Eugène van Puijenbroek (Lareb): Meer aandacht voor alledaagse bijwerking

 FarmaMagazine_Eugene van PuijenbroekApothekers en huisartsen moeten meer aandacht besteden aan de gevolgen van alledaagse bijwerkingen voor de patiënt. Ook moeten bijwerkingen een vaste plaats krijgen in de diagnostiek. Aldus de kersverse hoogleraar Eugène van Puijenbroek.

De nieuwe hoogleraar geneesmiddelenbewaking en geneesmiddelenbijwerkingen in Groningen weet waar hij over praat. Opgeleid als huisarts kent Eugène van Puijenbroek het belang van veilig gebruik van geneesmiddelen en de impact die bijwerkingen hebben op patiënten. En als onderzoeker bij het Lareb kijkt hij naar nut en noodzaak van veilige medicatie en bijwerkingen.

De impact van bijwerkingen is groot, maar de aandacht hiervoor in het zorgproces is niet altijd vanzelfsprekend, zo stelt arts en klinisch farmacoloog Van Puijenbroek. Pas als er ernstige bijwerkingen optreden is de aandacht groot. Pas dan wordt teruggekeken: wat is er gebeurd? Opmerkelijk is dat dan vaak het geneesmiddel als de schuldige wordt aangewezen. De rol van de zorgverlener, patiënt en overheid is dan minder prominent aanwezig. Terwijl de context waarin het geneesmiddel wordt gebruikt, de verwachtingen die men heeft en de manier waarop de zorg met veiligheid omgaat net zo belangrijk zijn.

Hoe veilig zijn geneesmiddelen in ons land?
“De geneesmiddelen in ons land zijn niet veiliger of onveiliger dan in de ons omringende landen. Wat dat betreft is veiligheid van een geneesmiddel een constante factor. De manier waarop we met geneesmiddelen omgaan, dat verschilt natuurlijk wel van land tot land. Veiligheid is namelijk niet alleen de verantwoordelijkheid van de industrie die het geneesmiddel maakt, de arts die het voorschrijft en de apotheker die het aflevert, ook de patiënt heeft een belangrijke rol in het veilig gebruik ervan. Alle betrokkenen pakken hun rol goed op, zo is mijn ervaring.  Ook hebben we een goed lopend systeem waarin we uitgifte en gebruik van medicatie monitoren. En als het gaat om melden van bijwerkingen en farmaco-epidemiologisch onderzoek lopen we voorop. Daar mogen we best trots op zijn. Maar het kan altijd beter.”

Hoe serieus neemt de zorg veilig gebruik van geneesmiddelen?
“Heel serieus. Ook de apotheker neemt de voorlichting over bijwerkingen aan de patiënt heel serieus. Mijn ervaring is dat in iedere apotheek bij de eerste en tweede uitgifte wordt stilgestaan bij het onderwerp bijwerking. Dat kan ook niet anders, want de apotheker is voor de patiënt toch vaak het eerste aanspreekpunt bij bijwerkingen. Naast gedegen kennis over klinische farmacologische achtergrond moet de apotheker ook weten hoe een patiënt een bijwerking ervaart. Hij zal actief bij de patiënt na moeten vragen of er klachten opgetreden zijn. Apothekers kunnen echter onmogelijk de gehele bijsluiter bespreken met de patiënt. Ze moeten dus een selectie maken wat ze wel en dus ook niet vertellen. Maar hoe maak je die selectie? Natuurlijk, je mag hopen dat patiënt de bijsluiter nauwgezet doorneemt, maar dat gebeurt in de praktijk natuurlijk niet altijd. Maar er speelt nog iets anders. De huidige bijsluiters zijn vooral een lange opsomming van bijwerkingen en hebben onvoldoende aandacht voor de gevolgen van bijwerkingen voor het dagelijkse leven van de patiënt.”

U pleit voor nog meer informatie in de bijsluiter?
“Ik pleit ervoor om de patiënt een meer centrale rol te laten spelen. Laat ik een voorbeeld geven. In een bijsluiter van een bepaald geneesmiddel staat dat er een kans is op duizeligheid. Maar er staat niet bij wat voor soort duizeligheid het is en wat de invloed is van deze duizeligheid op het dagelijkse leven van de patiënt. Kan ik met die duizeligheid nog wel naar mijn werk of moet ik thuis blijven? Voor de patiënt relevante vragen, maar de antwoorden vinden patiënt en zorgverlener niet terug in de bijsluiter. De bijsluiter moet dus informatie geven die beter aansluit bij de beleving van de patiënt. Daar ligt natuurlijk ook een mooie taak voor de zorgverlener, maar die heeft ook maar beperkte tijd om alles uit te leggen. Informatie over de invloed van bijwerkingen op de dagelijkse praktijk van de patiënt moet in ieder geval wel beschikbaar komen.”

