Kaalslag apotheken nog niet ten einde: “Er zitten twee kanten aan de medaille”

FarmaMagazine_MedailleNee, de openbare apotheek zal niet verdwijnen. Daarover zijn Jan Dirk Jansen, algemeen directeur van Pluripharm, en Frits Offermann, bestuurder bij de stichtingen VNA (Verenigde Nederlandse Apotheken) en VZA (Vereniging Zelfstandige Apothekers), het volledig met elkaar eens. En ze gaan er ook beiden vanuit dat er een toekomst is voor de zelfstandig gevestigde apotheker.

“Kijk je naar de lijstjes van uitstervende beroepen, dan zie je dat de apotheker daar nooit opstaat”, zegt Offermann, zelf eigenaar geweest van twee apotheken. “Apotheken vervullen ook een essentiële functie natuurlijk. Je kunt waarschijnlijk alles wel automatiseren, maar kennisoverdracht blijft toch mensenwerk. Wel staat het aantal apotheken onder druk. In dorpen waarin voorheen vier apotheken gevestigd waren, zie je nu dat de apothekers zijn gaan samenwerken en twee vestigingen hebben gesloten. Die kaalslag is gaande en die is beslist nog niet ten einde. De zorgverzekeraars hebben steeds gezegd dat vierhonderd apotheken moeten verdwijnen en ze dwingen ook af dat dit gebeurt. Kleine apotheken krijgen steeds meer moeite de begroting rond te krijgen. Voor de patiënt kan de ontwikkeling betekenen dat hij verder moet reizen en met langere wachttijden in de apotheek te maken krijgt door grotere patiëntenaantallen en bezuinigingen op het personeel. Een mogelijk voordeel is dat apotheken zich zullen gaan specialiseren of hun dienstverlening uitbreiden. Er zitten dus twee kanten aan de medaille.”

Veranderende rol
Jansen verwacht dat de rol van de apotheek als laagdrempelige vraagbaak in de wijk op het gebied van medicijnen en gezondheid intact zal blijven. “Ook voor zelfzorg en preventie kan de apotheek een belangrijke rol vervullen voor patiënten”, zegt hij. “De rol van de apotheek zal wel veranderen. De opbrengsten uit distributie zullen verminderen en die uit zorg groeien, al zal dat in de huidige markt niet heel snel gaan. Maar door de schaalvergroting zal het aantal patiënten per apotheek toenemen, waarmee de mogelijkheden verbeteren om meer aan zorg te doen en daarmee inkomen te genereren. Aan het verstrekken van medicatie aan een chronische patiënt die steeds weer hetzelfde doosje komt halen, kun je niet zoveel waarde toevoegen. Die meerwaarde zit vooral in spoedmedicatie, in uitleg over geneesmiddelengebruik, in het beheren en bewaken van het totale dossier van de patiënt en in het overleg met de voorschrijvers. Ik vind dat we ons daarop moeten blijven focussen. Probleem is wel dat de zorgverzekeraars maar mondjesmaat bereid zijn om te investeren in zorg. Apothekers moeten elke keer eerst met bewijzen komen dat wat zij doen kosten bespaart en waarde toevoegt voor de patiënt. Volgens mij schieten zorgverzekeraars hierin regelmatig door.”

Onafhankelijk van elkaar functioneren
In de apotheker als farmaceutisch consulent van – of in dienst van – de huisarts zien beiden niets. “Waarom zou je?”, zegt Jansen. “Ik zie de ratio erachter niet. Waarom zou de huisarts in deze samenwerking per se de baas moeten zijn?” Offermann is op inhoudelijke grond tegen: “Het goede aan het huidige systeem is dat beide partijen daarin onafhankelijk van elkaar functioneren. Meer apotheekhoudende huisartsen die voorschrijven wat ze op de plank hebben liggen en op de plank hebben liggen wat ze voorschrijven, is niet wenselijk. In dienst zijn van een andere beroepsbeoefenaar kan voor de apotheker tot compromitterende belangen leiden. De meerwaarde van de apotheker zit in de zorg die hij kan bieden aan zijn patiënten. Dat hij primair wordt betaald voor de terhandstelling is onfortuinlijk, maar zal in de huidige markt niet snel veranderen. Gaan werken als farmaceutisch consulent voor de huisarts gaat daarvoor niet de oplossing bieden. Contractvrij werken evenmin. Het geval Breskens heeft laten zien dat dit nagenoeg onmogelijk is.”

