijving. Uiteraard beoordeelt de jury deze pitch op inhoud, niet op kwaliteit. Meer informatie
 Meer informatie kunt u vinden in de  Handleiding aanmelden  en het  Reglement. Bron: KNMP Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

lees verder

Per 2019 Vrij verkrijgbare paracetamol, vitaminen en mineralen uit basispakket

door | 14:42 in 2018, Aankondigingen, Actueel, Farmaco, Praktijkvoering, Redactioneel, Topbericht | ) reacties

Per 2019 Vrij verkrijgbare  paracetamol, vitaminen en mineralen uit basispakket

Vanaf 2019 komen er weer een aantal wijzigingen in het basispakket, waaronder vergoeding van een ‘gecombineerde leefstijlinterventie’ voor mensen met een gezondheidsrisico door overgewicht, verruiming van zittend ziekenvervoer, vergoeding van oefentherapie bij COPD vanaf de eerste behandeling. Dit staat in de pakketbrief die het ministerie van VWS heeft gepubliceerd. De Tweede Kamer neemt op 27 juni a.s. een definitief besluit over de samenstelling van het basispakket en de pakketbrief die vandaag via het ministerie van VWS is gepubliceerd. Reactie KNMP De KNMP is het oneens met de maatregel om vitaminen, mineralen en paracetamol per 1 januari 2019 uit het basispakket te halen, omdat een kwetsbare groep patiënten daarvan de dupe wordt. De KNMP heeft eerder dit jaar in twee brieven aan de Tweede Kamer zorginhoudelijke argumenten op een rij gezet waarom dit ongewenst en onzorgvuldig is. Dit als een reactie op het advies van het Zorginstituut om paracetamol, vitaminen en mineralen die ook in de vrije verkoop verkrijgbaar zijn, bij bijvoorbeeld de drogist of supermarkt, niet langer te vergoeden uit het basispakket. Gecombineerde leefstijlinterventie De gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) is gericht op het tegengaan van overgewicht door onder begeleiding minder te eten, meer te bewegen en met psychologische ondersteuning te werken aan gedragsverandering. Minister Bruins noemt het vergoeden van de gecombineerde leefstijlinterventie een belangrijke stap. “De gezondheid van de gebruikers zal erop vooruit gaan. Daardoor verwachten we tevens dat de kosten voor duurdere vormen van zorg lager zullen uitvallen. Dat is winst voor de patiënt en winst voor de premiebetaler.” Staatssecretaris Blokhuis: “Het kabinet zet in op langer leven in goede gezondheid voor alle Nederlanders. Deze maatregel draagt daar heel concreet aan bij. We gaan er vanuit dat deze mensen vervolgens ook weer beter kunnen meedoen in de samenleving. Het mes snijdt dus aan meerdere kanten.” Zittend vervoer en oefentherapie bij COPD
 De aanspraak op zittend ziekenvervoer wordt per 2019 verruimd. Hierdoor kunnen patiënten gebruik maken van vervoer (anders dan met de ambulance) van en naar consulten, onderzoek en controles als deze samenhangt met de behandeling. Ook wordt vanaf 1 januari 2019 oefentherapie bij COPD vergoed vanaf de eerste behandeling. Nu moeten patiënten de eerste 21 behandelingen nog zelf betalen. Wel komt er een maximum op het aantal vergoede behandelingen. In het eerste behandeljaar zijn dit er maximaal 70. In de jaren daarna is het aantal behandelingen afhankelijk van de ernst van de COPD. Bijbetalingen geneesmiddelen Tot slot worden de bijbetalingen voor bepaalde geneesmiddelen volgens afspraak in het regeerakkoord gemaximeerd op 250 euro per jaar. Dit is een belangrijk onderdeel van het pakket aan maatregelen om de stapeling van zorgkosten te voorkomen. Bronnen: ministerie van VWS en KNMP Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

lees verder

Kunnen apothekers helpen met praktijkopvolging huisartsen?

door | 09:26 in 2018, E04, Opinie, Praktijkvoering, Redactioneel, Samenwerking, Topbericht | ) reacties

Kunnen apothekers helpen met  praktijkopvolging huisartsen?

Openbare apothekers kunnen door uitbreiding van het aantal eerstelijns gezondheidscentra een sleutelrol vervullen in de problematiek van praktijkopvolging onder huisartsen, stelt adviseur Hans Hof. De beroepsverenigingen van zowel de huisartsen als de apothekers zien potentiële waarde in dit voorstel. Maar ook de overheid (landelijk en regionaal) en de zorgverzekeraars moeten hun rol oppakken. ‘Red de lege praktijken’ kopte het toenmalige tijdschrift De huisarts in praktijk van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) in 2003. In dit artikel vertelde huisarts Rien Steenstra, toen voorzitter van districtshuisartsenvereniging Groningen, dat in die regio al in 1998 onderzoek was gestart naar de opvolgingsproblematiek. Ella Kalsbeek, voorzitter van de LHV, zegt het probleem van praktijkopvolging maar al te goed te kennen. “Tekorten aan huisartsen doen zich in de loop der jaren in allerlei vormen, waaronder tekorten aan praktijkopvolgers, geregeld voor”, zegt ze. “Soms is dat zeer lokaal en/of slechts tijdelijk, en soms is het een langduriger en breder probleem. Zo kan het dus voorkomen dat de problemen van twintig jaar geleden destijds zijn opgelost, maar dat er nu opnieuw tekorten aan huisartsen zijn of dreigen te komen. De Huisartsenkringen – de lokale vertegenwoordigingen van de LHV – zijn op allerlei plekken in het land nauw betrokken bij de aanpak van deze problematiek. De laatste tijd nemen de signalen die we als LHV hierover krijgen echter dermate toe, dat we de indruk hebben dat het probleem groter aan het worden is en het niet puur regionaal meer op te lossen is. Het beperkt zich ook niet tot de krimpregio’s, maar doet zich ook voor in andere gebieden, in steden en in achterstandswijken.” Actieve rol voor de apothekers Regionaal oplosbaar of niet, het is in ieder geval niet op te lossen door de huisartsen of hun beroepsvereniging alléén, stelt Hans Hof van Healthcare
Management Consultancy (advisering en begeleiding van apothekers). Hij poneert de stelling dat apothekers een actieve rol kunnen spelen om bij te dragen aan een oplossing voor het opvolgingsprobleem van huisartsen, specifiek in wat formeel krimp- en participeergebieden heet. “De kern hiervoor is uitbreiding van het aantal eerstelijns zorgcentra”, stelt hij. En de apothekers hebben hier ook een belang bij, stelt hij, want ze zijn afhankelijk van de voorschrijver, de huisarts dus. “Maar het dient uiteindelijk een groter belang”, zegt hij, “namelijk de leefbaarheid in een aantal gebieden in het land. Je kunt wel huisartsenpraktijken proberen te steunen, maar als je ze niet inbedt in een regionaal of lokaal aantrekkelijke leefomgeving, los je het probleem niet op. Dat doe je ook niet door alleen de beschikbaarheid van geneesmiddelen veilig te stellen. Je maakt het dan niet aantrekkelijk om naar die locatie te komen en er te blijven.” Hof trekt een vergelijking met het bedrijf Spar, dat het belang inziet van overeind blijven in kleine gebieden. Spar Holding bv heeft met het ministerie van Binnenlandse Zaken een convenant gesloten, een intentieverklaring met betrekking tot de leefbaarheid in de krimp- en participeergebieden op basis van de pijlers wonen, werk en welzijn. “Die samenhang is ook nodig”, zegt hij, “want anders blijf je hangen in deeloplossingen. En die betekenen ook een ondergraving van de positie van de openbare apotheker. Om de apotheekfunctie levensvatbaar te houden in die krimp- en participeergebieden moet ook aan diezelfde drie pijlers worden gedacht.” Vinger in de dijk Tegen dit standpunt van Hof valt in...

lees verder

Herken in de apotheek een patiënt met beperkte gezondheidsvaardigheden

door | 14:48 in 2018, Aankondigingen, Actueel, Praktijkvoering, Redactioneel, Topbericht | ) reacties

Herken in de apotheek een patiënt met beperkte gezondheidsvaardigheden

Patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden hebben meer kans op problemen door geneesmiddelen. Of iemand beperkte gezondheidsvaardigheden heeft, is echter uiteraard niet altijd direct zichtbaar. Terwijl het tijdig herkennen van patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden van belang is voor correct medicatiegebruik. De RALPH gesprekshandleiding kan hierbij helpen. De RALPH staat voor Recognizing and Addressing Limited Pharmaceutical Literacy. Het is een gesprekshandleiding, ontwikkeld door het Nivel en UPPER Universiteit Utrecht. Tien vragen
 De RALPH gesprekshandleiding brengt met tien vragen, gerelateerd aan de eigen medicatie, de gezondheidsvaardigheden van de patiënt in kaart. Het apotheekteam kan de patiënt dan op maat begeleiden met geneesmiddelgebruik. Niet alleen in de apotheek, maar ook in andere settings kan de RALPH gesprekshandleiding van pas komen. Zo kunnen verpleegkundigen, huisartsen of praktijkondersteuners en andere zorgverleners kunnen de gesprekshandleiding inzetten om de zorg rondom geneesmiddelen beter af te stemmen op de vaardigheden van hun patiënten. De  RALPH gesprekshandleiding met gebruiksinstructies  is te downloaden van de website van de KNMP. Drie domeinen
 De tien vragen in de RALPH gesprekshandleiding gaan in op: 1. Het kunnen lezen en begrijpen van aanwijzingen op het geneesmiddeletiket. 2. Het kunnen vinden van informatie over het geneesmiddel of de aandoening en het kunnen gebruiken van deze informatie in de eigen situatie. Ook het uiten van eventuele zorgen over een geneesmiddel valt hieronder. 3. Het kritisch kunnen analyseren en toepassen van informatie, bijvoorbeeld om een bijwerking van een geneesmiddel te herkennen en actie te ondernemen, zoals contact opnemen met de arts of apotheek. Begrijpen leidt tot beter gebruik
 Patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden hebben meer kans op problemen door geneesmiddelen. Bijvoorbeeld omdat  zij hun geneesmiddelen, zonder dat zelf altijd te weten, op een verkeerde manier gebruiken. Voor het apotheekteam is het daarom belangrijk deze patiënten snel te herkennen. Dan kunnen zij hun informatie en begeleiding aanpassen aan de vaardigheden en behoeften van de patiënten. Zoals het aanbieden van informatie die voor de patiënt makkelijker te begrijpen is, bijvoorbeeld met een illustratie of een animatievideo. Ook kan het apotheekteam de patiënt vragen de informatie in eigen woorden te herhalen (teach-back methode). Wanneer een patiënt de informatie goed begrijpt, is de kans op verkeerd gebruik van de geneesmiddelen kleiner. Over het onderzoek
 De RALPH gesprekshandleiding is ontwikkeld op basis van de literatuur en input van experts en patiënten. Dit onderzoek is gesubsidieerd door de KNMP. Bron: Nivel Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

lees verder

Samen verantwoordelijk voor recept

door | 16:28 in 2018, E04, Opinie, Praktijkvoering, Redactioneel, Samenwerking, Topbericht | ) reacties

Samen verantwoordelijk  voor recept

Huisartsen en apothekers beseffen onvoldoende elkaars meerwaarde. Farmacotherapie kan alleen succesvol zijn als huisarts en apotheker actief samenwerken. “Want huisarts en apotheker zijn sámen verantwoordelijk voor het recept”, stelt Yvet Benthem voorzitter van LOVAH, de Landelijke Organisatie van Aspirant Huisartsen. Maar apothekers moeten niet op de stoel van de huisarts willen zitten. Ze wilde kinderarts worden, maar voelde zich niet thuis tussen de muren van het ziekenhuis. Eenmaal kennisgemaakt met het vak van huisarts wist ze het zeker: de huisarts kan in samenwerking met andere zorgverleners daadwerkelijk iets betekenen voor de patiënt. Huisarts, het mooiste vak ter wereld, vindt Yvet Benthem. “Het persoonlijke contact met patiënten is zo bijzonder. Huisartsen hebben een vertrouwensband, komen bij de patiënten thuis en leren de familie kennen. Samen met de patiënt op zoek gaan naar optimale zorg. Huisartsenzorg is individuele zorg. Natuurlijk, met protocollen en richtlijnen maar een goede huisarts kan die vertalen naar de individuele patiënt.” Nu zit ze in het derde jaar van de opleiding tot huisarts. Sinds vorig jaar is Yvet Benthem voorzitter van de LOVAH, de Landelijke Organisatie van Aspirant Huisartsen. En belangenbehartiger van alle circa 2300 huisartsen in opleiding. De LOVAH kijkt vooruit. Samen met de LHV, NHG en InEen werkt de vereniging aan een nieuwe toekomstvisie op de huisarts. “Natuurlijk praten wij mee over de toekomst van het vak! Onze generatie wordt geconfronteerd met de gevolgen van de substitutie van de tweede naar de eerste lijn. Het werkveld van de huisarts verbreedt, de maatschappij verwacht meer en meer van de huisarts, er komt meer werk op ons af. Hoe gaan we die substitutie in goede banen leiden en houden we toch voldoende tijd over voor de patiënt? Wij moeten nog 40 jaar werken en maken ons zorgen over de gevolgen van die substitutie.” Dat de werkdruk zal toenemen, daar is ze wel van overtuigd. Naast de substitutie, die extra druk zet op de praktijk, speelt immers de dubbele vergrijzing: meer ouderen die ook nog eens ouder worden en vaker een beroep doen op de eerstelijns zorg. “Op de huisartsenpost is er altijd wel iemand aanwezig die kan bijspringen als het nodig is. In de huisartsenpraktijk ontbreekt die mogelijkheid. Meer doen in de zelfde tijd, dat gaat bij huisartsen niet werken. De oplossing ligt in kleinere praktijken en het inzetten van extra handen zoals de verpleegkundig specialist in de huisartsenpraktijk, maar extra personeel betekent weer meer supervisie verlenen.” Farmacogenetica De huisarts is voorschrijver. Weten huisartsen eigenlijk wel voldoende van geneesmiddelen? Onderzoek van klinisch farmacoloog David Brinkman laat namelijk zien dat bijna afgestudeerde artsen in Europa onvoldoende in staat zijn om geneesmiddelen effectief en veilig voor te schrijven. Hij promoveerde in maart bij VUmc in Amsterdam. “Dit onderzoek betreft studenten geneeskunde. Dat is een andere categorie dan huisartsen in opleiding die al een aantal jaren ervaring heeft met voorschrijven. Toch blijkt uit onderzoek van het Nivel naar de tevredenheid over de huisartsopleiding dat slechts 37% van de huisartsen in opleiding vindt dat er voldoende aandacht is in de opleiding over farmacotherapie. Echter zie ik wel dat er stappen worden gemaakt, de opleiding heeft onlangs de preventie-tweedaagse geïntroduceerd met farmacogenetica op de agenda. Maar de aandacht voor farmacotherapie in de opleiding kan altijd beter.” Wie is de specialist in de farmacotherapie? “Dat specialisme moet geborgd zijn in de samenwerking tussen...

lees verder

Onrust over meningokokken

door | 14:58 in 2018, Aankondigingen, Actueel, Farmaco, Praktijkvoering, Redactioneel, Topbericht | ) reacties

Onrust over meningokokken

Inenten tegen meningokokken is niet nodig bij kinderen die buiten de doelgroep van het rijksvaccinatieprogramma vallen, maar het kan wel. Dat is het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aan huisartsen. Er bestaat echter schaarste aan vaccins, waardoor verzoeken van mensen buiten de doelgroep voor inenting, niet altijd kunnen worden gehonoreerd. Het RIVM zegt veel vragen te krijgen van huisartsen over de aangepaste vaccinatie. Dat is niet verwonderlijk na de berichtgeving in onder andere het AD en in andere media dat er dit jaar 11 mensen zijn overleden en 57 mensen op de intensive care zijn opgenomen met meningokokken type W. Combinatievaccin
 De meningokokkenvaccinatie binnen het rijksvaccinatieprogramma (RVP) is gewijzigd: vanaf dit voorjaar wordt ingeënt tegen de typen A, C, W en Y. Dit combinatievaccin vervangt het eerdere C-vaccin. De nieuwe vaccinatie is niet alleen bedoeld voor peuters van veertien maanden, maar ook voor tieners die vanaf mei tot eind dit jaar de veertienjarige leeftijd bereiken. Vanwege schaarste van het vaccin krijgen sinds 1 mei eerst de peuters de inenting, en de tieners vanaf oktober. Inenting buiten de doelgroep niet nodig
 Het RIVM zegt dat er de afgelopen dagen ‘opmerkelijk veel’ huisartsen bij het instituut aankloppen met vragen. Het gaat volgens een woordvoerder om artsen die ouders op hun spreekuur krijgen die willen weten of hun kind dat buiten de genoemde leeftijdsgroepen valt, ook een inenting kan of moet krijgen. ‘Het is niet echt nodig en we raden het ook niet aan, maar er is ook niets op tegen’, aldus een RIVM-woordvoerder. Op eigen kosten
 Ouders die toch zo’n inenting willen, kunnen deze tegen betaling in principe krijgen via hun huisarts of een vaccinatiecentrum, in plaats van via jeugdgezondheidszorginstanties die het RVP uitvoeren. ‘Het probleem is dat er niet veel vaccins zijn, en er dus een kans is dat het dan toch niet lukt’, aldus de RIVM-woordvoerder. Het instituut heeft op de website  informatie voor zorgverleners over de inenting opgenomen. Bron: AD en Medisch Contact Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

lees verder

“We zijn er nog niet, maar we boeken stap voor stap vooruitgang”

door | 09:33 in 2018, E04, Farmaco, Praktijkvoering, Redactioneel, Samenwerking, Topbericht | ) reacties

“We zijn er nog niet, maar we boeken stap voor stap vooruitgang”

De besparing kan oplopen tot één miljoen euro per dag als alle zorgprofessionals in Nederland zouden overstappen van innovator biologische geneesmiddelen naar biosimilars. Desondanks zijn het juist financiële belangen die een soepele transitie frustreren. Toch zullen biosimilars geaccepteerd worden als een volwaardig alternatief, zo stellen diverse deskundigen tijdens het derde Biosimilar Symposium dat onlangs in Rotterdam plaatsvond. De ontwikkeling van biologische geneesmiddelen heeft de farmaceutische industrie geen windeieren gelegd. Begrijpelijk dus dat deze fabrikanten op z’n zachtst gezegd not amused waren toen concurrenten zo’n vijftien jaar geleden met afgeleide versies op de markt kwamen: geneesmiddelen met dezelfde werking, maar aanzienlijk goedkoper. “Sindsdien trekken deze fabrikanten alle registers open als een biosimilar op de markt dreigt te komen,” vertelt Arnold Vulto, voorzitter van de Stichting Initiatiefgroep Biosimilars Nederland en daarnaast ziekenhuisapotheker, farmacoloog en hoogleraar Farmacie aan de Erasmusuniversiteit van Rotterdam. We zitten in de foyer als hij aan eind van de symposiumdag terugblikt: “Maar we staan sterk, de wetenschappelijke onderbouwing dat biosimilars goede en veilige geneesmiddelen zijn, wordt keer op keer geleverd.” Dat geldt voor de eerste klasse biosimilars, gelijkwaardige versies van de originele substitutieproducten zoals groeihormoon, bloedgroeifactoren en insuline. Maar ook voor de zogenoemde tweede klasse biosimilars, gelijkwaardige versies van de originele monoklonale antilichamen, die qua moleculaire samenstelling beduidend complexer in elkaar steken. En tijdens het symposium in Rotterdam presenteerden de Franse hoogleraar Xavier Pivot en de Poolse hoogleraar Wojciech Jurczak, twee prominente onderzoekers naar de derde klasse biosimilars (de oncologische en hematologische geneesmiddelen), studieresultaten waaruit blijkt dat ook afgeleide versies van trastuzumab en rituximab dezelfde werking hebben als hun originators. Waarbij Pivot overigens benadrukte dat niet weggekeken moet worden van trials die klinisch minder goed zijn onderbouwd en daardoor een onbetrouwbare uitkomst geven. “Dit ontkennen,” zo meende hij, “levert negatieve publiciteit op en dat is funest voor het vertrouwen dat mensen in biosimilars hebben.” Betaalbaarheid van de zorg Om concurrerend te blijven, reageren fabrikanten van biologische geneesmiddelen in sommige gevallen door de prijzen te verlagen, zoals bij de TNF-alfaremmers; de prijs van het biologisch geneesmiddel gaat dan omlaag. “Ik juich die ontwikkeling toe”, vertelt Vulto: “Het is mij niet zozeer om de biosimilar te doen, maar om de betaalbaarheid van de zorg. Als het biologisch geneesmiddel concurrerend ingekocht kan worden en de werking van beide geneesmiddelen is hetzelfde, dan maakt het niet uit welke variant de zorgverlener of zorginstelling kiest.” Een andere prijsconcurrerende strategie van deze fabrikanten, zo liet Lonneke Timmers, adviserend apotheker bij Menzis, tijdens haar presentatie zien, is de ontwikkeling van subcutane versies van biologische geneesmiddelen. Vlak voor het vervallen van de patenten op de intraveneuze toedieningswijzen van rituximab en trasuzumab, kwamen onlangs de subcutane varianten op de markt. Biosimilars kunnen vooralsnog alleen intraveneus worden toegediend. Uit een klein onderzoek van Timmers naar het kostenplaatje van beide toedieningsvormen, concludeerde ze dat de subcutane toedieningswijzen goedkoper zijn dan de intraveneuze, vanwege de extra zorgkosten die bij de laatste toedieningswijzen worden gemaakt. Maar, zo rekende Timmers haar publiek voor, zelfs deze goedkopere toedieningsvorm legt het financieel af tegen de intraveneuze biosimilars van rituximab en trastuzumab; de lagere geneesmiddelkosten wegen op tegen de hogere zorgkosten. Uit de zaal kreeg Timmers vervolgens de vraag wie van dit financiële voordeel profiteert. Daarmee werd de vinger op een pijnlijke plek gelegd. Veel zorgverleners en zorginstellingen geven namelijk aan weinig te voelen voor...

lees verder

Alternatieven voor Refusal en Antabus tijdelijk toegestaan

door | 15:28 in 2018, Topbericht | ) reacties

Alternatieven voor Refusal en Antabus tijdelijk toegestaan

Vanwege tekorten van Refusal en Antabus mogen apotheekhoudenden, fabrikanten en groothandelaren tijdelijk alternatieven afleveren. Deze toestemming is vooralsnog geldig tot en met 5 augustus 2018. Voorwaarde is wel dat de vergelijkbare geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof afkomstig moeten zijn uit een van de MRA-landen. Dat zijn dus: Australië, Canada, Israël, Japan, Nieuw-Zeeland, Zwitserland of de Verenigde Staten. Dat heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd i.o. besloten. Toestemming vooraf niet nodig
 Het gaat om Refusal tabletten 250 mg (RVG 03182), Antabus dispergetten 200 mg bruistabletten (RVG 10920) en Antabus dispergetten 400 mg bruistabletten (RVG 01032). Partijen hoeven vooraf geen individuele toestemming te vragen bij de inspectie. Ook is het bijhouden van artsenverklaringenadministratie in dit geval niet verplicht. Voorraden
 Het is nog niet bekend wanneer er weer voldoende voorraad zal zijn van deze genoemde geneesmiddelen. De toestemming loopt vooralsnog tot en met 5 augustus 2018. Zie voor meer informatie en voorwaarden het besluit over Refusal en Antabus in de  Staatscourant. Bron: VWS Onder redactie van: Gerda van Beek      ...

lees verder

Minister Bruins gaat in op het wisselen van medicatie

door | 14:08 in 2018, Farmaco, Praktijkvoering, Redactioneel, Samenwerking, Topbericht | ) reacties

Minister Bruins gaat in op het wisselen van medicatie

Minister Bruins reageert in een brief naar de Tweede Kamer op de oproep van14 patiëntenorganisaties om te stoppen met het wisselen van medicijnen om niet-medische redenen. Hij vindt wisseling op zich geen probleem, maar wil dat mensen daarvan zo min mogelijk nadelige gevolgen ondervinden. Daarom gaat hij medio juni met de opstellers van het rapport in gesprek om te bekijken wat er eventueel beter kan. In zijn brief begint Bruins met de opmerking dat het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) na uitvoerig onderzoek heeft bevestigd dat generieke geneesmiddelen en merkgeneesmiddelen in beginsel onderling uitwisselbaar zijn. Ze kunnen er anders uitzien, maar bevatten dezelfde hoeveelheid werkzame stof, in dezelfde dosering en ook de toedieningswijze is gelijk, waardoor de werking hetzelfde is. Bij het gebruik van medicijnen is daarom het uitgangspunt: gebruik een generiek medicijn (goedkoop) waar het kan en een merkmedicijn (duur) als het moet. Dit heeft de afgelopen jaren miljarden euro’s zijn bespaard. Randvoorwaarden
 Bruins vindt het wisselen van medicijnen met dezelfde werkzame stof dan ook geen probleem, maar hij stelt dat daarbij wel een aantal randvoorwaarden in acht moeten worden genomen. Bij omzetting van medicatie moet de patiënt goed worden geïnformeerd en zo nodig worden begeleid door voorschrijver en apotheker. Daarbij dient te worden gekeken naar de ziekte en andere specifieke kenmerken van de patiënt. Bij bepaalde ziektes, geneesmiddelen en patiëntgroepen kan het wisselen van geneesmiddel namelijk leiden tot verminderde effectiviteit of bijeffecten, al dan niet veroorzaakt door het ‘nocebo-effect’: het ontstaan of verergeren van klachten bij een patiënt door negatieve verwachtingen van een nieuw geneesmiddel. Dat kan ook de therapietrouw beïnvloeden. Artikel 2.8
 Indien het gebruik van een preferent middel voor een patiënt medisch niet verantwoord is, moet de zorgverzekeraar een niet-preferent middel vergoeden. Dit is vastgelegd in artikel 2.8 van het Besluit Zorgverzekering. Voorschrijvers, apothekers en zorgverzekeraars maken afspraken met elkaar over hoe hiermee wordt omgegaan. Bruins zal met betrokken partijen bespreken welke maatregelen er eventueel kunnen worden genomen om de uitwerking van artikel 2.8 te verbeteren. Breed agenderen
 Tot slot wil Bruins het wisselen van medicatie breed agenderen in overleggen met partijen die daarin een rol spelen, zoals in het Strategisch Farmacie Overleg en de werkgroep Geneesmiddelentekorten. Zie ook het artikel in FarmaMagazine over de brief van de patiëntenorganisaties, inclusief de reactie van ZN en KNMP. Bron: ministerie VWS Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

lees verder