Grip op dure geneesmiddelen

FarmaMagazine-Dure geneesmiddelenDure geneesmiddelen zijn een hoofdpijndossier voor de ziekenhuizen, dus zoeken zij naar manieren om hierin een substantiële en structurele kostenreductie te bewerkstelligen. Achmea werkt tot ditzelfde doel samen met een aantal van deze ziekenhuizen. De eerste ervaringen smaken naar meer.

Achmea maakte september vorig jaar bekend samen met een aantal ziekenhuizen dure geneesmiddelen te willen gaan inkopen. Op basis van eigen onderzoek concludeerde Achmea dat ziekenhuizen heel verschillend omgaan met het gebruik van dure geneesmiddelen bij vergelijkbare behandelingen. Elk ziekenhuis regelt de inkoop van dure geneesmiddelen zelf en dat leidt tot onnodig hoge kosten. Bovendien is het voor de ziekenhuizen een intensief traject, stelde Achmea. Gezamenlijke inkoop moet dit proces eenvoudiger maken en een aanzienlijke kostenbesparing kunnen opleveren. Die besparing wordt gedeeld: de deelnemende ziekenhuizen mogen een derde deel houden, een derde wordt besteed aan innovatie. En een derde vloeit via de premie terug naar de verzekerden.

TNF-alfaremmers
Bij de eerste inkoopronde sloten negentien ziekenhuizen zich bij het samenwerkingsverband aan, en daartussen zitten ook enkele ziekenhuizen waarin Achmea een geringer marktaandeel heeft. Het traject is gestart met TNF-alfaremmers. De gezamenlijke inkooppartijen selecteerden op basis van de informatie die de farmaceutische industrie aanleverde aan aantal generieke varianten hiervan.

Het streven is die bij tachtig procent van de nieuwe patiënten die hiervoor in aanmerking komen voor te schrijven. De beperking tot nieuwe patiënten is een bewuste keuze: medisch specialisten zijn bevreesd voor preferentiebeleid en zitten er totaal niet op te wachten bestaande patiënten over te zetten op een preferent middel als die al een andere TNF-alfaremmer gebruiken en daarover tevreden zijn.

Meer kosteninzicht gewenst
De achtergrond waartegen Achmea het proces heeft ingezet, is dat het duurzame toegankelijkheid van dure therapieën nastreeft. Daarnaast wil het meer in de kosten die ziekenhuizen maken voor dure geneesmiddelen, omdat dit de enige realistische basis is om tot kostenbeheersing te komen. Op dit moment hebben ze alleen concreet inzicht in de add-ons, omdat die afzonderlijk worden gedeclareerd. Alle overige dure geneesmiddelen worden meegenomen in de volledige DBC/DOT, zodat gedetailleerd overzicht daarop ontbreekt. Bovendien bestaat rond de add-ons veel onduidelijkheid over de vraag of ze voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk, wat leidt tot discussie tussen zorgverzekeraars en voorschrijvers is het ziekenhuis over de vergoeding.  Zorginstituut Nederland (ZiNL) kan aan die discussie een einde maken, door middel van een beoordeling van deze middelen, maar doet dit op het moment nog slechts beperkt middels risicogericht pakketbeheer. Hierdoor blijft vooralsnog een grijs gebied bestaan van middelen die ZiNL niet beoordeelt, zodat daarvoor de bal nog steeds bij de zorgverzekeraars ligt. Die mogen om mededingingstechnische redenen geen gezamenlijke beoordeling doen. Ondertussen is de patiënt in het nadeel zolang de vergoeding voor een middel nog niet geregeld is. En het farmaceutische bedrijf dat het ontwikkelt ook, want die ziet de patenttijd doortikken en loopt het risico dat zijn middel gedurende het proces alweer door een nieuw middel wordt ingehaald. De registratie moet dus sneller, vinden de zorgverzekeraars, bijvoorbeeld werkenderwijs of clustergewijs. Maar de regie hoort wel bij ZiNL te liggen, heeft brancheorganisatie Zorgverzekeraars Nederland in een brief aan ZiNL laten weten, en daarmee lijkt dit instituut het eens te zijn. Twee wegen liggen nu open om uit de impasse te komen. De ene is dat een heldere taakverdeling wordt afgesproken over het registratieproces, waarin de zorgverzekeraars een rol kunnen spelen op basis van de expertise van hun eigen medisch adviseurs en de medisch specialisten op wie het voor advies een beroep kan doen. De andere is dat het ministerie van VWS meer geld beschikbaar stelt aan ZiNL om het registratieproces te kunnen versnellen. Eventueel is er ook een derde optie: het registratieproces meer internationaal vormgeven. Hierbij zou bijvoorbeeld een begin kunnen worden gemaakt met de Scandinavische landen, waar sprake is van een bevolkingssamenstelling en een zorgsysteem die redelijk vergelijkbaar zijn.

Inzicht in pijplijn en kosten
Ondertussen kunnen de ziekenhuizen financieel in de knel komen te zitten door het financieringsbeleid rond dure geneesmiddelen, en nemen de voorschrijvers wel beslissingen over toepassing bij patiëntengroepen. De discussie wordt hierdoor min of meer afgewenteld op die behandelaars, waarbij het achterliggende probleem is dat de overheid geen uitspraak doet over de vraag hoeveel geld een quality adjusted life year mag kosten. Om toch grip te krijgen op de problematiek, zouden zorgverzekeraars daarom graag van de farmaceutische bedrijven weten welke ontwikkelingen in de pijplijn zitten, wat daarvan de kosten zijn en welke nieuwe ontwikkelingen echt oplossingen bieden die nu nog niet voorhanden zijn voor patiënten. Informatie bieden over die pijplijn doen de farmaceuten graag, maar als het op informatie over de kosten aankomt, is de boodschap ineens dat het (buitenlandse) hoofdkantoor geen toestemming geeft om hierover te communiceren.

De enige weg die open lijkt te liggen voor de zorgverzekeraars, is aanzetten tot een brede maatschappelijke discussie over dure geneesmiddelen, in de hoop dat het onderwerp niet alleen op landelijk niveau maar ook internationaal op de politieke agenda komt.

Interessante besparing
Tegelijkertijd kijken de farmaceutische bedrijven wel met interesse naar de activiteiten rond het gezamenlijke inkoopinitiatief van Achmea in Nederland. Achmea doet geen concrete uitspraken over de financiële gevolgen van deze gezamenlijke inkoop voor de prijs die de betreffende ziekenhuizen betalen voor TNF-alfaremmers, maar zegt wel dat de onderhandeling over de prijs van generieke middelen tot een ‘interessante korting’ heeft geleid.  De Autoriteit Consument en Markt heeft aangegeven geen probleem te zien in deze bundeling van inkoopkracht. Het zou zelfs geen probleem zijn als hierbij meer ziekenhuizen aansluiten of meer zorgverzekeraars. De farmaceutische bedrijven zijn immers wereldspelers, dus de inkoopsamenwerking binnen een klein land als Nederland creëert geen aanmerkelijke marktmacht.

De inkoopcombinatie van Achmea en de aangesloten ziekenhuizen heeft dus de ruimte om door te gaan op de ingeslagen weg, en doet dit ook. Na de TNF-alfaremmers richt het zich op de gezamenlijke inkoop van infliximab, een monoklonaal antilichaam dat wordt ingezet bij de behandeling van auto-immuunziekten. En het zet hierbij ook meteen de vervolgstap in de vergelijking niet alleen de beschikbare bestaande geneesmiddelen mee te nemen, maar ook de biosimilars. Het heeft ook de Initiatiefgroep Biosimilars Nederland opgericht, met als doel de drempels weg te nemen voor een verantwoorde uptake van biosimilars, omdat Nederland hierin achterloopt in Europa.

Argusogen
Een deel van de farmaceutische industrie beziet dit alles vanzelfsprekend met argusogen. De gezamenlijke inkoop met de ziekenhuizen ontneemt de bedrijven de mogelijkheid om met ieder van die ziekenhuizen individueel te onderhandelen. Het wegvallen van deze route heeft grote financiële gevolgen voor de farmaceutische bedrijven. Dus gaan zij – al dan niet via de rechter – de discussie aan met Achmea over de legitimiteit van het samenwerkingsverband. Een ander deel van de farmaceutische bedrijven ziet in de samenwerking een nieuw marketingperspectief en is bereid zich te organiseren naar deze nieuwe marktordening. Het ligt in de lijn der verwachting dat samenwerkingsverbanden op inkoopgebied vanuit de ziekenhuizen op verschillende terreinen een grotere rol zullen gaan spelen. Inkoopalliantie Ziekenhuizen boekt hier al redelijk succes mee in kantoorartikelen sinds de oprichting in 2009 en begint nu ook met gezamenlijke inkoop van medische hulpmiddelen terrein te winnen. Santeon, het samenwerkingsverband van zes topklinische ziekenhuizen, koopt sinds begin dit jaar gezamenlijk TNF-alfaremmers in. Bij dit samenwerkingsverband is geen zorgverzekeraar betrokken, maar ook dit initiatief is gericht op kostenbesparing op deze dure geneesmiddelen.

Alternatieven zoeken
De farmaceutische industrie is ook niet blij dat Achmea het Meander Medisch Centrum faciliteert om wetenschappelijk onderzoek te doen naar rhenium voor de behandeling van uitgezaaide prostaatkanker als alternatief voor het concurrerende en gepatenteerde Radium 223. Achmea verkent ook de mogelijkheden om de ontwikkeling van een kosteneffectiever alternatief voor Myozyme te stimuleren, voor toepassing bij patiënten met de ziekte van Pompe. Zoals bekend kost een behandeling met dit geneesmiddel per patiënt gemiddeld tussen de 400.000 en 700.000 euro per jaar. Wetenschappers proberen een goedkope variant te ontwikkelen die ervoor zorgt dat deze behandelkosten op jaarbasis dalen naar circa 4.000 euro. Theoretisch zouden apotheken dit middel vanaf 2016, als Myozyme uit patent loopt, zelf kunnen produceren. Gelet op het enorme kostenverschil is het begrijpelijk dat Achmea een dergelijke ontwikkeling graag wil faciliteren, en dat het ook openstaat om onderzoek te ondersteunen dat soortgelijke alternatieven voor andere dure geneesmiddelen mogelijk maakt.”

Tekst: Frank van Wijck

 

Gerelateerde berichten

Auteur: redactie
Categorie: E02
Tags: , , ,

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *