Ruud Coolen van Brakel over het FTO en de farmacotherapeutische zorg

Ruud-Coolen-FarmaMagazineZorgverzekeraars moeten zorgvuldig zijn om met kwaliteitsindicatoren zorgverleners af te rekenen op hun presteren. En het FTO is iets van huisarts en apotheek. De wijkverpleegkundige moet hier niet aanschuiven. Ruud Coolen van Brakel over de staat van de farmacotherapeutische zorg in het land.

Ruud Coolen van Brakel is al jaren de eerste man bij het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik. Het IVM heeft als doel zorgdragen voor een goed, veilig, en betaalbaar medicijngebruik in ons land.

Hij profileert zijn club als onafhankelijke en neutrale partij die farmaceutische kennis verspreid om de farmaceutische zorg, het voorschrijfgedrag en de medicatieveiligheid te verbeteren.
Ruud Coolen van Brakel is de personificatie van dit doel. Een flamboyante man die vanuit zijn thuisbasis in een Waals kasteeltje zijn gevecht voert tegen de lobby van de industrie en de macht van zorgverzekeraars, overheid en de zorgprofessionals zelf.

Hoe is het gesteld met de farmacotherapeutische zorg?
“Door de bank genomen gaat het goed met de farmacotherapeutische zorg in ons land. We hebben een populatie huisartsen die goed is opgeleid, die kritisch en terughoudend is. En we hebben deskundige en klantgerichte apothekers, die beschikken over voldoende digitale toepassingen om de veiligheid van medicatie te borgen. Doorgaans krijgt de patiënt dan ook op het juiste moment, de juiste medicatie, met de juiste waarschuwing. Maar de zorg rond polyfarmacie en specifieke medicatie moet beter. Denk daarbij aan psychotrope geneesmiddelen of antipsychotica bij dementerenden. Daar gaat het nog te vaak mis. En de ‘reden van voorschrijven op recept’? Ik zie het nog nauwelijks in praktijk gebracht, zelfs niet voor de 23 middelen waarvoor dit wettelijk is verplicht.”

Waarom gaat het daar mis?
“Stakeholders als industrie, zorgverzekeraar, overheid en de beroepsbeoefenaren oefenen allemaal invloed uit op de zorg, maar de patiënt, waar het om gaat, heeft de minste invloed. Bovendien benaderen we farmacotherapie te veel als een exacte wetenschap. Natuurlijk, kennis over bijvoorbeeld farmacodynamica is belangrijk, maar een hoge mate van therapietrouw hangt ook af van het gemak waarmee een patiënt die pil uit de verpakking krijgt. We moeten dus de patiënt een prominentere rol geven, meer luisteren naar de behoeftes en ervaringen van de patiënt.”

Volgens Coolen van Brakel moeten zorgverleners uitkijken besluiten te nemen op basis van opgeslagen patiëntengegevens “Zorgverleners maken zich afhankelijk van data over bijvoorbeeld medicatiegebruik van patiënten. We hebben inderdaad veel informatie opgeslagen, maar de informatie is verre van compleet. Het elektronisch patiëntendossier is gereduceerd tot een landelijk schakelpunt. Dat landelijk schakelpunt werkt echter nog niet. In welke instelling, praktijk of apotheek je ook gaat kijken, nergens is een dossier van de patiënt helemaal compleet. We lopen het risico dat zorgverleners zich blindstaren op data in een systeem dat nog niet werkt. En ondertussen vergeten zelf na te denken.”

Hoe verloopt dan de samenwerking tussen artsen en apothekers?
“Huisarts en apotheker vullen elkaar goed aan. Een apotheker is geen diagnosticus en een huisarts is geen geneesmiddelspecialist. Zwart-wit: Een arts is opgeleid om in geval van twijfel te handelen, terwijl de apotheker juist bij twijfel niet handelt. In samenspraak moeten zij keuzes maken. In mijn ogen doen ze dat behoorlijk goed. Kijk naar het farmacotherapeutisch overleg. De overheid heeft deze vorm van samenwerking niet opgelegd aan de sector. De sector heeft het FTO zelf georganiseerd. De 850 FTO-groepen functioneren dan ook gemiddeld op een behoorlijk niveau. Ook verzekeraars nemen de kwaliteit van het FTO mee in de contractering.”
Nu de zorg naar de wijk gaat moet ook de wijkverpleegkundige deelnemen aan het FTO.
“De overheid wil dat wijkverpleegkundige deelneemt aan het FTO. Ik zet daar grote vraagtekens bij. Met de deelname van de wijkverpleegkundige verandert het karakter van dit overleg. Het FTO is bedoeld om kennis te verspreiden en te delen, geen instrument om samenwerking tussen alle zorgverleners te bevorderen. Veel inhoudelijke informatie die arts en huisarts bespreken is niet interessant voor de gemiddelde wijkverpleegkundige. Misschien kan hij of zij een keer per jaar aanschuiven om mee te praten over de onderlinge samenwerking, maar standaard deelnemen aan het overleg vind ik niet wenselijk.”

Wat vindt u nog meer onwenselijk?
“Nederland stopt alles in lijstjes. Patiënten moeten ook in een lijstje passen. Zo spreken overheid en verzekeraars van gemiddelde patiënten. Die gemiddelde patiënt moet baat hebben bij een gemiddelde behandeling. Naar de gemiddelde patiënt toe redeneren is echter gevaarlijk. Zorgverleners werken met richtlijnen en standaarden, maar niet met de gemiddelde patiënt. Het werk van een zorgprofessional is balanceren tussen ‘kunde en kunst’. 80 procent van wat een zorgverlener doet, is te herleiden tot kunde: de richtlijnen en de standaarden. Maar er moet zeker voor 20 procent ruimte blijven voor kunst: als het in belang is van de patiënt moet een zorgverlener kunnen afwijken van de richtlijnen en indicatoren. Ik merk dat er steeds minder ruimte ontstaat om af te wijken van wat standaard is. En dat baart me zorgen.”

Ondertussen rekenen zorgverzekeraars zorgverleners af met jullie indicatoren.
“Onze voorschrijfindicatoren maken inzichtelijk hoe huisartsen medicatie voorschrijven. Laten de cijfers zien dat huisartsen erg verschillen in het voorschrijven van bijvoorbeeld simvastatine dan kan er iets aan de hand zijn. Dat kan te maken hebben met de samenstelling van de patiëntengroep in die praktijk. Of misschien is er meer aan de hand. Op basis van de cijfers gaan huisartsen en apothekers met elkaar in gesprek. Wat kunnen we verbeteren? Het is een hulpmiddel om de uitwerking van de richtlijnen te bespreken: welke percentages afwijking mag je verwachten in deze wijk? Ik zie nu dat zorgverzekeraars huisartsen op basis van de indicatoren afrekenen. Dat is op zich voorstelbaar en verdedigbaar, maar daar waren onze indicatoren in aanleg niet voor bedoeld. Indicatoren zijn een kwaliteitsinstrument en geen afrekeninstrument. Zorgverzekeraars moeten daar dan ook zorgvuldig mee omgaan.”

Dat komt ervan als je zelf lijstjes maakt.
“Het risico is inderdaad dat ons land een lijstjesland wordt. Maar laten we ook niet naïef zijn. Er is nu eenmaal kwaliteitsverschil tussen de verschillende behandelaars. Niet iedere zorgverlener is even goed. Dat verschil moet je ook zichtbaar willen maken. Een rijschoolhouder is immers ook verplicht zijn slagingspercentage op de voordeur te spijkeren. Een initiatief als zorgkaartnederland.nl waarop de kwaliteit van de zorgverlener zichtbaar is juich ik dan ook toe.”

Zorgverzekeraars worstelen nog steeds met hun rol, stelt Coolen van Brakel. Aangespoord door de overheid om de regie te nemen hebben zij op veel vlakken veel bereikt. “Denk aan de inkoop van geneesmiddelen. Veel apothekers hebben daar last van gehad, maar er is wel veel geld bespaard. De behaalde winst zie je terug in de zorgpremies en in de innovatie van zorg. De grens wat zorgverzekeraars willen bereiken komt nu wel in zicht. De inkoop is te gesegmenteerd, de administratie te rigide. Gelukkig maken  zorgverzekeraars terugtrekkende bewegingen. Het veld is nu weer meer aan zet.”

Hoe moeten zorgverleners acteren in dat veld?
“Dat is een lastige opgave. Het zwaard van Damocles hangt continu boven het hoofd van zorgverleners: neem je nu geen actie, dan grijpt de zorgverzekeraar wel weer in. Bovendien bestaat de zorgsector uit 9.000 huisartsen, 2.000 apothekers en 20.000 medisch specialisten die gewend zijn te ondernemen, in vrijheid keuzes te maken en ook nog omzet willen halen. Dat laatste verhoudt zich slecht met een maatschappij die vraagt om optimale zorg tegen de laagste prijs. Ons zorgsysteem is nog steeds gebaseerd op solidariteit, maar de grens van solidariteit  is bereikt. Zelf vind ik het geen probleem om 100 euro meer premie te betalen voor bekostiging van de zorg voor Pompe-patiënten. Maar die 100 euro geef ik niet om het salaris van een paar ton van die specialist te betalen. Het zorgsysteem veranderen is moeilijk.”

Begrijpt u het zorgsysteem nog?
“Neem de nieuwe geneesmiddelen bij diabetes. Die werken niet beter, nemen 9 procent van het totaal aantal recepten bij diabetes in beslag, maar kosten maar liefst 69 procent van het budget. Hoe legitiem is dat? We zijn daarnaast hard op weg naar postcodegeneeskunde. Neem de overheveling van dure geneesmiddelen naar het ziekenhuis. Wie bepaalt of een patiënt in die regio deze dure geneesmiddelen krijgt? En ik vrees voor een ziekenhuis dat in oktober al door het budget heen is en artsen oproept om patiënten pas in januari op te laten nemen. Dat willen we toch niet.”

Wat moet er dan gebeuren?
“Goeie vraag. Willen we kosten en baten in evenwicht brengen, dan moeten we in ieder geval duidelijke afspraken maken, scherp onderhandelen en keuzes maken. Nieuwe middelen tegen hepatitis C zijn weliswaar schaamteloos duur, maar we praten wel over de eerste effectieve therapie in plaats van een levertransplantatie. Medicatie of operatie? Bij het beantwoorden van die vraag hoort keihard onderhandelen over de prijs.”

Handen ineen
Zorginstituut Nederland, het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, bijwerkingencentrum Lareb, het tijdschrift Gebu en het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) slaan de handen ineen. Samen gaan de vijf de informatievoorziening over nieuwe geneesmiddelen aan huisarts en apotheker verbeteren. Doel is om kennis te bundelen en onafhankelijke informatie beter te ontsluiten. In eerste instantie via het Farmacotherapeutisch Kompas, maar ook in bijvoorbeeld het Medicijn Journaal waarin het IVM nieuwe geneesmiddelen belicht. De samenwerking wordt op 27 mei beklonken.

Tekst: Niels van Haarlem
Fotografie: Frank Groeliken

Gerelateerde berichten

  • Drijfveren: Code A49.02Drijfveren: Code A49.02 “De rode draad in mijn leven is dat ik langs een slootje loop en naar de overkant spring waar ik andere zorgverleners uitleg wat apothekers allemaal doen. Tegelijkertijd wil ik heel graag […]
  • Een kwestie van lefEen kwestie van lef Dit is het tiende artikel in de reeks: ‘Drijfveren’. Van het laagste punt in Nederland Nieuwerkerk aan den IJssel, tot het hoogste punt de Vaalserberg, vertellen apothekers over zichzelf, […]
  • Gratis e-learningmodule van het IVM:‘Medicatie en suïcide’Gratis e-learningmodule van het IVM:‘Medicatie en suïcide’ Er zijn geneesmiddelen die suïcidaal gedrag kunnen uitlokken. Zoals er ook geneesmiddelen zijn die vaak worden gebruikt bij pogingen tot suicide. Het is daarom van belang dat zorgverleners […]
  • Toolkit Rij veilig met medicijnenToolkit Rij veilig met medicijnen Het IVM (Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik) heeft de “Toolkit Rij veilig met medicijnen”uitgebracht. Deze toolkit is bedoeld voor behandelaars en andere medewerkers in de zorg die […]
  • Toekomst van de farmacie: Trial and ErrorToekomst van de farmacie: Trial and Error De openbare apothekers maken zich zorgen over hun toekomst. De zorgverzekeraars hebben vooral interesse in voortzetting van het preferentiebeleid, omdat ze hiermee premieverlaging voor hun […]

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *