Sjaak Wijma: ‘Nú discussie voeren over kosteneffectiviteit’

Sjaak Wijma (Zorginstituut Nederland)

De discussie over de kosteneffectiviteit van de farmacie moet nu worden gevoerd, stelt Sjaak Wijma, voorzitter van Zorginstituut Nederland. “Ik vind het onverteerbaar dat we behandelingen zonder nut wel betalen en tegelijkertijd willen stoppen met financiering van een therapie die bewezen effectief is, maar die het stempel duur heeft.”

Voor huisarts en apotheker staat het Zorginstituut vooral bekend als de club die weer eens ‘nee’ zegt tegen de opname van een duur geneesmiddel in het pakket. Of die het basispakket versmalt. Een beeld dat niet rechtdoet aan de organisatie, aldus Wijma. De taak van het Zorginstituut is immers complex: balans zoeken tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Het Zorginstituut adviseert over het basispakket verzekerde zorg, schoont het basispakket op, bevordert de kwaliteit en inzichtelijkheid van zorg en voert en organiseert de geldstromen in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. En het is uiteindelijk de minister van VWS die beslist.

Dr. Sjaak Wijma werkt sinds 2016 bij het instituut en volgde vorig jaar Arnold Moerkamp op als voorzitter. Als medisch specialist, Wijma is van oorsprong gynaecoloog, begrijpt hij als geen ander de impact van discussies over de drie-eenheid kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid in de zorg op de praktijk van de huisarts en apotheker. Hoe leg ik tijdens het spreekuur of aan de balie uit aan de die ene patiënt dat Spinraza niet wordt vergoed of dat paracetamol 1000 mg uit het pakket gaat?

Wijma is een man van de verbinding. Die verbinding wil hij terugzien in het beleid van het Zorginstituut. Net als bij tal van zorgorganisaties gaan de luiken ook in Diemen open: meer transparantie en meer samenwerking. “Het Zorginstituut zit aan tafel met alle belangenpartijen in de zorg. Wij willen verbinden met al deze partijen vanuit het perspectief van de burger. Met als doel de kwaliteit van zorg naar een hoger niveau te tillen. Vorig jaar hebben we ons beleidsplan gepresenteerd: daarin staat de uitdaging om de burger meer te betrekken bij de besluiten die we nemen. Wat vinden de burgers van de zorg en wat verwachten ze van de zorg? Daaraan werken we hard.”


U stelt kwaliteit boven kosten?
“Laat ik duidelijk zijn: de zorg moet toegankelijk, doelmatig en betaalbaar blijven. De discussie over de betaalbaarheid van de zorg kan echter alleen worden gevoerd als naast de kosten ook de baten worden meegenomen. Wat levert een nieuwe therapie de maatschappij, de zorg en de burger op. En wat hebben we er met elkaar voor over? Een gesprek over de kosten van de zorg zonder de baten vind ik onzinnig. Dat geldt zeker ook voor de farmaceutische zorg. Er gebeurt veel in de farmaceutische kolom. De komende tijd komen nieuwe geneesmiddelen door nieuwe technologie beschikbaar. Geneesmiddelen die waarschijnlijk duurder worden, maar die misschien ook in waarde, in baten dus, stijgen. Het meest in het oog springend is de opkomst van de gentherapie. Daarvan zijn de verwachtingen hooggespannen. Als gentherapie zich snel ontwikkelt moeten we ons nu al afvragen of we ons deze vorm van therapie wel kunnen veroorloven.”

Wat is het antwoord op die vraag?
“Hoeveel we overhebben voor de zorg is een maatschappelijk en politiek vraagstuk, daarover gaat het Zorginstituut niet alleen. We kunnen deze discussie niet uit de weg gaan.”

Schuiven we de discussie over kosten en baten voor ons uit?
“Ik denk inderdaad dat we die discussie vooruitschuiven. Dat kan echter niet langer. De situatie wordt steeds urgenter. Voeren we de discussie over kosteneffectiviteit niet en blijven we uitgaan van de huidige budgetten, dan loopt ons systeem vast en hebben we geen geld meer voor nieuwe therapieën. Dat geeft maatschappelijke onrust. Bovendien komt dan het solidariteitsprincipe onder druk te staan. Immers, dan kan de ene patiënt een nieuwe therapie wel betalen, maar de ander niet. In ons land hebben we echter afgesproken dat de zorg van goede kwaliteit en voor iedereen toegankelijk moet zijn. Solidariteit is het leidmotief in de zorg. Dat moet ook zo blijven als het aan mij ligt. Tornen we aan de solidariteit, dan hebben we pas een echt groot probleem. Wij moeten dit agenderen, maar de politiek is nu aan zet.”