Samenwerking tussen apothekers
Wat wel een steeds grotere rol gaat spelen, stelt Offermann, is samenwerking tussen apothekers. “De eenpitter heeft een groter geheel nodig, alleen al om het contract met de zorgverzekeraar rond te krijgen”, zegt hij. Jansen deelt die mening en ziet op basis van dit uitgangspunt nog voldoende toekomst voor die zelfstandige eenpitter. “Zelfstandigheid is prima voor de apotheker”, zegt hij. “Het is zijn winkel. Dat voelt toch anders dan bij de ketens waarin de apotheker in loondienst is. Een zelfstandige apotheker werkt vaak net dat beetje harder en zit bovendien doorgaans zijn hele werkzame leven op dezelfde stek. Daarmee kan hij een hechtere relatie opbouwen met de patiënten en huisartsen en het lokale netwerk en zijn positie daarin beter bewaken. Ik zie vooral meerwaarde in collectieven van zelfstandige apothekers, omdat die lokaal vaak meer voor elkaar krijgen dan collectieven die onderdeel zijn van een apotheekketen met apothekers in loondienst.”

Selectief contracteren
Offermann ziet een potentieel nadeel in collectieven. Hij legt uit: “Kijk naar het samengaan van Benu en Mediq. Daaruit is een nieuwe partij ontstaan die zó groot is dat het echt een gamechanger kan worden. Als die ontwikkeling doorzet – en die schaalvergroting zet door, dat leidt geen twijfel – dan komt er een moment dat zorgverzekeraars selectief zullen gaan contracteren met ketens of formules die een landelijke dekking bieden. Daar zou ik geen voorstander van zijn, want die contractering is dan primair financieel gedreven. Het is de beroepsuitoefening die centraal moet staan. Maar als die selectieve contractering er eenmaal komt, dan ben je als eenpitter bijna verplicht om je daarbij aan te sluiten om nog te kunnen worden gecontracteerd. En dan krijg je een situatie waarin de zorgverzekeraar betaalt aan de hoofdaannemer – de keten of formule – en waarbij die hoofdaannemer in de distributie van dat geld een onderverdeling gaat maken op basis van door hemzelf opgestelde kwaliteitseisen. Ik weet niet of die ontwikkeling tegen te houden is, maar ik vraag me wel af of die wenselijk is.”

Gezag en respect
Heeft de patiënt door dat die met een keten of formule te maken heeft, of laat die zich gewoon door de huisarts naar de apotheek dirigeren waar die het recept heen stuurt? “De patiënt vindt vooral de bereikbaarheid van de apotheek en de wachttijd belangrijk”, zegt Offermann. De grootste sturing is niet de huisarts, maar de locatie van de apotheek. Dat kan een gezondheidscentrum zijn, waarin de apotheek naast de huisartsenpraktijk zit, maar voor hetzelfde geld een vestiging in een goed lopend winkelcentrum. En als die locatie goed is, is de patiënt trouw. Die gaat – ook als hij ontevreden is – gewoon naar ‘zijn’ apotheek. De vrije apotheekkeuze wordt nog steeds niet zo ervaren.”

Jansen vindt dat apotheken zich helemaal niet hoeven te profileren met een merknaam van een keten of formule. “Het gezag en respect dat je bij de patiënt en de arts afdwingt, heeft niets met die naam te maken, maar met het feit dat je patiënten professioneel zorg levert, met ze meeleeft en samen met de huisarts vormgeeft aan de integrale zorg in de eerste lijn. Ook in dit verband helpt ‘one size fits all’ van strakke landelijke formules niet echt. De inrichting van integrale zorg wordt vaak lokaal en regionaal ingestoken en varieert dus van plaats tot plaats.”

Offermann wil afsluitend nog graag toevoegen dat openbare apothekers ondanks de bestaande bedreigingen niet teveel moeten somberen. “Er liggen nog zoveel kansen die we kunnen benutten”, zegt hij. “We hebben goede standaarden als uitgangspunt voor de zorg voor onze patiënten en op basis van patiëntendata en farmacogenetica zijn we steeds beter in staat de zorg aan te passen aan de individuele patiënt. Dat vergt wel inzet van kennis, kunde en technologie, maar dan is echt veel mogelijk. Op vakbeurzen zie je al aanbieders met printers die medicijnen individueel voor patiënten kunnen printen. De techniek van 3D-printen maakt het zelfs mogelijk de dosering helemaal in te stellen op de individuele patiënt. Als de openbare apotheken die kansen gaan benutten, geven ze niet alleen de zorg een kwaliteitsimpuls, maar zetten ze ook de hele logistiek op zijn kop. Dan ontstaan heel andere vormen van distributie, en gaat het speelveld van de openbare apotheken er dus ineens duidelijk anders uitzien.”

Tekst: Frank van Wijck

 

Gerelateerde berichten

Auteur: redactie
Categorie: E03
Tags: , , , ,

1 Reactie

  1. “De techniek van 3D-printen maakt het zelfs mogelijk de dosering helemaal in te stellen op de individuele patiënt”

    Het individueel bereiden en doseren van medicijnen is altijd al een kerntaak van de apotheker geweest. Farmaceutische Technologie en Artsenijbereidkunde zijn al decennia lang in het opleidingspakket van de apotheker opgenomen.

    Alleen de drugsmaffia zit wellicht te wachten op een 3D-printer die cocaineboletjes uitspuugt.

    Plaats een Reactie

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *