Huisartsen schrijven minder reserve-antibiotica voor
nov23

Huisartsen schrijven minder reserve-antibiotica voor

In 2015 schreven huisartsen minder vaak reserve-antibiotica voor dan de jaren ervoor. Dit past in een trend, want in de jaren daarvoor liep het aandeel van deze middelen ook terug. Wel is er nog steeds aanzienlijke verschillen tussen praktijken. De spreiding op de indicator Reserve- en tweedekeusantibiotica loopt van 10 tot 23 procent. Onder de reserve-antibiotica wordt verstaan: de fluorchinolonen, de cefalosporines en amoxicilline met clavulaanzuur. Deze antibiotica hebben een beperkte plaats in de richtlijnen, vanwege hun brede werkingsspectrum. NHG-Standaarden adviseren vaak te starten met eerstelijnsmiddelen, zoals nitrofurantoÏne en penicillines. Bij bepaalde infecties (urineweginfecties met weefselinvasie, aspiratiepneumonie) zijn de reserve-antibiotica wel de middelen van eerste keus. Ook als het eerstelijnsmiddel niet helpt, komt de patiënt voor een reservemiddel in aanmerking. Hoe ouder, hoe meer reservemiddelen
 Volwassenen tussen 18 en 50 jaar gebruiken het minst vaak reserve-antibiotica. Jonge kinderen en ouderen gebruiken meer reservemiddelen. Hierbij geldt: hoe ouder, hoe meer reservemiddelen. In Zeeland schrijven huisartsen het vaakste reserve-antibiotica voor, zoals ook te zien is op het overzichtskaartje op de site van IVM. Monitor Voorschrijven Huisartsen
 Het jaarlijkse rapport  Monitor Voorschrijven Huisartsen  van het IVM biedt veel cijfermatige informatie over de behandeling van bepaalde aandoeningen. Vanaf februari 2017 publiceert het IVM elke maand de uitkomsten van een van de indicatoren van de monitor. Sinds 2010 is er een meting van de reserve-antibiotica. Wilt u het gebruik van antibiotica bespreken in bijvoorbeeld een FTO? Download dan  de  FTO-materialen. U kunt hierbij ook de scores uit de  Monitor Voorschrijfgedrag Huisartsen  gebruiken.  De download van de FTO-materialen is gratis, maar u wordt wel verzocht om u eerst aan te melden. Zo kan het IVM bijhouden welke behoeftes er zijn en ons aanbod daarop aanpassen. Bron: IVM Onder redactie van: Gerda van Beek      ...

Lees Verder
Ron Herings van PHARMO over big data
okt17

Ron Herings van PHARMO over big data

Het is misschien wel één van de best bewaarde geheimen in de farmacie: onderzoeksbureau PHARMO in Utrecht. Onder wetenschappelijke leiding van apotheker, epidemioloog en informaticus Ron Herings verzamelen, ontsluiten en analyseren 30 medewerkers continu patiëntendata van apotheken, huisartsen en ziekenhuizen. Met als doel de zorg doelmatig en betaalbaar houden. Ondertussen kijken bedrijven als Apple, Philips of Samsung verlekkerd naar de geanonimiseerde databank van het PHARMO Instituut. Hij verwondert er zich dagelijks over. Hoe kan het toch zijn dat we miljarden in de zorg pompen zonder systematisch en wetenschappelijk onderzoek te doen naar de effecten. “In de zorg baseren we ons op trials en wetenschappelijk onderzoek voordat een therapie of medicatie beschikbaar komt. Maar we volgen niet wat er daarna gebeurt. Welke therapie laat bij patiënten de beste resultaten zien, wat heeft nu echt effect? We doen dat onvoldoende.” Het PHARMO Instituut deed al aan big data voordat de term bestond. De organisatie verzamelt data van patiënten. Van heel veel patiënten, afkomstig van zo’n 20 procent van de Nederlandse apothekers, huisartsen en ziekenhuizen. Gegevens die continu ververst en aangevuld worden. En als die data ook nog eens aan elkaar gekoppeld kunnen worden ontstaat een waardevolle BIG Data omgeving. Een databank die kan voorspellen en verklaren. Met dank aan de voortschrijdende technologie die het mogelijk maakt nieuwe relaties te leggen tussen de verschillende data. Door bijvoorbeeld gegevens uit de gemeentelijke administratie te koppelen aan gezondheidsinformatie kan de overheid het beleid in achterstandswijken aanpassen. En de ontwikkelingen in wijken volgen. Op allerlei gebieden worden big data gebruikt. Van het verzamelen van eenvoudige bijwerkingen van medicatie tot het volgen van het gedrag van artsen bij het invullen van de administratie. “Neem een huisarts die dagelijks patiënten-informatie in het huisartsensysteem klopt. Deze informatie levert de individuele huisarts zelf weinig nieuwe inzichten op. Door de gegevens van veel huisartsen gedurende langere tijd te bewaren, ontsluiten en analyseren worden onzichtbare structuren in één keer zichtbaar. Zo komt het voor dat artsen bepaalde type patiënten onbewust niet hebben behandeld omdat ze deze groep ‘vergeten’ zijn. Maar uit dezelfde data is af te lezen dat deze groep heel goed is te behandelen. Of artsen willen standaard de bloeddruk verlagen tot onder de 140, maar uit analyse van de data blijkt dat het voor bepaalde groepen patiënten boven de 65 jaar helemaal niet zo goed is om de bloedruk met medicatie onder de 140 te krijgen, want dan vallen deze patiënten letterlijk om.“ Populatiebekostiging Onderdeel van het PHARMO Instituut is de Stichting Informatievoorziening voor Zorg en Onderzoek (STIZON) die data verzamelt voor de proeftuin Gezonde Zorg Gezonde Regio, een initiatief van Stichting Rijncoepel, Alrijne Zorggroep, Zorg en Zekerheid, en...

Lees Verder
2020: Ziekenhuisopnames door medicatiefouten fors gedaald
mrt10

2020: Ziekenhuisopnames door medicatiefouten fors gedaald

Als in 2020 weer een onderzoek naar ziekenhuisopnames door medicatiefouten wordt gehouden dan laten de cijfers een radicaal ander beeld zien. Met dank aan de patiënt die zijn medicatiedossier beheert. Lies van Gennip, directeur Nictiz: “Het aantal ziekenhuisopnames door medicatiefouten kan alleen dalen als huisartsen en apothekers de patiënt als partner zien.” En vanaf 2019 mogen artsen alleen medicatie voorschrijven als zij daadwerkelijk beschikken over een actueel medicatiedossier. Nictiz is het landelijk expertisecentrum in standaardisatie en e-health. Door de overheid in het leven geroepen is Nictiz de organisatie die de zorg helpt met standaarden en ICT. Hoe digitaal is de Nederlandse zorg eigenlijk? “Internationaal valt op dat ons land erg hoog scoort met digitalisering in de zorg. Bijna alle huisartsendossier zijn digitaal, bijna alle huisartsen wisselen gegevens uit met apothekers en alle apothekers krijgen digitale signalen bij interacties van geneesmiddelen. Daarin lopen we dus voorop ten opzichte van de rest van de wereld.” Missie geslaagd dus? “Dat is een te snelle conclusie. Er staan twee grote uitdagingen te wachten. De eerste is de uitdaging om de patiënt meer te betrekken bij het digitale zorgproces. Willen we dat de patiënt actief meegaat doen in dat zorgproces, dan moet het voor de patiënt ook mogelijk zijn om informatie in een medicatiedossier te stoppen of informatie eruit te halen. De huidige systemen in de zorg zijn echter verouderd en dateren uit de tijd dat de informatie-uitwisseling uitsluitend nodig was tussen de zorgprofessionals onderling. De patiënt digitaal aansluiten op dit systeem is daarom lastig. Internationaal gezien lopen we hierin zelfs achter, al zijn we bezig met een inhaalslag. De tweede uitdaging ligt in wat ik noem het hergebruik van gegevens. In de zorg is heel veel informatie beschikbaar. En tussen de zorgverleners vindt op patiëntniveau ook veel informatie-uitwisseling plaats. Dat biedt de mogelijkheid om data aan elkaar te koppelen en analyses te maken om zo inzichtelijk te krijgen welke therapie ‘werkt’ en welke zorg beter kan, welke patiënten wel in staat zijn zelf de regie over de gezondheid te nemen en welke patiënten iets extra’s nodig hebben. Zou je denken, want dat hergebruiken en koppelen van data, daar zijn we niet zo goed in. Een goed voorbeeld is de discussie om labdata over de nierfunctie beschikbaar te stellen aan apothekers. Met deze data kan de apotheker de dosering afstemmen op de individuele patiënt. Beschikbaar stellen van dit soort data is echter nog steeds niet goed geregeld.” Wat is de drempel dan? “Technisch is alles mogelijk. Uiteraard moet er dan wel geïnvesteerd worden in de systemen en moeten de werkprocessen worden aangepast, maar er zijn geen technische barrières. In de praktijk lopen we echter...

Lees Verder
Paul Korte: Medicatie en prijsafspraken op maat
mei18

Paul Korte: Medicatie en prijsafspraken op maat

Medicatie en prijsafspraken op maat. Paul Korte, voorzitter van Nefarma, over de zoektocht naar het betaalbaar houden van geneesmiddelen. “Meer centraal ingrijpen is niet verstandig.” En over de veranderende rol van apotheker en huisarts. “Artsen richten zich op de diagnose en de apotheker is de sidekick bij het vinden van de juiste medicatie bij de juiste patiënt.” Hij wordt voorzitter van Nefarma op het moment dat het alleen maar over kosten gaat. Een leukere start is denkbaar. Maar Paul Korte, opgeleid als apotheker en in het dagelijkse leven algemeen directeur van farmaceut Janssen in Tilburg, neemt zijn verantwoordelijkheid.  “Voor Nefarma als vereniging van innovatieve bedrijven is het belangrijkste doel om blijvend nieuwe geneesmiddelen te ontwikkelen en bij patiënten te brengen, in binnen en buitenland. Die taak heeft de samenleving ons gegeven, dat is onze opdracht. En daar zijn we heel goed in, zeker de laatste tijd als je ziet dat we echt belangwekkende nieuwe geneesmiddelen introduceren. Maar we zijn een private bedrijfstak in een publieke sector. En dat beseffen we goed, dat brengt een verantwoordelijkheid maar ook een dilemma met zich mee: als private onderneming willen we zo goed mogelijk ons werk doen. Daar hangt een prijskaartje aan waarvan men nu vindt dat het hoog is. Dat maakt het niet makkelijk, maar mijn rol als voorzitter wel interessant.” Is die discussie niet een beetje aan het doorslaan? “Het wordt een beetje uitvergroot. De feiten tonen dat de groei in kosten voor geneesmiddelen reuze meevalt, zeker het afgelopen jaar. De bezuiniging in de zorg van de laatste jaren komt vooral op naam van geneesmiddelen. Jaarlijks geven we minder uit dan begroot. De kosten voor geneesmiddelen stijgen niet of nauwelijks, maar in ieder geval minder dan veel andere sectoren in de zorg. Kijken we naar de totale geneesmiddelensector, dan doen we het in Nederland dus heel goed en netjes. Maar er speelt iets anders en dat heeft te maken met de budgetten van ziekenhuizen die worden beperkt in groei. Volgens het Hoofdlijnenakkoord mag dat budget maximaal met 1 procent groeien. En door overheveling van geneesmiddelen van de eerste lijn naar het ziekenhuisbudget en de komst van nieuwe geneesmiddelen komt er meer druk te staan op dat budget. Dat geeft in ziekenhuizen en bij artsen die hiermee worden geconfronteerd veel spanning, dat begrijp ik heel goed. Maar kijk je met enige afstand naar andere, stijgende kosten die ziekenhuizen maken, dan valt de groei van geneesmiddelen wel weer mee.” Dus waar praten we eigenlijk over? “Natuurlijk is de discussie van belang omdat het gaat om toegankelijkheid, betaalbaarheid, solidariteit, maar laten we wel naar de feiten blijven kijken. Tien jaar jaar geleden waren het...

Lees Verder
10 miljoen fouten corrigeren?
jan07

10 miljoen fouten corrigeren?

Bij de start van de campagne ‘De eerste keer’ op 4 januari jl., maakte de KNMP bekend dat apothekers dagelijks 40.000 recepten moeten aanpassen, zo’n 10 miljoen per jaar. De Landelijke Vereniging van Huisartsen (LHV) deed direct navraag bij haar collega-organisatie in de farmacie: het getal bleek gebaseerd op een onderzoek uit 1999. De nieuwe KNMP-campagne rond de eerste uitgifte haakt in op de wijziging van de apotheeknota per 2016. Sinds januari 2014 moest apart het ‘begeleidingsgesprek nieuw geneesmiddel’ op de rekening worden vermeld, maar patiënten hadden hiervoor geen begrip. Vanaf januari 2016 maakt dit gesprek weer deel uit van de totale apotheekzorg bij de eerste verstrekking. Dit beoogt onder andere de agressie aan de apotheekbalie tegen te gaan. Op de website van de KNMP zegt voorzitter Gerben Klein Nulent dat “het tarief niet meer uit te leggen viel. Apothekers verdienen hun brood al lang niet meer met de verkoop van medicijnen, maar met de zorg die zij leveren. Die zorg is essentieel, vooral de eerste keer dat een patiënt het middel meekrijgt.” Samenwerking tussen apotheker en huisarts toegenomen Omdat in de publiciteit de huisartsen als bronnen van de fouten in recepten werden genoemd (De Telegraaf: ‘Huisarts slordig bij maken van recept’), heeft de LHV direct verhaal gehaald. In een verklaring geeft de huisartsenvereniging aan dat het goed is dat patiënten meer duidelijkheid krijgen, bijvoorbeeld over de veelbesproken eerste uitgifte van medicatie. ‘Het aantal aanpassingen aan recepten wijst erop dat de apothekers hun rol in het verhogen van de medicatieveiligheid goed oppakken. Ook zien we dat in de afgelopen jaren de samenwerking tussen huisartsen en apothekers is verbeterd, wat ten goede komt van de patiëntveiligheid bij het voorschrijven en verstrekken van geneesmiddelen.’ Veiligheid in medicatieketen sterk verbeterd Maar wat precies de aanleiding is voor de 10 miljoen aanpassingen die de KNMP noemt, is de LHV niet bekend. Gaat het bijvoorbeeld om administratieve aanpassingen, zoals in de adressering? Hoe vaak gaat het om medicatiewijzigingen, zoals wanneer er een mogelijke interactie is met medicatie die de patiënt van een andere arts heeft gekregen? Nadat de KNMP meedeelde zich op onderzoek uit 1999 te baseren, voegde de LHV hieraan toe ‘dat sindsdien in de veiligheid in de medicatieketen veel is verbeterd, onder andere door het elektronisch voorschrijven van geneesmiddelen en door de versterkte samenwerking tussen huisartsen en apothekers.’ Volledig overzicht bij de apotheker In haar verklaring wijst de LHV erop dat de apotheker en de huisarts ieder hun eigen rol in de patiëntveiligheid rond medicatie hebben. ‘De rol van de apotheker is om nog eens kritisch te kijken naar bijvoorbeeld dosering of combinatie van medicatie, twee weten immers meer dan een. De...

Lees Verder