Aan welke knoppen kan er dan wel gedraaid worden?
“Ik zie een aantal mogelijkheden. Allereest de vraag hoeveel we willen uitgeven aan de zorg in de laatste levensfase van een patiënt. Nu heeft een toegenomen levensjaar de referentiewaarde 80.000 euro onafhankelijk van de leeftijd van de patiënt. Maar is een gewonnen levensjaar bij een tweejarige evenveel waard als bij een tachtigjarige? Ik zeg niet welke richting we moeten nemen, wel dat we daarover het gesprek moeten aangaan vanuit de wetenschap dat niet alles wat kán ook daadwerkelijk móet. Ook kunnen we besluiten meer geld te besteden aan zorg. Meer geld is niet onmogelijk en hangt uiteraard af van wat het oplevert. Verder moeten we goed kijken naar behandelingen die geen bewezen effect hebben maar zorgprofessionals wel dagelijks toepassen. Als voorzitter van het Zorginstituut vind ik het onverteerbaar dat we behandelingen zonder nut wel betalen en tegelijkertijd willen stoppen met financiering van een therapie die bewezen effectief is, maar die het stempel duur heeft. Er zit nu te veel onzinnigheid in het systeem. Het is aan de zorgprofessionals zelf om te bewijzen of een therapie werkt.”

Volgens Wijma is er sprake van een groeiende bewustwording dat het anders moet in de zorg. Het kritische vermogen groeit, zorgprofessionals zijn gemotiveerd om het eigen handelen tegen het licht te houden: doe ik de juiste dingen wel goed? “Als startend gynaecoloog dacht ik 25 jaar terug niet na hoe ik als specialist een bijdrage kon leveren aan doelmatige zorg. Het was een andere tijd, de bomen groeiden tot in de hemel. De omslag is al even gaande, de noodzaak is voelbaar. Geen eenvoudig proces. Ook ik heb gemerkt hoe ingewikkeld het is om als zorgverlener kritisch naar het handelen van je beroepsgroep te kijken, want dan kom je al snel aan de zorgautonomie en het belang van de zorgprofessional. Hoewel mijn diploma’s niet meer geldig zijn kan ik mij heel goed inleven in de huisarts of apotheker die een moeilijke boodschap heeft voor de patiënt: dit geneesmiddel wordt voor u niet vergoed.”

Wijma doelt op Spinraza, het ‘dure’ geneesmiddel van fabrikant Biogen. Vorig jaar heeft Minister Bruno Bruins van VWS een akkoord gesloten met de fabrikant. Goed nieuws voor de ongeveer 80 jonge kinderen met de spierziekte Spinale Musculaire Atrofie, want die krijgen het vergoed uit het basispakket. Slecht nieuws voor oudere kinderen en (jong)volwassenen. Volgens het Zorginstituut is namelijk voor deze groep geen sprake van bewezen effectieve zorg, dus wordt Spinraza voor deze patiënten niet in het basispakket opgenomen.

Leg dat maar eens uit in de spreekkamer of aan de balie.
“Om dit besluit goed uit te leggen aan de patiënt helpt het niet als betrokken partijen verschillende verhalen vertellen waarom Spinraza voor de ene groep patiënten wel en voor de andere groep niet wordt vergoed. Verschillende boodschappen afgeven werkt verwarrend en helpt niet om de patiënt die denkt afhankelijk te zijn van dit geneesmiddel goed uit te leggen waarom in zijn of haar geval het medicijn niet wordt vergoed. Laten we afspreken hetzelfde verhaal te vertellen. Daar ligt overigens ook een taak voor ons: kennelijk moet we nog beter uitleggen waarom we tot een besluit komen. We moeten beter rekening houden met wat de burger belangrijk vindt om te weten en te begrijpen. Daarom betrekken we burgerforums bij bijvoorbeeld het meedenken over de samenstelling van het basispakket.”

Wat is de rol van de industrie in dit geheel?
“Ook de industrie levert een bijdrage aan het doel dat we gezamenlijk nastreven. We zitten in het zelfde schuitje. Ik hoop dat de industrie doorgaat met het ontwikkelen van geneesmiddelen. Daarin doen ze goed werk. Ze moeten zich wel realiseren dat we in ons land met beperkingen te maken hebben. De industrie mag een verdienmodel hebben zolang dat niet buitensporig is. Daarnaast willen we de uitkomsten van de behandeling met nieuwe medicijnen in de praktijk meten. Op basis van die meting kunnen we besluiten nemen over bijvoorbeeld opname in het verzekerde pakket. Daarom zijn we op 1 april gestart met het project ‘Regie op Registers voor dure geneesmiddelen’.”

Tot nu toe vindt het monitoren van gebruik, effectiviteit en kosteneffectiviteit van dure geneesmiddelen versnipperd plaats. Nu heeft het Zorginstituut de regie over een centraal register. Zo komt er meer duidelijkheid over de (kosten-)effectiviteit, de juiste plaatsbepaling in de behandeling en de juiste indicatiestelling van nieuwe, dure, specialistische geneesmiddelen.

Samen beslissen
Het Zorginstituut gelooft in samenwerking in de zorg en heeft ruim 22 miljoen euro beschikbaar in het programma Samen beslissen. Geld bedoeld voor projecten die stimuleren dat zorgprofessionals en patiënten samen tot besluitvorming komen.

“Samen beslissen is een beweging die niet meer te stoppen is. Toen het programma vijf jaar terug startte waren er amper zorgverleners die mee wilden doen. Nu zijn we overtekend. Dat tekent ook de behoefte bij zorgverleners om met de patiënt in gesprek te gaan om samen te onderzoeken en te besluiten wat goed is voor de patiënt. Dat gesprek aangaan kost tijd en in dit programma zorgen we dan ook dat bijvoorbeeld huisartsen een hoger tarief krijgen van de zorgverzekeraar. Tijd die de huisartsen ook kunnen besteden aan het managen van de verwachtingen van de patiënt over het zorgtraject dat de patiënt voor ogen heeft.”

Dit jaar loopt het vijfjarige programma af. Voor 2019 zijn veel meer aanvragen binnengekomen voor de 5,75 miljoen euro die het Zorginstituut beschikbaar heeft. “Samen beslissen is in de zorg inmiddels de norm. De vraag is dan ook of we doorgaan met deze subsidie.”

Tot slot: hoe ziet de farmaceutische zorg er over vijf jaar uit?
“Dan is personalized medicine gemeengoed en weten we voor welke individuele patiënt een therapie aantoonbaar werkt. Dat kunnen dure therapieën zijn, maar die in essentie wel kosteneffectief zijn. De zorg zal niet meert klassiek zijn ingericht met een traditionele eerste en een twee lijn, maar ingericht vanuit de behoeftes van de bewoners in de regio. En dat tegen die tijd iedereen weet waar het Zorginstituut voor staat en onze besluiten accepteert.”

Dit artikel verscheen eerder in FarmaMagazine 4 – 2019

Tekst: Niels van Haarlem | Fotografie: Jan Vonk Fotografie

Gerelateerde berichten

  • Aska: Samen of toch alleen?Aska: Samen of toch alleen? Iedereen is het met elkaar eens: de apotheker hoort in de geïntegreerde eerstelijns gezondheidszorg. Ook over hoe die positie moet worden bereikt: in goed overleg, met alle betrokken […]
  • Initiatieven voor meer rendement uit inhalatiemedicatie zijn hard nodigInitiatieven voor meer rendement uit inhalatiemedicatie zijn hard nodig Tekst: Caroline Wellink Van de ruim een miljoen longpatiënten die een inhalator gebruikt, maakt negentig procent tijdens het inhaleren een of meer fouten waardoor de medicatie niet […]
  • Steven van Eijck: Apotheker onmisbare pijlerSteven van Eijck: Apotheker onmisbare pijler Apothekers hebben het dieptepunt achter de rug, stelt Steven van Eijck, voorzitter van de Landelijke Huisartsen Vereniging. “Apothekers zijn nodig om doelmatige zorg te realiseren. […]
  • Investeren in zelfzorg loontInvesteren in zelfzorg loont Zelfzorg neemt in belang toe. En daar kan de apotheker van profiteren. Apotheken kunnen zelfs de rol van de huisarts bij kleine klachten overnemen. Dat is goed voor het imago en de omzet. […]
  • ASKA: Ook in 2015 blijft het onrustigASKA: Ook in 2015 blijft het onrustig 2015, een belangrijk jaar voor de farmacie en de openbare apotheek, zo voorspelt Arvid Manneke, voorzitter van BG Pharma. De verschraling in de apotheek zal doorgaan nu zorgverzekeraars […]

Auteur: redactie
Categorie: Opinie

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.