Kleine bijwerkingen
Zorgverleners en onderzoekers hebben de neiging vooral te kijken naar bijwerkingen die leiden tot bijvoorbeeld opname in het ziekenhuis. Of erger. De aandacht voor de minder ernstige bijwerking dreigt te verdwijnen. Een gemiste kans, zo stelt Van Puijenbroek. Want de patiënt heeft wel degelijk last van die ‘kleine’ bijwerkingen. Als voorbeeld noemt hij onderzoek naar bijwerkingen van middelen bij de behandeling van diabetes. Gedurende een half jaar werden patiënten naar ervaringen met deze middelen gevraagd. En wat blijkt dan? Ruim 60 procent wist te melden helemaal geen klachten te hebben, 38 procent had in meer of mindere mate mogelijk last van bijwerkingen en drie op de 1.000 meldde ernstige bijwerkingen die leiden tot  ziekenhuisopname. Traditioneel krijgt juist deze kleine groep van drie op de 1.000 de meeste aandacht. Dat geldt overigens ook voor andere bijwerkingen en geneesmiddelen. Maar hoe zit het met die grote groep van gebruikers van 38 procent die ook klachten meldde? Die komen er bekaaid vanaf, zo stelt hij. “Het gaat om een flinke groep, maar hoe zit het daar precies mee? Wat weten we nu precies van hun klachten en wat dit voor hen betekent? Daar moet meer aandacht voor komen.”

Kosten bijwerkingen
Opvallend is dat er weinig cijfers bekend zijn wat bijwerkingen de zorg nu precies kosten. Daarvoor moeten we onder meer naar het HARM-onderzoek dat inmiddels ruim negen jaar oud is. Uit het onderzoek weten we dat de frequentie van geneesmiddel gerelateerde ziekenhuisopnames 2,4% van alle ziekenhuisopnames en 5,6% van de acute opnames bedraagt. Van deze opnames is iets minder dan de helft als vermijdbaar beoordeeld. Voor heel Nederland betekent dit jaarlijks zo’n 41.000 geneesmiddel gerelateerde ziekenhuisopnames en 19.000 potentieel vermijdbare opnames per jaar. De geschatte kosten hiervan zijn ruim 85 miljoen euro per jaar. Maar dat zijn cijfers van jaren terug.

Niet vanzelfsprekend
De impact van bijwerkingen op de patiënt is dan wel groot, maar de aandacht hiervoor in het zorgproces is niet altijd vanzelfsprekend, zo meent Van Puijenbroek. “Jaarlijks krijgt Lareb bijna 22.0000 meldingen binnen over bijwerkingen. Van de meldingen die rechtstreeks naar Lareb gaan komt de meerderheid, 48 procent, van patiënten. Huisartsen zijn goed voor 11 procent en apothekers voor 17 procent. Het aantal meldingen van bijwerkingen door huisartsen neemt helaas niet meer toe. Er zijn veel meer bijwerkingen, dan er nu wordt gemeld. Natuurlijk, zorgverleners zijn druk met tal van administratieve zaken en melden van een bijwerking kost nu eenmaal tijd. Maar melden is wel een investering in de uitoefening van je vak.”

Hoe komen bijwerkingen wel meer in beeld?
“Ook dat is een kwestie van perspectief. Als het om medicatie gaat richten zorgverleners zich nu vooral op de effectiviteit van een geneesmiddel. Dat is ook te begrijpen, want we willen allemaal dat patiënten beter worden. Maar in het zorgproces moet er ook aandacht zijn voor de negatieve aspecten van geneesmiddelen. Dan zullen zorgverlener en patiënt beter kunnen anticiperen op mogelijke bijwerkingen. Bijwerkingen moeten dan ook een centrale plek in het zorgproces krijgen. Voor een huisarts begint dat al bij de casuïstiek. Neem een patiënt met hepatitis. Bespreek dan al in een vroeg stadium met de patiënt dat een mogelijke zwelling het gevolg kan zijn van een ontsteking of van een bijwerking van het geneesmiddel. Voorlichting over bijwerkingen leidt echt niet altijd ertoe dat de patiënt zijn medicatie niet meer inneemt.”

Is het domein bijwerkingen nu van de apotheker of de huisarts?
“De arts die een medicijn voorschrijft is ook verantwoordelijk om de patiënt te informeren over mogelijke bijwerkingen. De apotheker die de medicatie aflevert moet ook de patiënt infor-meren. Ik denk dat het goed is als patiënten twee keer het ver-haal horen. Liever twee keer informeren, dan helemaal niet.”

Bijwerkingen op het spoor
Hoogleraar Eugène van Puijenbroek richt wil zich onder meer op onderzoek naar nieuwe methoden om bijwerkingen beter op het spoor te komen. Zo kijkt hij of de tijd tussen het toedienen van een geneesmiddel en het optreden van een bijwerkingen kan helpen om een daadwerkelijke bijwerking te onderscheiden van een klinisch verschijnsel dat niets te maken heeft met het gebruikte geneesmiddel.  Daarnaast is er onderzoek naar de rol die de patiënt speelt bij het melden van bijwerkingen en de ontwikkeling van methoden om meer en andere informatie over bijwerkingen te krijgen. Bijvoorbeeld door het inzetten van een monitoringsysteem en een register voor het volgen van de veiligheid van het gebruik van geneesmiddelen tijdens zwangerschap.

Tekst: Niels van Haarlem
Fotografie: Frank Groeliken

 

 

Gerelateerde berichten

Auteur: redactie
Categorie: E05
Tags: , , ,

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *