Column Jan Dirk Jansen: Dilemma’s

FarmaMagazine_Jan Dirk Jansen_578 x 420In elk respectabel bedrijf wordt op gezette tijden de kristallen bol opgepoetst en gesproken over wat de toekomst in petto heeft. Op zo’n strategische sessie kwam de vraag aan de orde waar de komende jaren de grootste uitdagingen liggen als het gaat om de farmaceutische zorg.  Eén van de meest interessante dilemma’s vind ik hoe de nieuwe, vaak zeer kostbare, geneesmiddelen toegankelijk gehouden kunnen worden voor alle patiënten die daar baat bij hebben. Het is algemeen bekend dat de pijplijn van farmaceuten niet langer gevuld is met blockbusters, zoals bijvoorbeeld indertijd de statines en protonpompremmers. Maar de pijp is ook bepaald niet leeg. Nefarma publiceerde onlangs in Farmafeiten dat er op dit moment wereldwijd zo’n 5400 nieuwe geneesmiddelen in verschillende onderzoeksfasen zitten en dat het aantal nieuwe introducties, waaronder steeds meer biologische middelen, eerder stijgt dan daalt.

Het gaat hierbij vooral om middelen tegen minder frequent voorkomende ziekten of gericht op specifieke genmutaties in beperkte patiëntenpopulaties (gepersonaliseerde medicijnen). Door gelijkblijvende ontwikkelkosten maar beperkte afzetmogelijkheden, kosten behandelingen vaak duizenden euro’s per maand. Omdat het veelal middelen betreft tegen specifieke vormen van kanker of andere levensbedreigende aandoeningen, zoals bijvoorbeeld ALS, sikkelcelziekte of septische shock, is er een grote druk vanuit de samenleving om te zorgen voor onbelemmerde toegang tot deze nieuwe therapieën. In combinatie met de stijgende zorgvraag betekent dat jaarlijks honderden miljoenen aan extra kosten.
De overheid heeft deze dure geneesmiddelen overgeheveld naar het budget medisch specialistische zorg en daarmee zijn de ziekenhuizen voor een belangrijk deel verantwoordelijk gemaakt voor het in de hand houden van deze kosten. Ook bij verzekeraars is er een trend om dit soort risico’s af te wentelen op de zorgaanbieders. Het gevolg laat zich raden. Er komen de laatste tijd steeds meer signalen dat patiënten niet gelijk behandeld worden. Besluiten over de inzet van dit soort geneesmiddelen worden in ziekenhuizen steeds vaker centraal genomen in plaats van in de behandelkamer. Dat riekt naar de postcodegeneeskunde van de jaren 90 waarin alleen de ‘rijke’ ziekenhuizen patiënten konden behandelen met dure geneesmiddelen zoals bijvoorbeeld Taxol.

Er moet dus iets gebeuren. Het KWF en de NZa publiceerden deze zomer rapporten met een aantal suggesties. De meest voor de hand liggende is onderhandelen met de producent over de prijsstelling door ziekenhuizen, zorgverzekeraars of overheden. Maar als dat te gek wordt, brengen fabrikanten hun unieke producten in de betreffende landen niet meer op de markt of ze stoppen op termijn met investeren in innovatie vanwege onvoldoende opbrengsten.
Een andere benadering is het vaststellen van grenzen door de overheid, zoals in Engeland. Hier heeft de RVZ eens gesuggereerd dat het verlengen van een leven niet meer dan 80.000 euro per QALY (quality adjusted life year) zou mogen kosten. Aan de hand van dit soort criteria kan de minister het verzekerde pakket toetsen. Waar zo’n toetsing toe kan leiden hebben we gezien in 2012 toen het CVZ adviseerde de medicijnen tegen de ziekten van Pompe en Fabry niet langer te vergoeden.

Volgens mij is er ook nog een andere oplossing. Los van alle andere ideeën gaan we met z’n allen wat meer betalen voor de zorg. Voor een dubbeltje zitten we niet op de eerste rij in het ziekenhuis. Zelfs de altijd zo zuinige NZa zegt voorzichtig dat niet uitgesloten kan worden dat de minister hiervoor extra budgettaire ruimte moet creëren. De discussie wordt ongetwijfeld vervolgd.

 

 

Auteur: redactie
Categorie: Columns
Tags: ,

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *