NHG-Standaarden Atriumfibrilleren en  Diepe veneuze trombose en longembolie herzien
okt10

NHG-Standaarden Atriumfibrilleren en Diepe veneuze trombose en longembolie herzien

Het gebruik van de Directe Orale AntiCoagulantia (DOAC’s) neemt nog steeds toe. Op de GIP Databank zijn gegevens beschikbaar over de jaren 2011 t/m 2015 (nog niet voor 2016). De aantallen gebruikers van deze middelen zijn flink toegenomen. Zie tabel 1. De Stichting Farmaceutische Kengetallen publiceerde in mei van dit jaar dat de Nederlandse openbare apotheken in 2016 75% meer DOAC’s verstrekten dan in het jaar daarvoor en dat in 2017 deze toename doorgaat. Sinds de verruiming van de vergoedingsvoorwaarden beginnen nu ook huisartsen naast cardiologen en internisten patiënten met deze middelen te behandelen. Met 67.000 gebruikers in 2016 was rivaroxaban (Xarelto®) het meest toegepaste DOAC, gevolgd door dabigatran (Pradaxa®). De aantallen gebruikers van de andere DOAC’s blijven (nog) flink achter maar nemen ook toe. Interessant is dat de aantallen gebruikers van de VKA’s acenocoumarol en fenprocoumon tot voor kort niet waren gedaald en zelfs waren gestegen. Het totale aantal mensen dat orale antistolmiddelen gebruikt nam kennelijk toe; de SFK meldde echter onlangs dat nu in 2017 het aantal gebruikers van VKA’s toch licht is gedaald. Wijzigingen in standaarden De NHG-Standaarden Atriumfibrilleren en Diepe veneuze trombose en longembolie zijn onlangs bijgewerkt naar de laatste stand van zaken. De belangrijkste wijziging in beide NHG-Standaarden is dat nu bij de medicamenteuze behandeling van atriumfibrilleren resp. diepe veneuze trombose in algemene zin de DOAC’s een gelijkwaardig alternatief voor de vitamine-K-antagonisten (VKA’s) worden genoemd. In navolging van het NHG-standpunt Anticoagulantia (2016) zijn in beide NHG-Standaarden aanbevelingen opgenomen om in samenspraak met de patiënt te beoordelen of er redenen zijn om te kiezen voor een DOAC of een VKA. Indien patiënten reeds een VKA gebruiken en tevreden zijn met de bestaande behandeling, wordt het overzetten naar een DOAC niet aanbevolen. Mocht dit echter toch de voorkeur hebben, dan bevatten deze NHG-Standaarden nuttige aanwijzingen hoe deze omzetting het best en veiligst kan gebeuren. Dat geldt ook voor het omgekeerde, dus overzetting van een DOAC op een VKA. Belangrijke vragen zijn dus welke omstandigheden leiden ertoe dat voor een bepaald antistolmiddel, een VKA of DOAC, wordt gekozen en op grond van welke overwegingen kiest men – indien voor een DOAC wordt gekozen – een bepaalde DOAC. Het zelfvertrouwen en de ervaring van de voorschrijver zijn belangrijk maar blijven hier nu buiten beschouwing. Een VKA of een DOAC? Voor de keuze van een middel uit een van deze twee groepen zijn vooral (maar niet uitsluitend) de volgende omstandigheden van belang: – 
leeftijd van de patiënt: bij kwetsbare ouderen (terzijde: wie zijn dat precies?) is de kans op een gastro-intestinale bloeding bij gebruik van een DOAC groter dan bij dat van een VKA en kan men waarschijnlijk beter...

Lees Verder