UZI-medewerkerspas-niet-op-naam? Nog even geduld svp
jul03

UZI-medewerkerspas-niet-op-naam? Nog even geduld svp

De ‘UZI-medewerkerspas-niet-op-naam’ is nog steeds niet aan te vragen, ondanks eerdere toezeggingen daartoe door het CIBG. De overheidsinstantie stelt nog niet te weten wanneer deze wel kan worden aangevraagd. In een brief vragen eerstelijnsorganisatie InEen, de KNMP en de Landelijke Huisartsen Vereniging om opheldering. Sinds juni 2017 is de medewerkerspas op naam niet meer verkrijgbaar. Dit komt door een wijziging in regelgeving. Deze wijziging heeft tot een aanpassing in het UZI-register geleid. Het CIBG voorspelde het al: die aanpassing kost veel tijd. Nog geen zicht En dat is inderdaad het geval. Herhaalde vragen vanuit de apothekers en huisartsen zijn tevergeefs. Het is inmiddels wel duidelijk dat er nog steeds geen zicht is op een datum wanneer deze pas wel weer beschikbaar is. Brief van LHV en InEen InEen en LHV betreuren de opstelling van het CIBG, die ze benoemen als niet proactief en service- en klantgericht. In een gezamenlijke brief vragen deze organisaties om nu schriftelijk duidelijk aan te geven op welke datum de passen zijn aan te vragen en wat een realistische datum is voor levering. In de brief vragen ze ook een reële compensatie voor eventueel ongemak en extra kosten. Vervaldatum Een ‘UZI-medewerkerspas-niet-op-naam’ wordt bijvoorbeeld gebruikt om te voldoen aan eisen voor informatiebeveiliging. Voor informatiesystemen die patiëntgegevens verwerken, is het inloggen met alleen een wachtwoord onvoldoende. Er moet dan gebruik gemaakt worden van de zogenaamde 2-factor-authenticatie; iets wat u weet en iets wat u heeft. Een UZI-pas heeft een vervaldatum. Op dit moment geldt dus dat als een medewerker-niet-op-naam-pas vervalt, deze niet kan worden vervangen. Dat is vervelend en leidt in toenemende mate tot verstoring van reguliere werkprocessen Inloggen In alle apotheekinformatiesystemen kan de UZI-pas worden gebruikt voor deze manier van inloggen. Voor medewerkers die niet BIG-geregistreerd zijn, zoals bezorgers, stagiaires en administratieve krachten, kan een ‘UZI-medewerkerspas-niet-op-naam’ worden gebruikt. Maar ja: nu even niet dus. Hoewel…. ‘even’….. Bron: LHV en KNMP Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

Lees Verder
Martin Bontje: Meer samenwerking, meer toegevoegde waarde
mei06

Martin Bontje: Meer samenwerking, meer toegevoegde waarde

De huisarts als spil in een goed georganiseerd samenwerkingsverband. Met de apotheker als volwaardige partner die volop meedraait in zorgprogramma’s, zo luidt de visie van Martin Bontje, de eerste voorman van Ineen. Wel zal het aantal apotheken afnemen. Ineen is het resultaat van de fusie tussen LVG (Landelijke Vereniging Georganiseerde Eerstelijnszorg), LOK (Landelijke Organisatie voor Ketenzorg), en VHN (Vereniging Huisartsenposten Nederland). De nieuwe brancheorganisatie eerste lijn is op 1 januari 2014 gestart. Leden van InEen zijn gezondheidscentra, eerstelijnscentra, zorggroepen, eerstelijns diagnostische centra, regionale ondersteuningsstructuren en huis­artsen­posten. Aanleiding voor de fusie was de behoefte aan meer samenwerking binnen de eerste lijn en tussen de eerste en tweede lijn. Martin Bontje, voormalig topman bij Zorgverzekeraars Nederland en bij zorgverzekeraar VGZ is een ervaren bestuurder. Hij geeft leiding aan negen bestuursleden. Zijn visie is helder: “Een georganiseerde eerstelijnszorg waarin huisartsenzorg een centrale positie inneemt.” Nu werken huisartsen al in samenwerkingsverbanden. Maar nog niet overal gebeurt dat. Er zullen ook altijd regio’s zijn waar de huisarts als een solist blijft  werken omdat het niet anders kan: in dunbevolkte regio’s bijvoorbeeld. Maar huisartsen en de zorg komen het beste tot hun recht in  een georganiseerd verband, zo stelt Bontje. Met thuiszorg en apotheker dicht in de buurt. Hoe ziet de eerstelijns zorg er straks uit? “Er komen een aantal ontwikkelingen op ons af die invloed hebben op de eerste lijn. De verschuiving in de AWBZ waardoor mensen langer thuis blijven, de gemeentes die verantwoordelijk worden voor de WMO en de geestelijke gezondheidszorg die naar de huisarts gaat. Dit leidt allemaal tot een groter volume aan zorg in de eerste lijn. Zorg die rondom de huisarts geleverd moet worden.” Kan die huisarts die grote regierol wel aan? “Die rol heeft hij nu al. Op dit moment zijn er tal van zorggroepen actief die al grotere volumes aan zorg organiseren. Daar zijn al hele goede voorbeelden van te zien. Die trend zal zich voortzetten. Wel moeten we ervoor zorg dat beter zichtbaar is welke activiteiten nu al goed georganiseerd zijn. Ik spreek dan ook niet van een revolutie in de eerste lijn, maar van een evolutie” En hoe is de farmaceutische zorg dan geregeld? “Ik verwacht niet dat de farmaceutische zorg straks heel veel anders zal zijn dan nu. Wel zal de samenwerking tussen huisarts en apotheker verder intensiveren. De groep chronische patiënten en de patenten met verschillende ziektes en dus verschillende medicatie worden in toenemende mate vaste klant van de huisarts in plaats van het ziekenhuis. De complexe farmapatiënt gaat dus meer de eerste lijn in dan nu het geval is. Het zal vooral de huisarts zijn die daar de effecten van zal merken.” Ik...

Lees Verder
InEen: “De uitgifte van medicijnen dicht bij de huisarts moet behouden blijven”
feb11

InEen: “De uitgifte van medicijnen dicht bij de huisarts moet behouden blijven”

“We moeten de apotheek in de wijk behouden. Waardoor de uitgifte van medicijnen dicht bij de huisarts niet in gevaar komt. Zo kunnen we de zorgverlening echt rond de patiënt, in gezamenlijke zorgprogramma’s organiseren. Door een goede samenwerking maakt de apotheker het werk van de dokter gemakkelijker.” Marijke ’t Hart, directeur van de Gezondheidscentra Haarlemmermeer, put uit eigen ervaring. Ze studeerde begin jaren zeventig psychologie, de hoogtij jaren van de democratisering op de universiteiten. “Uit die tijd koester ik de inzichten dat de mens ook ziek kan worden door endogene factoren, zoals het werken in ploegendienst, in een ergonomisch verkeerde houding, in een bedrijf waarin niet naar medewerkers wordt geluisterd of dat de verhouding tussen inspanning en ontspanning bij hem scheef ligt. Kijk dus naar heel de mens. Daaruit kwam voort dat er samenhang moet zijn in de eerste lijn, dat huisartsen, assistenten, fysiotherapeuten, apothekers etcetera nauw moeten samenwerken in de behandeling van aandoeningen. Zodat de zorgverleners een patiënt benaderen met hetzelfde verhaal en dezelfde manier van behandelen. Dat maakt met name in de zorg voor chronisch zieken de kans op therapietrouw het grootst.” Contact is snel gegroeid Voordat Marijke ’t Hart bij de gezondheidscentra in dienst trad, werkte zij in de verslavingszorg. Ook hier ervoer zij dat goed afgestemde samenwerking van alle betrokken hulpverleners prettig is voor de patiënt. Vanaf 1990 is zij directeur van de gezondheidscentra. Toen de mogelijkheid zich voordeed om in 2005 met een apotheek in een gezondheidscentrum te starten was dat voor haar een kans om ook afstemming rond de farmaceutische zorgverlening te realiseren. “De huisartsen waren aanvankelijk niet zo blij met een apotheek in het gezondheidscentrum. Dat is snel veranderd. In korte tijd groeide het contact met de apotheker en de apotheekassistentes; de zorgverleners lopen makkelijk bij elkaar binnen. De wereld van verschil die er vroeger was tussen huisartsen en apothekers is verdwenen en veranderd in respect en waardering voor elkaar. De rol van de apotheker in twee van onze gezondheidcentra is niet meer weg te denken. We organiseren de zorgverlening echt rond de patiënt, in gezamenlijke zorgprogramma’s.” Een lage drempel De kracht van samenwerking komt niet alleen tot uiting in gezamenlijke zorgprogramma’s. “De apotheek heeft voor de patiënt een lage drempel. Onder de noemer ‘service’ kunnen mensen met veel vragen bij ons aankloppen, dat past uitstekend in de visie dat de patiënt veel meer moet deelnemen in het zorgproces. Hij krijgt hier dezelfde instructie als bij de praktijkondersteuner van de huisarts. De zorgverleners weten elkaar goed te vinden, de lijnen zijn heel kort, er is veelvuldig direct en persoonlijk overleg, wat een gezamenlijke betrokkenheid creëert in de zorg voor de patiënt. Dat...

Lees Verder