Kunnen apothekers helpen met praktijkopvolging huisartsen?

Openbare apothekers kunnen door uitbreiding van het aantal eerstelijns gezondheidscentra een sleutelrol vervullen in de problematiek van praktijkopvolging onder huisartsen, stelt adviseur Hans Hof. De beroepsverenigingen van zowel de huisartsen als de apothekers zien potentiële waarde in dit voorstel. Maar ook de overheid (landelijk en regionaal) en de zorgverzekeraars moeten hun rol oppakken.

‘Red de lege praktijken’ kopte het toenmalige tijdschrift De huisarts in praktijk van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) in 2003. In dit artikel vertelde huisarts Rien Steenstra, toen voorzitter van districtshuisartsenvereniging Groningen, dat in die regio al in 1998 onderzoek was gestart naar de opvolgingsproblematiek. Ella Kalsbeek, voorzitter van de LHV, zegt het probleem van praktijkopvolging maar al te goed te kennen. “Tekorten aan huisartsen doen zich in de loop der jaren in allerlei vormen, waaronder tekorten aan praktijkopvolgers, geregeld voor”, zegt ze. “Soms is dat zeer lokaal en/of slechts tijdelijk, en soms is het een langduriger en breder probleem. Zo kan het dus voorkomen dat de problemen van twintig jaar geleden destijds zijn opgelost, maar dat er nu opnieuw tekorten aan huisartsen zijn of dreigen te komen. De Huisartsenkringen – de lokale vertegenwoordigingen van de LHV – zijn op allerlei plekken in het land nauw betrokken bij de aanpak van deze problematiek. De laatste tijd nemen de signalen die we als LHV hierover krijgen echter dermate toe, dat we de indruk hebben dat het probleem groter aan het worden is en het niet puur regionaal meer op te lossen is. Het beperkt zich ook niet tot de krimpregio’s, maar doet zich ook voor in andere gebieden, in steden en in achterstandswijken.”

Actieve rol voor de apothekers
Regionaal oplosbaar of niet, het is in ieder geval niet op te lossen door de huisartsen of hun beroepsvereniging alléén, stelt Hans Hof van Healthcare
Management Consultancy (advisering en begeleiding van apothekers). Hij poneert de stelling dat apothekers een actieve rol kunnen spelen om bij te dragen aan een oplossing voor het opvolgingsprobleem van huisartsen, specifiek in wat formeel krimp- en participeergebieden heet. “De kern hiervoor is uitbreiding van het aantal eerstelijns zorgcentra”, stelt hij. En de apothekers hebben hier ook een belang bij, stelt hij, want ze zijn afhankelijk van de voorschrijver, de huisarts dus. “Maar het dient uiteindelijk een groter belang”, zegt hij, “namelijk de leefbaarheid in een aantal gebieden in het land. Je kunt wel huisartsenpraktijken proberen te steunen, maar als je ze niet inbedt in een regionaal of lokaal aantrekkelijke leefomgeving, los je het probleem niet op. Dat doe je ook niet door alleen de beschikbaarheid van geneesmiddelen veilig te stellen. Je maakt het dan niet aantrekkelijk om naar die locatie te komen en er te blijven.”

Hof trekt een vergelijking met het bedrijf Spar, dat het belang inziet van overeind blijven in kleine gebieden. Spar Holding bv heeft met het ministerie van Binnenlandse Zaken een convenant gesloten, een intentieverklaring met betrekking tot de leefbaarheid in de krimp- en participeergebieden op basis van de pijlers wonen, werk en welzijn. “Die samenhang is ook nodig”, zegt hij, “want anders blijf je hangen in deeloplossingen. En die betekenen ook een ondergraving van de positie van de openbare apotheker. Om de apotheekfunctie levensvatbaar te houden in die krimp- en participeergebieden moet ook aan diezelfde drie pijlers worden gedacht.”

Vinger in de dijk
Tegen dit standpunt van Hof valt in te brengen dat de zorgverzekeraars de verplichting hebben om continuïteit van zorg te bieden. “Dat is ook het standpunt van het ministerie van VWS naar aanleiding van het NRC artikel over huisarts Frits Krijnen in Balk, eind december vorig jaar, die al vijf jaar geleden met pensioen wilde”, zegt hij. “Maar je kunt de zorgverzekeraar daar niet volledig mee opzadelen, het is een beetje de vinger in de dijk. Feitelijk draag je zo’n zorgverzekeraar dan op het behoud van de leefbaarheid van het platteland te waarborgen. Dat kan die niet.”

Maar welke oplossing gaan eerstelijns zorgcentra dan bieden? Hof: “Die vormen in gemeenten die voldoende groot zijn een mogelijkheid voor oudere mensen om daar op verantwoorde wijze te blijven wonen. Die optie is levensvatbaar voor dorpskernen met circa 6.000 inwoners en een verzorgingsgebied van zo’n 10.000, dat is voldoende om ook een basis winkelaanbod overeind te houden.” Toch is het wel een beetje ironisch dat Hof nu de apothekers aanwijst als degenen die met zorgcentra de huisartsen te hulp moeten schieten. Toen in de jaren negentig de gezondheidscentra opkwamen en de huisartsen de vraag kregen of in zo’n centrum ook een apotheek zou worden gevestigd, luidde het antwoord soms ‘Nee, het is al moeilijk genoeg zo’. “Herkenbaar”, zegt Hof, “maar sinds die tijd heeft zich wel een ontwikkeling voltrokken. De partijen accepteren elkaars aanwezigheid in die centra nu, het wordt algemeen gezien als de logische oplossing. In de meeste van die centra zitten nu ook openbare apotheken. Wel blijft dan nog één probleem over: je moet in zo’n krimp- of participeergebied ook de partner iets te bieden hebben. Die stelt het op prijs als er een stad in de buurt is met een cultureel aanbod. Er moet dus ook een openbaar vervoer structuur intact gehouden worden. Bovendien moet huisvesting worden geboden.”

Een goed idee, maar…
Gerben Klein Nulent, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) ziet wel wat in de stelling van Hof. “Bevordering van de opzet van gezondheidscentra als bijdrage aan voorkoming van een huisartsentekort zal zeker helpen”, zegt hij. “Daar waar apothekers kunnen bijdragen is dat dus zeker waardevol. Het zou me verbazen als apothekers in het regionale veld hier niet al mee bezig zijn, maar waar stimulering kan worden geboden aan die ontwikkeling lijkt me die beslist waardevol.” Tegelijkertijd vraagt hij zich af of het genoeg is. “Natuurlijk bestaat het probleem van praktijkopvolging onder huisartsen al langer en er is ook wel aandacht voor, maar die is nog te weinig gestructureerd” zegt hij. “Het is wel een probleem waar wij als beroepsvereniging met de LHV over in gesprek zijn. Maar wat je nogal eens ziet is dat in een dorp waar geen opvolging voor een huisarts te vinden is ook de winkels al verdwenen zijn. De inwoners gaan dan al naar de stad voor hun boodschappen en daar gaan ze dan ook maar meteen naar de apotheek. Wie stapt dan als eerste in om de leefbaarheid van zo’n dorp een impuls te geven? Ik denk dat daarin ook een taak voor de overheid ligt.”

Ook de LHV is van mening dat een meer gestructureerde aanpak van de problematiek nodig is dan thans bestaat. Kalsbeek zegt: “Het ontbreekt nog aan goede landelijke monitoring van de problematiek en haar oorzaken. Om die reden hebben we als LHV aangeklopt bij het ministerie van VWS. Daaruit is de afspraak voortgekomen dat we als LHV en VWS gezamenlijk een breed onderzoek gaan doen naar de oorzaken van allerlei vormen van huisartsentekorten – zoals het tekort aan praktijkopvolgers, aan waarnemers, enzovoort – en vooral ook zodanig dat we daarmee concrete oplossingen in handen krijgen.” Ze is het eens met de stelling van Hof dat de aanpak van het probleem naar alle waarschijnlijkheid breder zal moeten zijn dan alleen de huisartsenzorg. Het zal inderdaad zoals hij stelt ook niet door de zorgverzekeraars alleen op te lossen zijn”, zegt ze. “Daarom zetten we lokaal, regionaal en landelijk in op samenwerking met alle relevante partijen om te zorgen dat patiënten overal kunnen rekenen op goede, beschikbare huisartsenzorg. Samenwerking binnen de eerstelijnszorg – waaronder de apothekers – en met de tweedelijnszorg is daarin zeer welkom.”

Middelen reserveren en praktisch blijven
Hoe breder de aandacht voor de problematiek hoe beter, vindt uiteindelijk ook Hof. “Het is een probleem dat om aandacht vraagt van de gemeente en de provincie, maar ook op landelijk niveau. Nu wordt geld beschikbaar gesteld om mensen naar de zorg toe te trekken, vooral voor de care. Beleg een deel van dat geld om de zorg overeind te houden in die krimp- of participatiegebieden, waar dit niet vanzelfsprekend is. Concentreer je daarbij op die gebieden waar het realistisch is, je kunt niet alle dorpen redden. En probeer niet het wiel opnieuw uit te vinden, er liggen al oplossingen voor het probleem. Kijk bijvoorbeeld naar de Ommelanden Ziekenhuis Groep in Noordoost- en Oost-Groningen. Een onderdeel hiervan is de polikliniek in Delfzijl, met daaraan gekoppeld een gezondheidscentrum. Diezelfde oplossing zie je in Zeeuws-Vlaanderen ook.” ❦

Tekst: Frank van Wijck

Dit artikel verscheen eerder in FarmaMagazine mei 2018

 

 

 

Gerelateerde berichten

Auteur: redactie
Categorie: 2018
Tags: , , , ,

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *