NHG-Standaard ADHD  bij kinderen herzien
dec15

NHG-Standaard ADHD bij kinderen herzien

De diagnose ‘ADHD’ heeft een lange en bonte geschiedenis. De gedrags­problemen  (‘some abnormal psychical conditions in children’) die men nu samenvat onder de naam ADHD zijn in 1902 voor het eerst in de Lancet beschreven door de Britse kinderarts Sir George F. Still. In 1937 werkte de Amerikaanse arts Charles Bradley in een inrichting voor moeilijk hanteerbare jongens, het Emma Pendleton Bradley Home in Providence, Rhode Island. In een poging hun hoofdpijn te behandelen schreef hij benzedrinesulfaat voor en zag tot zijn verbazing dat de schoolprestaties, sociale interacties en emotionele reacties aanzienlijk verbeterden. Hij breidde zijn klinische experimenten heel zorgvuldig uit en kwam tot de conclusie dat benzedrine een waardevol geneesmiddel was voor jongeren met bepaalde gedragsafwijkingen. Aanvankelijk werd niet veel aandacht aan zijn publicaties besteed en het zou zo’n 25 jaar duren voordat men er werkelijk mee aan de slag ging. In de loop der jaren zijn de bovengenoemde gedragsproblemen in de Angelsaksische literatuur met een goot aantal verschillende termen aangeduid: brain-injured, brain-damaged child, hyperkinetic impulse disorder, hyperexcitability syndrome, clumsy child syndrome, hyperactive child syndrome, hyperkinetic reaction of childhood, minimal brain dysfunction, organic brain disease, en nervous child. In 1980 verscheen de derde editie van de Diagnostic and Statistical Manual (DSM-III) met daarin de benaming ‘attention deficit disorder’ voor deze gedragsstoornissen. Predispositie Pas in de herziening van deze derde editie (DSM-III-R) in 1987 wordt deze aandoening ‘attention deficit hyperactivity disorder’ genoemd: ADHD. In het Nederlands gebruikt men de term ‘aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit’ of ‘aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis’. Met behulp van ‘positron emission tomography’ (PET) en fMRI scans is in de negentiger jaren aangetoond dat er in de hersenen van patiënten met ADHD  afwijkingen aantoonbaar zijn ten opzichte van de hersenen van gezonde proefpersonen. Men ziet ADHD thans als een uiting van een verstoorde ontwikkeling met vaak een genetische en familiaire predispositie. Onder invloed van ongunstige omgevingsfactoren komt deze predispositie tot uiting. Volgens DSM-5 moeten voor de diagnose ADHD minimaal zes van de negen kenmerken van onoplettendheid en van die van hyperactiviteit en impulsiviteit aanwezig zijn geweest gedurende minstens zes maanden, in een mate die niet in overeenstemming is met het ontwikkelingsniveau en die een negatieve invloed hebben op sociale, schoolse of beroepsmatige activiteiten. Voor een opsomming van deze lijst van kenmerken verwezen zij naar de DSM-5 (www.dsm-5-nl.org; www.dsm5.org). De DSM-5 onderscheidt drie vormen van ADHD, naar gelang van de mate waarin deze kenmerken aanwezig zijn. De meest voorkomende vorm is het gecombineerde beeld, waarbij zowel sprake is van onoplettendheid als van hyperactiviteit-impulsiviteit. Minder vaak gediagnosticeerd wordt het overwegend onoplettende beeld (ook wel ADD genoemd), en het overwegend hyperactieve-impulsieve beeld komt het minst vaak voor. Om te kunnen spreken van ADHD moet...

Lees Verder