Communicatie tussen de ketenpartners is de kern

AdobeStock_52674612Wie is verantwoordelijk voor de antistolling? Het is een vraag die de gemoederen van menig zorgverlener bezighoudt. Vooral nu steeds meer nieuwe generatie antistollingsmiddelen beschikbaar komen en steeds meer patiënten er afhankelijk van worden. Niet verwonderlijk dus dat de onlangs gehouden conferentie ‘Transmurale Antistolling, naar een sluitende antistollingsketen’ druk bezocht werd door alle betrokken partijen uit het veld. Conclusie? Communicatie tussen de ketenpartners is het kernpunt waar ongelooflijk hard aan gewerkt moet werken in de veranderende antistollingsomgeving in Nederland.

Vanwege te weinig samenhang in de keten van antistollingszorg waren er altijd al risico’s verbonden aan antistollingsmiddelen. Betrokkenen uit het veld drongen er dan ook al langer op aan dat dit beter moest. Die noodzaak is de afgelopen jaren alleen maar toegenomen. Nu al gebruiken meer dan een miljoen mensen in Nederland een of meerdere antistollingsmiddelen en dat aantal zal de komende jaren verder stijgen. Onder meer als gevolg van de vergrijzing. De hierbij veelal gepaard gaande comorbiditeit maakt dat voorschrijven en bewaken van antistolling uiterst zorgvuldig moet gebeuren. De roep om verbeteringen en dan vooral duidelijkheid over wie de regie voert rondom het uitgeven en bewaken van antistollingsmiddelen, is de afgelopen jaren verhevigd met de komst van de NOAC’s, ook wel DOAC’s (nieuwe orale anticoagulantia of directe orale anticoagulantia). Nog meer nu sinds eind 2016 ook de huisartsen deze geneesmiddelen mogen voorschrijven. Was bij de VKA’s (vitamine K-antagonisten) een centrale rol weggelegd voor de trombosediensten, deze is met de nieuwe generatie antistollingsmiddelen in ieder geval wat betreft het bewaken van bloedwaarden, komen te vervallen. Het prikken hierop wat weer de dosering van de VKA bepaalt, is bij NOAC’s namelijk niet aan de orde. Dit is omdat NOAC’s rechtstreeks invloed hebben op een van de stollingseiwitten en niet, zoals VKA’s doen, de aanmaak van stollingseiwitten in de lever remmen.

Tussen wal en schip
Nu de trombosediensten grotendeels wegvallen als centraal onderdeel van de zorgketen en als bewaker van de antistolling, neemt het belang van duidelijke afspraken tussen de ketenpartners toe. Met name rondom overdracht van de patiënt tussen disciplines binnen de tweede lijn en rondom overdracht tussen de tweede- en eerste lijn. Voorkomen moet worden dat de antistolling van de patiënt tussen wal en schip geraakt. Ook voorkomen moet worden dat de patiënt vanwege de sporadische controlemomenten langere tijd antistollingsmiddelen slikt zonder controle en toezicht. Of niet, want therapie-ontrouw is ook een groot probleem onder deze groep patiënten. Gevaar dat hierdoor calamiteiten gaan optreden, ligt op de loer. Meer dan de helft van de potentieel vermijdbare ziekenhuisopnames wordt veroorzaakt door verkeerd gebruik van antistollingsmiddelen en door geen- of miscommunicatie tussen zorgverleners. Geen wonder dus dat de conferentie over transmurale antistolling, die 17 mei jongstleden in Utrecht plaatsvond, drukbezocht was door alle betrokkenen uit het veld, zoals huisartsen, medisch specialisten, apothekers, trombosediensten, zorgverzekeraar en last but not least de patiënten. De conferentie was een initiatief van de Federatie van Nederlandse Trombosediensten (FNT), de Federatie Medisch Specialisten en de Stuurgroep keten Antistollingsbehandeling. Doel van de conferentie was om met de aanwezige ketenpartners van gedachten te wisselen over betere samenwerking in de keten rondom het gebruik van antistollingsmiddelen en daarmee een veiliger gebruik van deze geneesmiddelen. De LSKA 2.0 (Landelijke Standaard Keten Antistolling) uit 2014 werd daarbij als leidraad gebruikt. In dit document is het hele zorgproces rond antistolling vastgelegd: de taken en verantwoordelijkheden van alle partners in de keten, ook de patiënt, en de onderlinge communicatie en afstemming. De LSKA 2.0 en de ‘Leidraad begeleide introductie van de NOAC’s’ uit 2012, zo werd tijdens de conferentie duidelijk, vormen een goede basis voor verdere uitkristallisering van de vraag wie verantwoordelijk is voor antistollingsmiddelen.

Spits afbijten
“Antistollingsmiddelen waren altijd al complex, maar het terrein is nog lastiger geworden door de komst van de NOAC’s, omdat meer behandelopties mogelijk zijn en omdat er meer voorschrijvers bij betrokken zijn,” zo schetste dagvoorzitter Menno Huisman de problematiek, internist-vasculaire geneeskunde aan het LUMC. Zijn collega dagvoorzitter, Hugo ten Cate, internist-vasculaire geneeskunde aan het MUMC+, had daarvoor de spits afgebeten met een korte samenvatting van de belangrijkste ontwikkelingen rondom antistolling van de afgelopen vijf jaar. Vervolgens gingen drie sprekers in op antistolling vanuit hun eigen perspectief. Cordula Wagner, directeur hoogleraar patiëntveiligheid aan het NIVEL (Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg), vertelde over de aansluiting tussen richtlijnen en de praktijk van de antistollingszorg. Uit onderzoek van het NIVEL blijkt dat in ruim dertig procent van de gevallen de patiënt niet de aanbevolen antistolling krijgt. In sommige gevallen heel bewust en afgewogen, in andere gevallen niet en met vermijdbare schade voor de patiënt tot gevolg. Dit werd bevestigd door Marina Eckenhausen, hoofd Medisch Specialistische Zorg van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Uit een onderzoekje dat zij deed naar het aantal antistollingscalamiteiten van de afgelopen maanden, concludeerde zij dat de antistollingsmiddelen met zeven incidenten met stip op nummer één van de calamiteitenlijst staan. In vier gevallen werd antistolling onterecht niet gegeven en in drie gevallen onterecht wel geven. Ze benadrukte echter dat alle schakels in de keten vaak goed functioneren, maar dat het essentieel is alle puzzelstukjes op elkaar te laten aansluiten, zodat calamiteiten niet meer zullen optreden. Hans van Laarhoven stelde als vertegenwoordiger van de patiëntenorganisatie Hart&Vaat Groep dat de patiënt samen met de huisarts een belangrijke rol heeft in het bewaken van het zorgproces. Want de huisarts, zo zei Van Laarhoven, heeft het meest volledige dossier en het kortste lijntje met de patiënt. Tijdens de aansluitende vijf workshops gingen de aanwezige deelnemers met elkaar in gesprek over diverse aspecten rondom antistolling binnen de diverse disciplines. In de workshop over de rol van de huisarts werd duidelijk dat niet alle huisartsen zitten te wachten op meer verantwoordelijkheden rondom de antistolling. Te weinig capaciteit en te weinig kennis werden als belangrijkste redenen opgevoerd. Workshopleiders Aafke Snoeijen, kaderhuisarts Hart- en Vaatziekten en huisarts te Asten, en Ineke van Woerkom, apotheker in Asten, illustreerden dat zij, met de korte lijntjes die zij naar elkaar hebben en een helder protocol, in staat zijn het zorgproces rond hun patiënten goed te bewaken. “Lastiger is dit met de tweede lijn,” zei Van Woerkom: “Het gebeurt dat ik antistolling moet uitgeven op basis van te weinig informatie. Heel frustrerend is het dat het me heel wat tijd kost voordat ik van de voorschrijver alles aan informatie heb ontvangen om het medicijn dan toch te kunnen uitgeven.”

Regie
Huisman gaf na afloop van de conferentie aan de uitvoerende rol van de huisarts niet te betwisten. Maar hij benadrukte dat de regie rondom antistolling bij de tweede lijn moet komen te liggen. “Puur omdat daar de kennis is. Regionale expertisecentra moeten dan ook vanuit de tweede lijn worden aangestuurd, met een korte lijn naar de eerste lijn zodat makkelijk overleg kan worden gevoerd en eerstelijns zorgverleners direct antwoord krijgen als ze vragen hebben. Ik geloof ook niet dat er veel huisartsen zijn die het anders zouden willen. Je merkt het nu al: er zijn maar weinig huisartsen die NOAC’s hebben voorgeschreven sinds oktober vorig jaar toen het Nederlands Huisartsen Genootschap de richtlijnen had veranderd. Patiënten die antistolling moeten krijgen, en zeker de NOAC’s, worden bijna altijd nog naar de medisch specialist doorverwezen.” Wat betreft communicatie, zo gaf Huisman aan, is er nog veel te winnen. Rond overdracht naar de eerste lijn en vice versa gaat er nog vaak wat mis. Huisman: “Om die reden werken we nu aan een transmuraal afsprakenplan voor antistolling en plaatjesremming met de betrokken ketenpartners. Er moet een blauwdruk komen, waarin precies staat hoe je aan elkaar overdraagt. Op landelijk niveau moet hier een aanzet toe worden gedaan, maar uiteindelijk moet dit regionaal invulling krijgen. Omdat de samenwerking tussen eerste- en tweede lijn per regio verschilt. Elk ziekenhuis moet nadenken over de continuering van de antistolling naar de eerste lijn toe. Daarin zijn we als medisch specialisten verwend geraakt omdat we dit voorheen door de trombosediensten lieten doen. Nu moeten we er zelf bij stilstaan dat we de eerste lijn heel goed instrueren. Het gaat dus vooral over goede communicatie. En dat schiet er nog weleens bij in bij de verschillende partijen die betrokken zijn bij de zorg aan deze patiënten. Daar moeten we dus alert op zijn. Afstemmen van de antistolling luistert namelijk heel nauw.”

Tekst: Caroline Wellink

 

 

 

 

Gerelateerde berichten

Auteur: redactie
Categorie: E06
Tags: , , , ,

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *