MeMO Astma/COPD: Onderzoek bevestigt waarde FPZ-interventies bij astma en COPD

Apotheker-Anne-Margreeth-Krijger_FarmaMagazineHet Medicatie Monitoring en Optimalisatie (MeMO) programma van Health Base en PharmaPartners verbetert de controle en ziektelast van astma- en COPD-patiënten. Dat blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat is uitgevoerd in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen.  Apotheker Anne-Margreeth Krijger van Apotheek Stevenshof brengt het programma in de praktijk.

“Je screent de hele populatie en vist diegenen eruit die lijken te ontsporen. Alleen die patiënten roep je op. Dat is het mooie van Medicatie Monitoring en Optimalisatie bij astma en COPD. Je bent heel gericht bezig. Dat is veel effectiever en beter uitvoerbaar dan het oproepen van alle gebruikers voor een medicatiebeoordeling of inhalatiecontrole”, betoogt Krijger. Met zes andere apotheken nam Apotheek Stevenshof deel aan de oriënterende studie naar het effect van FPZ-interventies bij patiënten met suboptimale farmacotherapie bij astma en COPD. De uitgevoerde interventie is onderdeel van het programma Medicatie Monitoring en Optimalisatie (MeMO); een door apotheekinformatiesysteem Pharmacom ondersteunde werkwijze om het geneesmiddelgebruik van patiënten te optimaliseren. Health Base ondersteunt de apotheken bij de uitvoering.

Meer programma’s, één principe
Apotheek Stevenshof gebruikt MeMO al langer voor het begeleiden van het gebruik van osteoporosemedicatie, cardiovasculaire medicatie en medicatie bij diabetes mellitus II. Ruim twee jaar geleden kreeg Anne-Margreeth Krijger het verzoek om mee te doen aan de studie naar het effect van FPZ-interventies bij astma en COPD. “Net in de drukste maanden van het jaar, dus ik moest er wel even over nadenken. De MeMO-trajecten volgen hetzelfde principe en zijn goed in te passen in het dagelijkse werk, maar je moet wel de tijd nemen om een nieuw programma goed op poten te zetten. Je volgt de patiënten namelijk in de tijd. En deelname aan een studie brengt altijd extra administratie met zich mee.”

Training
Het MeMO-programma astma en COPD start met een Health Base-training van twee dagdelen over de optimale farmacotherapie, het gebruik van de Astma Control Questionnaire (ACQ) en de Clinical COPD Questionnaire (CCQ), het maken van selecties, het beoordelen van medicatieprofielen en de uit te voeren interventies.  “Er is een wezenlijk verschil tussen het realiseren van optimale farmacotherapie bij astma en bij COPD. Bij astma ligt de nadruk op het juiste gebruik van inhalatiecorticosteroïden naast de luchtwegverwijders, terwijl je bij COPD juist focust op de therapietrouw bij luchtwegverwijders. Daarom moet je voor een goede begeleiding de diagnose weten.” Stevenshof vraagt deze na bij de patiënt en verifieert de diagnose zo nodig bij de behandelend arts.

Eerste en tweede uitgiftebegeleiding
De uitvoering  van het MeMO-programma begint bij de eerste en tweede uitgiftebegeleiding. “Dat doen we met het hele team. Met de uitgiftebegeleiding van Health Base in Pharmacom geven we allemaal dezelfde informatie. Omdat het moment van de tweede uitgifte bij inhalatiemedicatie variabel is, maken we met deze patiënten een afspraak voor een tussenevaluatie. Die tussenevaluaties en de tweede uitgiftes bij astma en COPD, leggen we vast in een actiepunt. Dat resulteert per dag in een lijstje van mensen die we telefonisch benaderen voor een evaluatie.”

Maandelijks screenen op suboptimale farmacotherapie
Apotheek Stevenshof draait iedere maand een MeMO-selectie in Pharmacom, waarbij patiënten naar voren komen met indicatoren voor een suboptimale farmacotherapie.  Voor astma zijn dat mensen jonger dan 50 die veel kortwerkende luchtwegverwijders gebruiken zonder inhalatiecorticosteroïden of waarbij de inhalatiecorticosteroïden niet goed gebruikt lijken te worden. Voor COPD gaat het om mensen ouder dan 50 die per jaar twee of meer kuren orale corticosteroïden gebruiken en geen inhalatiecorticosteroïden, of waarbij sprake lijkt van suboptimaal gebruik van inhalatiecorticosteroïden of luchtwegverwijders.

Kwaliteit van leven
“Vervolgens analyseer ik de medicatieprofielen van deze patiënten. “Dat levert per maand 10 tot 20 patiënten op waarmee wat aan de hand lijkt te zijn. Eén apothekersassistente voert de interventies uit. “Voor inclusie in het onderzoek hebben we dat beperkt tot 1 of 2 patiënten per maand, omdat we daarvoor veel meer moesten invullen dan voor het reguliere MeMO-traject. Heel waardevol is het afnemen van de ACQ en de CCQ. Dat doen we voor de interventie en een aantal maanden daarna. Je krijgt daarmee een hele goede indruk van de ervaren kwaliteit van leven in de voorgaande week en of deze verbeterd of verslechterd is ten opzichte van de vorige meting.”

Inhalatietechniek vaak boosdoener
De interventies variëren, maar volgens Krijger valt er een wereld te winnen met het verbeteren van de inhalatietechniek. “Dat speelt 9 van de 10 keer een rol. Vorige week hadden we nog een COPD-patiënt die na een maand een enorme verbetering op de CCQ liet zien, puur door het verbeteren van zijn inhalatietechniek.” Vooral COPD-patiënten reageren enthousiast op de begeleiding die de apotheek aanbiedt. “Ik vermoed dat dit komt doordat COPD progressief is en met name de ernstiger vormen meer benauwdheid veroorzaken. Bovendien ligt de gemiddelde leeftijd van de patiënten hoger.”

Transparant voor verzekeraars
Ook na afronding van de interventie blijven patiënten in beeld. “Als ze terugvallen duiken ze vanzelf weer op in de maandelijkse selectie. We leggen alles wat we doen met EPD-maskers vast in Pharmacom en bouwen zo een overzichtelijk en gestructureerd dossier op van onze patiënten.” Die efficiënte, resultaatgerichte aanpak bevalt Krijger goed en is transparant voor zorgverzekeraars. Via de Coöperatie Apotheken Connecting Care (CACC) zijn er inmiddels contractafspraken voor bijna alle MeMO-programma’s die de aangesloten apotheken doen.

 

Onderzoeksresultaten
De interventiestudie naar het effect van FPZ-interventies bij astma en COPD is uitgevoerd bij zeven apotheken tussen januari 2012 en maart 2013. In het onderzoek zijn 31 patiënten geïncludeerd waarbij een complete follow-up is uitgevoerd. Deze duurde minstens drie maanden. Voor het meten van de ervaren kwaliteit van leven en klinisch relevante verbetering is gebruikgemaakt van gevalideerde vragenlijsten: de Astma Control Questionnaire (ACQ) en de Clinical COPD Questionnaire (CCQ).

Resultaat:
– Bij astma-patiënten is klinisch relevant en significant verschil gevonden in de ACQ-score voor en na interventie
– Bij COPD-patiënten was er wel een verschil, maar niet significant
– 44% van de astma-patiënten bereikte klinisch relevante verbetering
– 46% van de COPD-patiënten bereikte klinisch relevante verbetering
– 13 patiënten gebruikten hun ICS na 3 maanden beter, dit betekende start van gebruik of continuering van gebruik met hogere therapietrouw
– 8 patiënten gebruikten na 3 maanden minder luchtwegverwijders
– bij 6 patiënten heeft de voorschrijver de ICS-dosering aangepast

Conclusie:
Gericht interveniëren bij astma/COPD-patiënten op basis van hun medicatiegebruik en ziektelast biedt mogelijkheden voor doelmatige FPZ. Om dit te bevestigen, doet de Rijksuniversiteit Groningen vervolgonderzoek naar de kosteneffectiviteit van FPZ-interventies bij COPD en astma.

 

Tekst: Margriet van Lingen

Gerelateerde berichten

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *