Pil zoekt trouw

pil zoekt trouwDe eerste lijn krijgt een steeds prominentere positie in de gezondheidszorg. Huisartsen en apothekers moeten intensiever samenwerken om de kwaliteit van de zorg hoog te houden. Deze overtuiging was voor de Vereniging Jonge Apotheker (VJA) en de Landelijke Organisatie van Aspirant Huisartsen (LOVAH) in 2015 reden om gezamenlijk een symposium te organiseren. Een initiatief dat zeker voor herhaling vatbaar was. En dat gebeurde. Op 30 januari jl. was er het tweede gezamenlijke symposium met als titel: Pil zoekt trouw – Hét recept voor een goed huwelijk.

Het is duidelijk: therapietrouw is het centrale thema. Maar tegelijk loopt het ‘huwelijk’ van de apothekers en huisartsen als een rode draad door deze bijeenkomst. Een onontkoombare verbintenis: apothekers en huisartsen staan voor dezelfde patiënten. Om deze patiënten goede zorg te kunnen bieden, is inzet op samenwerking absoluut noodzakelijk.

Dialoog aangaan
Dat was ook de kernboodschap van dagvoorzitter Ruud Coolen van Brakel, directeur Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM). Hij stelt dat in vergelijking met andere landen beide beroepsgroepen goed met elkaar overweg kunnen. “Toch is samenwerking nog steeds niet vanzelfsprekend”, stelt hij vast. “Dat komt onder andere doordat artsen en apothekers fundamenteel anders kijken naar de werkelijkheid. Dat is niet verwonderlijk. Artsen zijn opgeleid om in geval van twijfel te handelen. Apothekers daarentegen zijn opgeleid om in geval van twijfel juist niet te handelen.” Hij benadrukt: “Dat verschil moet je van elkaar weten, sterker nog: je moet het koesteren. Beide beroepsgroepen maken vanuit hun eigen professie deel uit van het systeem van checks and balances. Ze vullen elkaar goed aan en moeten in samenspraak keuzes maken.”

Coolen van Brakel is blij met het initiatief van VJA en LOVAH voor een gezamenlijk symposium. “Het IVM heeft vanaf het begin het FTO gestimuleerd, juist vanwege het grote belang dat apothekers en artsen elkaar treffen, kennis delen en afspraken maken. De FTO-groepen functioneren op een behoorlijk niveau. Het is zo zinvol op een bijeenkomst als dit symposium dat jonge professionals de dialoog met elkaar aangaan, elkaar beter leren kennen en van elkaar leren. Zo kom je tot waardering voor elkaars vak en de wens om samen stappen te zetten voor de verbetering van de zorg.” Zijn oproep: “Kijk waar de gezamenlijkheid zit en waar je verbinding kunt maken.”

Krachten bundelen
Therapietrouw noemt Coolen van Brakel een paraplubegrip. “Tegelijkertijd moet het op individuele basis worden bekeken en aangepast. Dat maakt het ingewikkeld. Er zijn talloze redenen waarom mensen niet therapietrouw zijn: onduidelijke instructies, vergeten, angst voor bijwerkingen, maar ook praktische zaken als gebruikersgemak. Hoe kun je patiënten motiveren, hen de zinvolheid en het nut van de therapie laten inzien? Therapieontrouw is een complex probleem, waarbij sprake is van ongelooflijk veel verspilling. Alleen door het bundelen van krachten tussen zorgverleners en de patiënt kan dit worden aangepakt.”

Onderzoek  therapietrouw
De presentatie van dr. Marcia Vervloet, senior onderzoeker NIVEL, gaat verder in op de complexiteit van therapietrouw. “Er zijn veel verschillende factoren van invloed. Uit onderzoek waarin de therapietrouw van een groep van bijna 17.000 patiënten (uit 95 studies) is bekeken over één jaar, blijkt dat 5% niet start met de behandeling. Van de resterende 95% volgde na één jaar nog maar 60% de behandeling, terwijl slechts 55% dit deed op een correcte wijze.” Opvallend is het verschil in therapietrouw bij chronische aandoeningen: die is bijvoorbeeld bij HIV aanzienlijk hoger dan bij diabetes. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de mate van de snel merkbare invloed van therapieontrouw op de kwaliteit van leven.

Ingrijpende gevolgen
De gevolgen van de therapieontrouw zijn echter zeer ingrijpend. Denk aan hoger zorggebruik vanwege ziekenhuisopnames en het beroep op acute zorg, risico op morbiditeit en mortaliteit en verminderde kwaliteit van leven. Bovendien leidt het tot veel hogere kosten voor de gezondheidszorg, naar schatting maar liefst zo’n 2,4 miljoen euro. “Therapietrouw is daarom een uitdaging”, stelt Vervloet nuchter vast. “Er zijn reeds veel interventies ontwikkeld, maar die zijn helaas weinig succesvol. Het valt ook niet mee om therapieontrouw te identificeren. Je kunt het rechtstreeks aan de patiënt vragen, maar het risico op een sociaal wenselijk antwoord is redelijk groot. Het meten van afhaaltrouw bij apotheken zegt ook niet alles. Er zijn mensen die weliswaar de medicatie ophalen, maar deze niet innemen.” Vervloet ziet meer in het elektronisch monitoren. “Met een elektronisch medicijndoosje dat de datum en tijdstip van openen registreert, kun je zien hoe vaak deze is geopend en zo het innamepatroon detecteren. Maar dat is wel een dure methode en niet handig zodra iemand meerdere medicijnen gebruikt.” Peinzend vraagt ze: “Wordt de microchip pil dan de toekomst? Waarbij de microchip, als deze in het spijsverteringskanaal komt, een signaal afgeeft die opgepikt wordt door een sensor (pleister) die men opplakt? Het is maar zeer de vraag of patiënten dat willen.”

Tal van redenen
Er zijn veel verschillende oorzaken, zowel intentioneel (zoals bewust niet innemen, angst voor bijwerkingen, bang medicatie-afhankelijk te worden e.d.) als niet-intentioneel (bijvoorbeeld te weinig kennis, vergeten, problemen met de verpakking e.d.). “Om de reden van de therapieontrouw te achterhalen, is het belangrijk om in gesprek te gaan met de patiënt”, stelt Vervloet. “Wat zijn de barrières?  Probeer die te achterhalen door het stellen van open vragen, vanuit oprechte interesse.” Ze eindigt haar presentatie met een waarschuwing. “Het betreft een dynamisch proces. Iemand die vandaag therapietrouw is, kan morgen therapieontrouw worden. Dat betekent dat artsen en apothekers er steeds alert op moeten zijn en regelmatig navraag moeten doen bij patiënten.”

Workshops
De deelnemers hadden de keuze uit zes workshops. Bij elke workshop gingen de jonge apothekers en artsen met elkaar aan de slag. In discussies en rollenspellen werd het onderwerp verder uitgediept.  Vervolgens werden de uitkomsten per workshop gepresenteerd in een plenaire bijeenkomst.

Laaggeletterdheid:  Het aantal laaggeletterden neemt toe en ze verspreiden zich over het land, waardoor steeds meer apothekers en artsen ermee te maken krijgen. De opleiding biedt te weinig scholing om hiermee om te gaan.

FTO:  Het is prima dat de patiënt twee maal informatie krijgt rondom therapietrouw, maar dan moet het wel dezelfde boodschap zijn. Afstemming daarover tussen arts en apotheker is noodzakelijk. In het FTO kunnen daarover afspraken worden gemaakt.

Technologie: Het moet mogelijk zijn om een tool te ontwikkelen, zodat op de tv een prikkelende boodschap langskomt om het gedrag van een inactieve kijker te beïnvloeden. Een zogeheten ‘window of opportunity’, echt afgestemd op de betreffende persoon.

Polyfarmacie: Er moet gerichte aandacht zijn voor deprescribing. Niet alleen medicatie erbij, maar vooral ook kijken wat niet nodig is en dat middel schrappen. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor huisartsen en apothekers.

Patiëntenparticipatie:  “Artsen en apothekers zouden 24 uur per dag beschikbaar moeten zijn via apps of e-consult. Zorgverleners moeten af van het ouderwetse denken”. Deze uitkomst van de workshop leidde in de zaal tot veel discussie. Voegt de mogelijkheid van 24-uurs bereikbaarheid iets toe aan betere therapietrouw?

Intervisie: Samenwerken tussen huisartsen en apothekers begint met communicatie. Intervisie is een laagdrempelig platform om met elkaar in gesprek te gaan, standpunten uit te wisselen, te komen tot reflectie en zelfreflectie.
Zeer vermeldenswaardig is het feit dat een aantal deelnemers van de workshop Intervisie met elkaar een interdisciplinaire intervisiegroep heeft gevormd!

Gelijkwaardige samenwerking
De deelnemers kijken met een goed gevoel terug op het symposium. Zoals een van hen opmerkte: “Het moet bij huisartsen en apothekers gaan om een gelijkwaardige samenwerking. Als je elkaar ontmoet, ontstaat er veel meer begrip over en weer. Het is goed om meer te weten van de andere beroepsgroep, het gaat er tenslotte om hoe we gezamenlijk de zorg kunnen verbeteren.”

Definitie therapietrouw
De WHO heeft in 2003 het begrip therapietrouw als volgt gedefinieerd: ‘Mate waarin een patiënt de met de zorgverlener overeengekomen behandeladviezen (o.a. rond medicatie) opvolgt.’  

 

Tekst: Gerda van Beek

 

 

 

Gerelateerde berichten

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *