“Het schrijnende aan dit leed is, dat het niet nodig is”

copdSchrikbarend veel astma- en COPD-patiënten gebruiken hun inhalatiemedicatie verkeerd. Hierdoor heeft het niet de werking die het kan en moet hebben. Tijdens het onlangs gehouden internationale congres over inhalatietechnieken benadrukten diverse inhalatiedeskundigen dat dit onnodig is. Met betere instructies, gedegen training en ehealth-toepassingen zullen patiënten hun inhalator op de juiste gebruiken, waardoor maximaal rendement uit de medicatie wordt gehaald.

Meer dan zeventig procent van de ruim één miljoen longpatiënten in Nederland die een pufje gebruikt, puft verkeerd. Met als gevolg onnodige exacerbaties, vaker inzetten van noodmedicatie en ziekenhuisopnames. Het is overigens niet een typisch Nederlandse kwestie; in andere landen is de inhalatieproblematiek minstens zo groot, zo bleek tijdens het tweedagen durende IRW-congres dat midden maart in Groningen plaatsvond. IRW staat voor Inhalation Research Workgroup en bestaat uit een internationaal gezelschap van gerenommeerde inhalatiedeskundigen. “Het schrijnende aan dit leed is, dat het niet nodig is,” vertelt Paul Hagedoorn, inhalatietechnoloog verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. “Het is veelal als gevolg van verkeerd inhaleren, waardoor de medicatie niet op de plek komt waar het zijn werking moet doet. Dat is jammer. Omdat het de kwaliteit van leven van deze longpatiënten bepaalt, maar ook omdat het financieel op de gezondheidszorg drukt én op de samenleving in zijn geheel vanwege arbeidsverzuim. En het is niet nodig. We weten namelijk al heel goed hoe inhalatiemedicatie het beste kan worden gebruikt. Zo weten we hoe optimaal kan worden geïnhaleerd met welk type inhalator. We weten welke inhalator het beste werkt bij welk type patiënt. We krijgen zelfs steeds beter inzichtelijk hoe we patiënten kunnen stimuleren therapietrouw te blijven; ook een serieus probleem rondom inhaleren. En op het gebied van ehealth komen steeds meer toepassingen die ervoor zorgen dat patiënten optimaal inhaleren en therapietrouw blijven. Dat is natuurlijk al heel wat. Zo ver zijn we sinds het gebruik van inhalatoren vijftig jaar geleden nog niet geweest. Maar zolang de slag van weten naar implementatie niet wordt gemaakt, blijft het merendeel van de longpatiënten dat een pufje gebruikt, dit verkeerd doen.” Hagedoorn, die internationaal wordt gezien als een van dé experts in onderzoek, ontwikkeling en toepassing van inhalatietechnologie, was een van de sprekers tijdens het IRW-congres. Aan de rijksuniversiteit van Groningen leidt hij de afdeling inhalatietechnologie; een van de drie toponderzoekscentra wereldwijd op het gebied van inhalatietechnologie.

Effectiviteit van inhalatietherapie
Tijdens het congres werden diverse onderzoeken naar inhalatieproblematiek besproken. Zo vertelde Mathieu Molimard, hoogleraar farmacologie aan het academisch ziekenhuis in Bordeaux, over een grootschalige Franse observatie-studie uit 2015 naar het gebruik van inhalatoren onder COPD-patiënten; vanwege hoge leeftijd en lage inademingscapaciteit een groep met ernstige inhalatieproblemen. De effectiviteit van inhalatietherapie, zo legde hij uit, wordt bepaald door een combinatie van medicatie, inhalator- én patiëntkarakteristieken. In de Franse studie, waar bijna drieduizend patiënten, ruim tweehonderd huisartsen en vijftig longartsen aan meededen, werd de werking van zes verschillende inhalatoren (Breezhaler, Diskus, Handihaler, pMDI, Respimat en Turbuhaler) onderzocht. Gekeken werd of problemen rondom inhaleren werden veroorzaakt door de inhalator of door de wijze van inhaleren. Op alle inhalatoren, zo bleek, kon wel iets worden afgedongen: bij een aantal bleef bijvoorbeeld poeder in de capsule achter na inhalatie, een aantal was moeilijk te bedienen en bij weer andere liep het gelijktijdig bedienen en inhaleren niet lekker. Verrassender, zo gaf Molimard aan, was de uitkomst dat, ongeacht de inhalator en gebruiksaanwijzing, ruim de helft van de patiënten minimaal één handeling fout deed: zo bleken patiënten te vergeten uit te ademen voorafgaand aan inhaleren, in te ademen door de neus en niet hun adem een paar seconden in te houden na de inhalatie. Wat opviel, zo zei de hoogleraar farmacologie, was dat de patiënt zelf niet wist dát hij verkeerd inhaleerde; in zijn overtuiging deed hij het goede: “Omdat het gemotiveerde zorgverleners en patiënten waren die meededen aan deze studie, verwachten we dat in werkelijkheid de problematiek nog schrijnender is. Deze studieresultaten doen ons realiseren dat zorgverleners voldoende tijd moeten hebben om hun patiënten goed te instrueren. Niet alleen bij de eerste uitgifte van inhalatiemedicatie, maar ook tijdens elk consult daarna. Belangrijk daarbij is dat de patiënt laat zien hoe hij inhaleert, zodat dat ter plekke kan worden beoordeeld en, indien nodig, kan worden bijgesteld.”

Therapietrouwen leven gezonder
Weten hoe op de juiste wijze te inhaleren heeft pas zin als patiënten ook daadwerkelijk trouw zijn aan hun therapie, zo benadrukte Job van Boven tijdens zijn presentatie, assistent-hoogleraar klinische farmacie aan het Universitair Medisch Centrum Groningen. Hoewel de groep astma- en COPD-patiënten met een score van zo’n zestig procent therapietrouw het best scoort van alle chronisch zieken in Nederland, is het nog steeds veertig procent dat therapieontrouw is. Van Boven vertelde dat uit een grootschalige internationale studie onder COPD-patiënten blijkt dat degenen die hun medicatie frequent innemen, een kleinere kans hebben vroegtijdig te overlijden. Opvallend daarbij was dat dit ook geldt voor patiënten die tijdens deze studie een placebo hadden gekregen. Van Boven: “Hieruit concluderen wij dat therapietrouwe patiënten in het algemeen trouwer zijn aan gezondheidsgedragingen. Gezonder leven dus.” Therapieontrouwen kunnen worden opgesplitst in drie categorieën, zo vervolgde hij: er is een groep die gewoonweg vergeet medicatie in te nemen, een groep die intentioneel zijn medicatie niet inneemt, vanwege bijvoorbeeld angst voor bijwerkingen, en een groep die onbewust therapieontrouw is. “Interventies om de eerste groep therapietrouw te krijgen, zijn het eenvoudigst. Het sturen van een reminder of medicatie linken aan een dagelijkste gewoonte, zoals tandenpoetsen, blijkt vaak al voldoende. Om de andere twee groepen therapietrouw te krijgen, is meer voor nodig. De zogenaamde intentioneel ontrouwen moeten doordrongen worden van de noodzaak van therapietrouw. Hun protocol moet gebaseerd zijn op gezamenlijke besluitvorming en gelinkt zijn aan persoonlijke doelen. De laatste groep begrijpt vaak niet waar de medicatie voor nodig is en hoe het moet worden ingenomen en heeft baat bij educatie, instructies en training.” De onderzoeker vertelde dat, hoewel elk van deze drie typen van therapieontrouw dus een eigen aanpak vereist, uit een Belgische studie onder ruim zevenhonderd COPD-patiënten de cruciale rol van de zorgverlener blijkt: de groep patiënten waar ruim tijd werd genomen voor uitleg over de ziekte, noodzaak van medicatie-inname, inhalatie-instructie en gezonde leefstijl, bleek na drie maanden beter te inhaleren, meer therapietrouw te zijn en minder vaak te zijn opgenomen in het ziekenhuis. Niet alleen betekende deze aanpak een betere kwaliteit van leven voor de patiënten, uit de berekening van Van Boven bleek dat het ook financieel winst opleverde. Van Boven: “Het zou voor zorgverzekeraars genoeg motivatie moeten zijn om extra begeleidingstijd te overwegen voor chronisch zieken als astma- en COPD-patiënten.”

Slimme sensoren
Een belangrijke oplossing voor veel problemen rond inhalatiemedicatie en therapieontrouw ligt in toepassingen van ehealth, zo hield Niels Chavannes zijn publiek voor, hoogleraar ehealth-toepassingen bij chronische aandoeningen aan de universiteit van Leiden. “Inmiddels zijn er al diverse ehealth-voorbeelden die patiënten helpen therapietrouw te blijven en inhalatiemedicatie beter te gebruiken. In de nabije toekomst zullen deze technologische mogelijkheden alleen nog maar verder worden verfijnd.” In de toename van het aantal onderzoeken ligt de belofte. Liepen er drie jaar geleden in Leiden drie grote ehealth-onderzoeken, het zijn er nu bijna honderd, die de Leidse onderzoekers – samen met partners uit hele land – sinds begin maart vanuit het National eHealth Living Lab uitvoeren. Astma en COPD zijn aandoeningen die zich bij uitstek lenen voor ehealth-toepassingen, vertelde Chavannes: “Inhalatiemedicatie is ingewikkelder dan een pilletje; de wijze van inname heeft van origine al een sterk technische component. Nu al kunnen patiënten met slimme sensoren in devices beter worden gestuurd in het juist gebruiken van de technologie. Momenteel zijn ehealth-toepassingen in ontwikkeling waarmee de zorgverlener ook los van een consult kan controleren of inhalatiemedicatie daadwerkelijk, én op de juiste wijze is ingenomen. Slagroom op de taart zal zijn als zorgverleners in de nabije toekomst real time via de smartphone feedback kunnen geven. De patiënt ontvangt dan niet alleen een reminder om een pufje te nemen, maar bijvoorbeeld ook een berichtje als hij telkens vergeten is de adem in te houden na inhalatie. Nog iets verder in de tijd verwacht ik toepassingen, waarbij je als astma- of COPD-patiënt geadviseerd wordt om bijvoorbeeld vandaag niet naar buiten te gaan, omdat er echt teveel smog wordt gemeten in de lucht. Of dat je eraan wordt herinnerd te gaan sporten. De combinatie van al deze toepassingen, zo verwachten wij, zal het leven van chronisch zieken drastisch veranderen. Als de ziekte het toelaat, zullen patiënten hierdoor veel beter grip krijgen op de kwaliteit van hun leven.”

Tekst: Caroline Wellink

Dit artikel verscheen eerder in FarmaMagazine april 2018

 

 

 

Gerelateerde berichten

Auteur: redactie
Categorie: 2018
Tags: , , , ,

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *