Groot in het kleine

Op de wereldranglijst van farmaceutische bedrijven neemt ALK Abello een bescheiden positie in, maar op zijn specifieke vakgebied – allergenen – is het een speler van formaat. Nederland heeft altijd een belangrijke rol gespeeld voor het bedrijf, zelfs op het gebied van productie. En het onderzoeksklimaat in Nederland stelt het bedrijf in staat die positie ook op het gebied van klinische studies vorm te geven.

Bas Esbach is nu ongeveer een jaar als algemeen directeur in dienst van ALK Abello, maar heeft daarvoor al vanuit verschillende invalshoeken naar de Nederlandse en internationale gezondheidszorg kunnen kijken. Hij studeerde medische biologie in Leiden, promoveerde op de rol van cholesterol in hart- en vaatziekten, werkte bij TNO, en bekleedde vervolgens functies in binnen- en buitenland bij Organon en Pfizer. “Van de laatste vijftien jaar heb ik dertien jaar in het buitenland gewerkt”, zegt hij. “Ik ben nu een jaar terug, en ik ken dus niet alle ins en outs van het Nederlandse zorgsysteem, maar ik heb ik mijn huidige functie wel een indruk gekregen van hoe dit in elkaar steekt. Hoewel mensen in Nederland een kritische houding hebben ten opzichte van de gezondheidszorg, doet ons land het op dit gebied bepaald niet slecht. De snelheid en vakkundigheid waarmee patiënten in de Nederlandse gezondheidszorg worden geholpen door artsen en apothekers, kom je heus niet in alle landen tegen. Ook op het gebied van de farmacotherapie zie ik grote verschillen. Deels hangen die samen met het belang dat de eerste lijn in het zorgstelsel van een land heeft. In sommige landen in het Midden-Oosten bijvoorbeeld is de apotheek echt niet meer dan een uitdeelpunt, en is van de toegevoegde waarde die de Nederlandse openbare farmacie levert geen sprake. Ook de verschillen in registratie en beschikbaarheid van geneesmiddelen zijn soms enorm tussen het ene land en het andere. Natuurlijk zie ik dat het Nederlandse zorgsysteem verandert en dat de dynamiek die dit veroorzaakt soms pijnlijke ontwikkelingen met zich meebrengt, maar het is lang niet altijd gezegd dat die het stelsel uiteindelijk schade toebrengen.”

Immuunsysteem desensibiliseren

In dit veld neemt Nederland voor ALK Abello een bijzondere positie in. Het van oorsprong Deense bedrijf heeft in Nederland altijd een sterke marktpositie gehad, en die is nog verder versterkt door de overname van het farmaceutische bedrijf Artu. Van de 1.800 medewerkers die het bedrijf wereldwijd in dienst heeft, werken er honderd in Nederland. “Het is een van onze grotere vestigingen”, zegt Esbach. “We zijn hier aanwezig met een commerciële en een medische afdeling en ook met een fabriek. En dat laatste is vrij uitzonderlijk, want de meeste farmaceutische bedrijven hebben hun productiefaciliteiten nu eenmaal niet in Nederland zitten.”
ALK Abello is in 1923 opgericht vanuit de gedachte de klachten die met allergieën gepaard gaan niet alleen te bestrijden, maar ook de oorzaak ervan aan te pakken. Het ontwikkelt allergenen die gedurende een langere periode aan de patiënten worden aangeboden – drie tot vijf jaar – en die daarmee het immuunsysteem desensibiliseren. “Dit zorgt ervoor dat de behandeling een blijvend effect heeft”, zegt Esbach. “Het is de enige activiteit waarmee we ons bezighouden, en dat heeft ons gemaakt tot een grote speler in een klein vakgebied. Op de wereldranglijst van farmaceutische bedrijven staan we relatief laag, maar we hebben wereldwijd wel 33 procent van de markt in handen waarop we actief zijn en in Nederland zelfs meer dan vijftig procent.”

Injecties en orale preparaten
De belangrijkste concurrenten van het bedrijf zijn het Franse Stallergenes en Hal uit Leiden. “Ook bedrijven met mooie marktfilosofieën”, zegt Esbach. “Het belangrijkste verschil met onze concurrenten is echter dat wij ons niet alleen richten op óf orale preparaten óf injecties, maar op beide. De injecties hebben natuurlijk de langste historie en hebben zich bewezen, maar kunnen ook belastend zijn voor de patiënt. Vaak betreft het kinderen en het vergt nogal wat van hen als die op gezette tijden naar het ziekenhuis moeten om een injectie te ondergaan. Bovendien moet dan een ouder mee en die moet daar ook weer tijd voor vrijmaken. Tabletten vormen een goed alternatief en we verrichten daarnaar dan ook veel onderzoek, zeker ook in Nederland. We richten ons daarbij op drie belangrijke aandachtsgebieden: graspollen, boompollen en huisstofmijt, die samen pakweg negentig procent van de allergenen uitmaken. Voor graspollen beschikken we inmiddels sinds een paar jaar over een tablet en je ziet ook een verschuiving daar naartoe bij de patiënten.”

Samenwerking in kennisontwikkeling
Voor boompollen en huisstofmijt is het bedrijf op dit moment volop bezig met onderzoek. Het biedt hiervoor als tussenpreparaat al een toediening in de vorm van druppels, maar de focus ligt ook hier uiteindelijk op tabletten, met het uitgangspunt dat die in toediening zekerder zijn en vriendelijker voor de patiënt. “Het is belangrijk om samen met opinion leaders vanuit de wetenschap en de medische praktijk producten te ontwikkelen en in een vroeg stadium daarmee ervaring op te doen”, zegt Esbach. “Van onze omzet gaat dan ook maar liefst 22 procent naar research and development. Dat is veel, maar het is broodnodig. Ik denk dat kleine bedrijven die niet mee kunnen met de groeiende behoefte aan standaard- en kennisontwikkeling het uiteindelijk niet zullen redden.”
Het onderzoeksklimaat in Nederland is volgens Esbach goed. “De interesse om in studies te participeren is groot en de kennis is er zeker ook”, zegt hij. “Wel vormen de Europese en Nederlandse wetgeving soms een belemmering om snel stappen te zetten. En als je van die zijde toestemming hebt, heb je ook nog te maken met de ethische commissies in individuele academische centra. Het is natuurlijk goed dat die commissies er zijn, maar de besluitvormingsprocessen leiden soms tot vertraging. We moeten wel met een onderzoek kunnen starten als het seizoen eraan komt. Dat we in dit onderzoek in de veranderende farmaceutische markt steeds meer rekening moeten houden met de kosteneffectiviteit van een nieuw middel in relatie tot de standard of care vind ik niet meer dan logisch. We nemen dit meteen mee in het registratieproces en dat vind ik ook een goede zaak, want de zorg moet wel betaalbaar blijven.”

Coördinerende rol overheid
Dat proces van het betaalbaar houden van de zorg ziet Esbach als een gezamenlijke inspanning van de artsen, apothekers, zorgverzekeraars en bedrijven, maar ook de overheid. “Problemen ontstaan alleen als één partij de overhand krijgt”, zegt hij. “Wat we nu zien, is een toenemende rol van de zorgverzekeraars, die soms in de vergoeding van de geneesmiddelen een extreem standpunt innemen. Op dat gebied vind ik dat het ministerie van VWS een coördinerende rol dient te spelen. De distributie van gemeenschapsgelden kun je niet geheel aan de markt overlaten. En zelf spelen we hierin een rol door contacten te onderhouden met de individuele zorgverzekeraars, om de kennis met hen te delen waarover wij beschikken.”

Wat zorgverzekeraars volgens hem bijvoorbeeld niet altijd onderkennen, is de dalende markt in Nederland voor allergenen. “Dat is een vreemd verschijnsel gelet op het feit dat het aantal patiënten toeneemt”, zegt hij. “Waarom die trend bestaat, kan ik niet zo goed verklaren, maar het heeft wellicht te maken met het feit dat wat lichtvoetig over het onderwerp wordt gedacht. Ik moet toegeven dat ik er zelf ook niet zo heel serieus naar keek totdat ik in het kader van mijn huidige functie in gesprek ging met een aantal patiënten met allergieën. “Heb maar eens tentamens in het pollenseizoen”, zei een student toen bijvoorbeeld tegen me. Dat was een eye-opener. We zijn daarom ook meer aandacht gaan besteden aan informatieverstrekking over allergieën en over onze producten. Niet alleen aan behandelaars, maar ook aan patiënten. Voor de laatste groep hebben we een webportal opgezet. Maar we moeten er natuurlijk wel voor waken dat we in dit traject van informatievoorziening niet de artsen passeren. Het is balanceren en dat kost tijd.”

Kerngegevens ALK Abello
Activiteiten: ontwikkeling van allergenen
Wereldwijde omzet: ruim 300 miljoen euro
Winst: niet gemeld
Aantal landen actief: meer dan 25
Aantal moleculen: niet gemeld
Verdeling: graspollen, boompollen, huisstofmijt
Investering in R&D: 22 procent van de omzet
Marktpositie wereldwijd: 33 procent van de markt op het specifieke productgebied
Marktpositie Nederland: ruim vijftig procent van de markt op het specifieke productgebied

Tekst: Frank van Wijck
Fotografie: Frank Groeliken

Gerelateerde berichten

Auteur: redactie
Categorie: Opinie