Problematiek rondom maagzuurremmers
feb27

Problematiek rondom maagzuurremmers

Gebruik van zware maagzuurremmers kunnen leiden tot ernstige bijwerkingen. Zowel het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) als de Groningse professor Rinse Weersma vinden dat deze middelen te vaak worden gebruikt door patiënten die ook met een minder zwaar middel toe kunnen. In tv-programma Kassa van 18 februari jl. zijn ze bezorgd over het gebruik van de zogeheten protonpompremmers, zoals omeprazol, esomeprazol en pantoprazol. Het staat op nummer 4 van de 10 meest gebruikte medicijnen. Naar schatting gebruikt zo’n twee miljoen Nederlanders (!) deze zware middelen, terwijl ongeveer de helft daarvan ze vermoedelijk helemaal niet nodig heeft. Het gebruik van de zware maagzuurremmers leidt bij langdurig gebruik tot ernstige bijwerkingen,  zoals een verhoogd risico op botontkalking, darminfecties en nierfalen. Professor Weersma vindt dat ook artsen te snel inzetten op dergelijke zware middelen, terwijl met een gezondere leefstijl ook veel winst valt te behalen. Winkels die de zware maagzuurremmers verkopen, moeten kopers goed voorlichten en mogen een klant maar maximaal twee verpakkingen tegelijk verkopen. Een Kassa-verslaggever probeerde dit uit. Een drogisterij gaf heel makkelijk vier doosjes mee. Apotheken daarentegen vermeldden de nadelen van zware maagzuurremmers wel en raadden lichtere middelen aan. NHG
 Voorzitter Rob Dijkstra van het NHG wijst erop dat de protonpompremmers wel effectief zijn, maar hij deelt de conclusie dat men niet te snel deze middelen moet gebruiken. Dat de middelen zonder recept bij  apotheek  en drogist te koop zijn, noemt Dijkstra onwenselijk. Op de site van het NHG wordt extra aandacht besteed aan de uitzending van Kassa en problematiek rondom protonpompremmers (PPI’s). Voor patiënten met maagklachten staat in de  NHG-Standaard Maagklachten  het volgende stappenplan: 1.   Geef leefstijladviezen: niet roken, geen alcohol, voedingsmiddelen die klachten geven vermijden, hoofdeinde omhoog, optimaal lichaamsgewicht en geen gebruik van NSAID’s. 2.  Als dat niet helpt: twee tot vier weken antacidum een uur na iedere maaltijd en voor de nacht. 3.  Als dat onvoldoende helpt: twee tot vier weken een H2-antagonist zoals ranitidine, al dan niet na H.pylori-test. Evalueer elke stap na twee tot vier weken en probeer het gebruik van PPI’s na een maand af te bouwen. Link naar de NHG-Standaard Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

Lees Verder
NHG-Standaard: Urinesteenlijden herzien
jun23

NHG-Standaard: Urinesteenlijden herzien

Onlangs is na 8 jaar de NHG-Standaard Urinesteenlijden herzien, de vorige versie werd gepubliceerd in 2007. Men schat de jaarlijkse incidentie van urinesteenaanvallen in de huisartsenpraktijk op ongeveer 3 per 1000 patiënten. Dit komt overeen met ongeveer 24 gevallen per jaar voor een apotheek met  8000 patiënten. Urinestenen komen vooral bij volwassenen voor en tweemaal zo vaak bij mannen als bij vrouwen. De helft van de patiënten krijgt binnen 7 tot 8 jaar een recidief maar tot dusver laat zich niet voorspellen wie een recidief krijgt. Er lijkt een beperkte familiaire predispositie te bestaan. De oorzaak van de vorming van nierstenen is niet altijd duidelijk. Voeding en leefgewoonten hebben invloed op het ontstaan van nierstenen. Daarnaast zijn er (aangeboren) ziekten die de kans op bepaalde nierstenen vergroten. De vorming van de nierstenen kan worden veroorzaakt door te weinig urineproductie met als gevolg te geconcentreerde urine en uitkristallisering van bepaalde zouten. De oorzaak kan ook zijn gelegen in de uitscheiding van teveel zouten in de urine door een te hoge inname van bepaalde stoffen via de voeding. Uiteraard kan ook de samenstelling van de urine aan de vorming van stenen bijdragen niet alleen door te veel uitscheiding van zouten zijn, maar ook door te weinig uitscheiding van stoffen die de vorming van stenen juist tegengaan. Tot slot kan ook een veranderde zuurgraad van de urine of een urineweginfectie bijdragen aan steenvorming. De samenstelling van de urinestenen loop uiteen. Verreweg de meeste stenen bestaan uit calciumoxalaat (74%), gevolgd door calciumfosfaat (17%), urinezuur (3%) en cystine (1%). Struvietstenen (magnesiumammoniumfosfaat) ontstaan vaak als gevolg van herhaalde urineweginfecties. Analyse van een opgevangen (zeefje!) urinesteen is zinvol: urinezuur- en cystinestenen zijn waarschijnlijk het gevolg van een stofwisselingsstoornis. Voor de overige stenen geldt in veel mindere mate dat er een kans is dat er een onderliggend lijden wordt gevonden. Eenzijdige koliekpijn Een urinesteenaanval wordt gekenmerkt door eenzijdige koliekpijn, dat wil zeggen krampende pijn van wisselende intensiteit met bewegingsdrang en vaak misselijkheid en braken. Tijdens een aanval is er vaak extreme bewegingsdrang. De patiënt is rusteloos en loopt vaak rond en kruipt soms letterlijk over de grond van de pijn. Er kan een macroscopische hematurie zijn maar vaker vindt men de erytrocyten alleen bij microscopisch onderzoek van een urinesediment. Indien er geen koliekpijn is betekent dat geenszins dat er dus geen urinesteen is. De pijn ontstaan alleen als de urinesteen is vastgelopen. Urinestenen worden meestal tijdens of binnen twee maanden spontaan geloosd nadat de pijn is geweken. Uiteraard is dit mede afhankelijk van de grootte en de plaats waar de steen zich ophoudt. Er is geen reden om een bepaald dieet of vochtbeleid te volgen. Pijnbestrijding Tijdens...

Lees Verder
NHG-standaard Astma: Alles draait om inhalatiecorticosteroïden – en de therapietrouw!
apr21

NHG-standaard Astma: Alles draait om inhalatiecorticosteroïden – en de therapietrouw!

Het is geen nieuws dat astma vaak voorkomt, vaker bij vrouwen dan bij mannen. Elke apotheker kent een aantal mensen die regelmatig hun medicatie komen halen. Astma is de uiting van een chronische ontstekingsreactie in de luchtwegen die zich uit als een longaandoening met aanvalsgewijs optredende vernauwing van de luchtwegen (bronchoconstrictie) door de verhoogde gevoeligheid van de luchtwegen voor allergische (o.a. bijvoorbeeld huisstofmijt, pollen) en niet-allergische (o.a. inspanning, rook, kou, mist, virale infecties) prikkels. Naast genetisch bepaalde factoren spelen ook omgevingsfactoren een belangrijke rol. Astma openbaart zich meestal op jonge kinderleeftijd, maar kan ook pas na het 50e jaar voor het eerst optreden. Indien astmapatiënten niet roken (waardoor na verloop van jaren COPD naast de astma kan ontstaan), heeft de astma nauwelijks invloed op de levensverwachting. Het is niet altijd gemakkelijk om de diagnose ‘astma’ te stellen. Voordat deze diagnose kan worden gesteld is het van groot belang alle belangrijke en nuttige gegevens te verzamelen die aan een correcte diagnose kunnen bijdragen zoals – natuurlijk! – de klachten van de patiënt maar ook de voorgeschiedenis (met inbegrip van het gebruik van geneesmiddelen), een mogelijke familiaire belasting (atopie), aanwijzingen voor een rol van (niet-)allergische prikkels (werk, hobby’s, roken!), lichamelijk onderzoek, allergologisch onderzoek en spirometrie. De belangrijkste wijzigingen van deze herziening van de NHG-Standaard zijn gedeeltelijk van diagnostische aard (andere criterium bij de spirometrie voor de conclusie dat er sprake is van luchtwegobstructie) en gedeeltelijk van therapeutische aard. Vooral de laatste aspecten zijn hier natuurlijk van belang en komen later aan de orde. Zelfmanagement Indien de diagnose astma wordt gesteld krijgt de patiënt – indien nog nodig – uitgebreid voorlichting over deze aandoening, vooral ook voor wat de patiënt er zelf aan kan doen: het zogenoemde zelfmanagement. De patiënt en zijn/haar huisarts bepalen samen of en zo ja, in welke mate, zelfmanagement in aanmerking komt en of een schriftelijk (of elektronisch) zorgplan gewenst is met persoonlijke behandeldoelen. Belangrijke aandachtspunten bij het zelfmanagement die deze NHG-Standaard duidelijk vermeldt, zijn - een gezonde leefstijl (d.w.z. niet roken, voldoende lichaamsbeweging, evenwichtige voeding en – indien van toepassing vermindering van het lichaamsgewicht); – TIP-aandachtspunten (d.w.z. therapietrouw, goede inhalatietechniek en het vermijden van prikkels die klachten uitlokken of verergeren); – aanpassingen van de dosering van de medicatie bij een exacerbatie; – omgang met de symptomen en lichamelijke, sociale en psychische gevolgen van astma. Het moge duidelijk zijn dat hierbij een flink aantal niet-medicamenteuze zaken aan de orde is zoals niet-roken of stoppen met roken (zie voor adviezen de NHG-Standaard Stoppen met roken), bewegen volgens de Nederlandse norm gezond bewegen: elke dag een half uur matig intensief bewegen zoals wandelen, fietsen, zwemmen of ‘fitness’, hulp van een...

Lees Verder
NHG-Standaard ADHD  bij kinderen herzien
dec15

NHG-Standaard ADHD bij kinderen herzien

De diagnose ‘ADHD’ heeft een lange en bonte geschiedenis. De gedrags­problemen  (‘some abnormal psychical conditions in children’) die men nu samenvat onder de naam ADHD zijn in 1902 voor het eerst in de Lancet beschreven door de Britse kinderarts Sir George F. Still. In 1937 werkte de Amerikaanse arts Charles Bradley in een inrichting voor moeilijk hanteerbare jongens, het Emma Pendleton Bradley Home in Providence, Rhode Island. In een poging hun hoofdpijn te behandelen schreef hij benzedrinesulfaat voor en zag tot zijn verbazing dat de schoolprestaties, sociale interacties en emotionele reacties aanzienlijk verbeterden. Hij breidde zijn klinische experimenten heel zorgvuldig uit en kwam tot de conclusie dat benzedrine een waardevol geneesmiddel was voor jongeren met bepaalde gedragsafwijkingen. Aanvankelijk werd niet veel aandacht aan zijn publicaties besteed en het zou zo’n 25 jaar duren voordat men er werkelijk mee aan de slag ging. In de loop der jaren zijn de bovengenoemde gedragsproblemen in de Angelsaksische literatuur met een goot aantal verschillende termen aangeduid: brain-injured, brain-damaged child, hyperkinetic impulse disorder, hyperexcitability syndrome, clumsy child syndrome, hyperactive child syndrome, hyperkinetic reaction of childhood, minimal brain dysfunction, organic brain disease, en nervous child. In 1980 verscheen de derde editie van de Diagnostic and Statistical Manual (DSM-III) met daarin de benaming ‘attention deficit disorder’ voor deze gedragsstoornissen. Predispositie Pas in de herziening van deze derde editie (DSM-III-R) in 1987 wordt deze aandoening ‘attention deficit hyperactivity disorder’ genoemd: ADHD. In het Nederlands gebruikt men de term ‘aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit’ of ‘aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis’. Met behulp van ‘positron emission tomography’ (PET) en fMRI scans is in de negentiger jaren aangetoond dat er in de hersenen van patiënten met ADHD  afwijkingen aantoonbaar zijn ten opzichte van de hersenen van gezonde proefpersonen. Men ziet ADHD thans als een uiting van een verstoorde ontwikkeling met vaak een genetische en familiaire predispositie. Onder invloed van ongunstige omgevingsfactoren komt deze predispositie tot uiting. Volgens DSM-5 moeten voor de diagnose ADHD minimaal zes van de negen kenmerken van onoplettendheid en van die van hyperactiviteit en impulsiviteit aanwezig zijn geweest gedurende minstens zes maanden, in een mate die niet in overeenstemming is met het ontwikkelingsniveau en die een negatieve invloed hebben op sociale, schoolse of beroepsmatige activiteiten. Voor een opsomming van deze lijst van kenmerken verwezen zij naar de DSM-5 (www.dsm-5-nl.org; www.dsm5.org). De DSM-5 onderscheidt drie vormen van ADHD, naar gelang van de mate waarin deze kenmerken aanwezig zijn. De meest voorkomende vorm is het gecombineerde beeld, waarbij zowel sprake is van onoplettendheid als van hyperactiviteit-impulsiviteit. Minder vaak gediagnosticeerd wordt het overwegend onoplettende beeld (ook wel ADD genoemd), en het overwegend hyperactieve-impulsieve beeld komt het minst vaak voor. Om te kunnen spreken van ADHD moet...

Lees Verder
Standaard Acute diarree herzien: geringe rol voor medicatie
nov13

Standaard Acute diarree herzien: geringe rol voor medicatie

De ernstige problemen die ‘EHEC’ veroorzaakte liggen nog vers in het geheugen. EHEC was een enterotoxische variant van E. coli die onder meer hemorragische colitis, diarree, darmbloedingen en nierfalen veroorzaakte. Gelukkig loopt het meestal niet zo’n vaart met de gastro-intestinale infecties die vaak de oorzaak zijn van acute diarree. De NHG-Standaard Acute diarree geeft nuchtere cijfers en ter zake doende adviezen over deze veel voorkomende aandoening. Overigens worden de termen acute diarree (symptoom) en acute infectieuze gastro-enteritis (ziektebeeld) door elkaar gebruikt. Als het over diarree gaat zijn twee zaken van groot belang voor diagnose en therapie: is de diarree acuut of chronisch? En is de patiënt een kind of oudere of ‘gewone’ volwassene? Acute diarree is gedefinieerd als een plotseling optredende afwijking van het gebruikelijke defecatiepatroon die korter dan veertien dagen bestaat; de frequentie en de hoeveelheid van de ontlasting zijn toegenomen en de ontlasting bevat meer water dan gewoonlijk. Hoewel slechts één van de drie genoemde kenmerken objectief kan worden vastgesteld, geeft de diagnose ‘acute diarree’ in de praktijk toch weinig problemen. Cijfers Uit de gegevens betreffende infectieziekten van het maagdarmkanaal op www.nationaalkompas.nl blijkt dat de hoogste incidentie zich voordoet bij (heel) jonge kinderen (0-4 jaar: 25-50 gevallen per 1000 mensen; kans op dehydratie) en dat de hoogste sterfte aan deze infecties optreedt bij ouderen boven de 75 jaar (van ca. 5 per 1000 mensen oplopend tot 25 per 1000 mensen in de groep ouder dan 85 jaar). Dit zijn dus de groepen die de grootste aandacht moeten krijgen. Zie later in dit artikel. Men schat dat in Nederland ongeveer 4,5 miljoen personen een keer gastro-enteritis krijgen. Slechts een klein deel van deze mensen doet een beroep op de huisarts – gelukkig maar! Oorzaak Het grootste deel van de gevallen van acute diarree is het gevolg van een gastro-intestinale infectie veroorzaakt door een micro-organisme (virus, bacterie of parasiet; parasitaire infecties leiden overigens vaak tot een langere ziekteduur). Ook een van bacteriën afkomstig toxine kan de oorzaak zijn. Reizigersdiarree (ook bekend onder een aantal fraaie namen zoals Montezuma’s revenge, Delhi belly, Estomac anglais) is een infectie van het maagdarmkanaal die ontstaat tijdens of kort na een reis. Bij de infectieuze gastro-enteritis wordt de diarree veroorzaakt door actieve secretie van water en elektrolyten (door een direct effect van toxinen op de secretiemechanismen) en/of ontstekingsvocht door de darmmucosa in het lumen. Bij virale infecties kan tevens het absorberend oppervlak zijn verkleind. Ook bij ernstige diarree blijft de gekoppelde opname van natrium en glucose aanwezig waarbij water passief de osmotische gradiënt die door het transcellulaire transport van deze stoffen ontstaat, volgt. Hierop is de behandeling met ‘oral rehydration salts’ (ORS) gebaseerd. Bij...

Lees Verder
NHG-Standaard Astma bij kinderen – opnieuw herzien
okt04

NHG-Standaard Astma bij kinderen – opnieuw herzien

De NHG-Standaard Astma bij kinderen bestaat al geruime tijd en dat is een goede zaak: astma komt bij kinderen veel voor en tijdige en goede diagnostiek, begeleiding en behandeling kunnen veel narigheid op latere leeftijd voorkomen. De laatste herziening stamt uit 2006 en recent is de derde herziening gepubliceerd (Bindels et al., 2014). Astma komt veel voor en de prevalentie neemt toe. In de periode 2001-2011 is de prevalentie van astma voor mannen met 46% en voor vrouwen met 57% gestegen. De demografische ontwikkelingen kunnen slechts een klein deel van deze stijging verklaren, het grootste deel is waarschijnlijk te verklaren door epidemiologische ontwikkelingen zoals veranderingen in leefomgeving en leefstijl. Op 1 januari 2011 hadden 475.400 mensen astma: 218.400 mannen en 259.000 vrouwen (26,5 per 1.000 mannen en 30,8 per 1.000 vrouwen). Men schat dat dit in de periode 2011 tot 2030 met ongeveer 3% zal stijgen. Dit is slechts een geringe stijging ten opzichte van die van een aantal ouderdomsziekten die met 30-50% zullen toenemen en van COPD die met 39% zal toenemen. Astma is een ziekte die vooral bij kinderen en jongvolwassenen voorkomt en de vergrijzing heeft daarom niet of nauwelijks invloed op het aantal mensen met astma. Meest voorkomende chronische ziekte Astma is de meest voorkomende chronische ziekte bij kinderen. De prevalentie bij 4- tot 18-jarigen is ongeveer 4-7%. In de algemene Nederlandse bevolking zijn ongeveer 85.000 kinderen met astma. De prevalentie in de huisartsenpraktijk bij kinderen van 1 tot 4 jaar is 33,8 per 1000 patiënten; bij kinderen van 5 tot 14 jaar is deze 35,9 per 1000 patiënten. Bij jonge kinderen komt astma ongeveer tweemaal zo vaak voor bij jongens als bij meisjes. Kinderen van Turkse en Marokkaanse oorsprong lijken minder vaak astma te hebben dan kinderen van Nederlandse, Surinaamse en Antilliaanse herkomst. Het is een chronische ontsteking van de kleine luchtwegen die leidt tot recidiverende aanvallen van reversibele en gedeeltelijk reversibele luchtwegobstructie. Deze luchtwegobstructie uit zich in een gevoel van benauwdheid en in piepende ademhaling. Tussen de aanvallen door is het kind meestal klachten- en symptoomvrij. Astma kan verband houden met allergie (waarbij IgE-antilichamen een belangrijke rol spelen), bijvoorbeeld voor huisstofmijt, huisdieren of pollen, maar ook de gevoeligheid voor niet-allergische prikkels (inspanning, rook, mist, stof) kan zijn verhoogd. Kinderen met astma zijn dan ook vaak gevoeliger dan andere kinderen voor aspecifieke prikkels, zoals tabaksrook, parfum of luchtverontreiniging. Het genotype heeft belangrijke invloed op het ontstaan van astma. Kinderen uit een gezin waarin één ouder astma heeft, hebben een twee- tot viermaal grotere kans om astma te krijgen dan kinderen van wie geen van de ouders astma heeft. Als beide ouders astma hebben, is de...

Lees Verder
Acuut hoesten – de NHG-Standaard 2011 nader beschouwd
sep11

Acuut hoesten – de NHG-Standaard 2011 nader beschouwd

Dit is het zevende artikel in de reeks ‘Standaarden en richtlijnen’ waarin arts en klinisch farmacoloog J.M.A. Sitsen nieuwe of herziene zorgstandaarden en richtlijnen voor u verheldert en duidt. Wat zijn de belangrijkste vernieuwingen en aanpassingen en wat betekent dit voor uw dagelijkse praktijk? Er wordt heel wat afgehoest. Vooral bij jong en bij oud. Thuis, op het werk, in openbare ruimten, in concertzalen, waar dan ook, het wekt vaak veel ergernis omdat veel mensen maar in zeer beperkte mate trachten de geluidsproductie tijdens het hoesten te beperken (terwijl dat door een zakdoek tegen je mond te houden tijdens het hoesten heel goed mogelijk is). Wat is hoesten eigenlijk? En hoe ontstaat het? Hoesten is onderdeel van het afweersysteem dat de luchtwegen beschermt tegen schadelijke invloeden van buitenaf die zich in de inademingslucht bevinden. Daarnaast zorgt hoesten ervoor dat lichaamsvreemd materiaal en (een overmaat aan) slijm uit de grotere luchtwegen naar buiten wordt verwijderd. Hoesten is het gevolg van een reflex die ontstaat door beschadiging van het epitheel en prikkeling van de daarin aanwezige zenuwuiteinden (zogenaamde hoestreceptoren). Waarschijnlijk gaat het om verschillende soorten receptoren (mechanosensitieve en irritantiareceptoren). Stimulering van deze receptoren kan leiden tot hoesten maar ook tot een ademstilstand (apnoe). De kriebel in de keel die wordt tegengegaan door hoesten kan men in zekere zin vergelijken met jeuk van de huid die met krabben wordt bestreden. Hoesten is dus eigenlijk zoiets als een beetje krabben van de luchtwegen. Prikkeling De ‘hoestreceptoren’ bevinden zich langs de gehele ademhalingsweg, in de farynx en vooral in het achterste deel van de trachea, de carina en de bifurcaties van de grotere luchtwegen en in mindere mate in de distaal gelegen kleinere luchtwegen. Als hoesten ontstaat door prikkeling van de lagere luchtwegen is er eerst een geringe inademing, bij prikkeling van de larynx treedt deze inademing niet op om te voorkomen dat het lichaamsvreemde voorwerp dat de prikkeling veroorzaakt verder wordt ingeademd. Door krachtige uitademing tegen een gesloten glottis loopt de intrathoracale (en intra-abdominale) druk vervolgens flink op. Als de glottis zich opent ontstaat een zeer snelle (tot wel 800 km/uur!) luchtstroom in vooral de hogere luchtwegen die ‘alles’ meeneemt wat hij op zijn weg naar buiten tegenkomt. Bij dit alles moet men niet vergeten dat een hoestprikkel ook kan ontstaan in de externe gehoorgang, de sinus maxillaris, het diafragma, de pleura, het pericard en de maag. Oorzaken Hoesten heeft verschillende oorzaken en is niet altijd het gevolg van een infectie: de hoestreflex kan worden opgewekt door een ontstekingsreactie van het slijmvlies (infectie, hyperreactiviteit), maar ook door mechanische beschadiging (aspiratie, corpus alienum) of door prikkeling (gassen, tabaksrook, airconditioning, uitlaatgassen, chloor- en zwaveldampen, erg...

Lees Verder
Herziening van de NHG-Standaard Psoriasis
mei06

Herziening van de NHG-Standaard Psoriasis

Sinds enige tijd ziet men psoriasis in zijn verschillende uitingsvormen als een auto-immuunziekte. Na niet altijd even duidelijke stimuli vindt men in de epidermis grote aantallen geactiveerde T-lymfocyten die kennelijk in staat zijn om op de plaats van de stimulus (bijvoorbeeld een verwonding) de proliferatie van keratinocyten te bevorderen. Aldus vormt zich op deze plaats een laesie van psoriasis (Köbner-fenomeen). Er is dan uiteindelijk een ontstekingsproces ontstaan met vorming van verschillende cytokines, zoals onder andere TNF, interferon-γ en IL-12. Hoewel psoriasis wordt gerekend tot de auto-immuunziekten is men er tot dusver niet in geslaagd om een psoriasis-antigeen aan te tonen. Van enkele (groepen van) geneesmiddelen staat vast dat zij psoriasis kunnen uitlokken en/of verergeren. Het betreft de bèta-blokkers, NSAID’s en (hydroxy) chloroquine. In veelal casuïstische mededelingen is van een betrekkelijk groot aantal andere geneesmiddelen een mogelijke rol bij het ontstaan van psoriasis gemeld, zoals onder meer digoxine, amiodaron, carbamazepine, kinidine, fluoxetine, ACE-remmers en valproïnezuur.  Ook van streptokokken en het hiv-virus is bekend dat zij psoriasis kunnen uitlokken. Uit epidemiologische onderzoeken is gebleken dat stress, roken en gebruik van alcohol de kans op het ontstaan en/of verergeren van psoriasis verhogen. Verschillende vormen Bij psoriasis zijn kenmerkende afwijkingen van de huid aanwezig. De huid toont scherp omschreven, verheven, erythemateuze plekken die zilvergrijze huidschilfers loslaten. Deze komen met name voor aan de strekzijde van ellebogen en knieën, maar ook op het hoofd, de romp en andere delen van het lichaam. Soms is er daarbij pijn, die zich ook in de gewrichten kan voordoen (artritis psoriatica, een asymmetrische oligoartritis die bij ongeveer 20-30% van de patiënten met psoriasis voorkomt). Nagelafwijkingen, conjunctivitis en blefaritis kunnen ook optreden. Psoriasis kan zich in verschillende vormen openbaren zoals onder andere plaque psoriasis (zonder schilfers) en psoriasis guttata (acuut opgetreden erythematosquameuze papels met een diameter tot 1 cm). De ernst van de aandoening wordt bepaald aan de hand van het percentage van het totale huidoppervlak dat is aangedaan (licht <5%; matig ernstig 5-10%; ernstig >10%). Psoriasis is een aandoening die in het algemeen met remissies en exacerbaties levenslang aanwezig blijft. Psoriasis guttata geneest bij kinderen vaak spontaan in de loop van enkele weken. Epidemiologie Naar schatting is in Nederland in de huisartsenpraktijk de incidentie van psoriasis ongeveer 2 per 1000 mensen. Men schat de totale prevalentie in de westerse wereld op ongeveer 2-3%. In 90% van de gevallen gaat het om plaque psoriasis. Psoriasis komt vaker voor bij oudere volwassenen, bij mannen iets vaker dan bij vrouwen. Er is een genetische predispositie die samen met omgevingsfactoren de kans op het ontstaan van psoriasis bepaalt. Behandeling Bij de behandeling van psoriasis maakt men gebruikt van verschillende vormen van plaatselijke...

Lees Verder
Herziene NHG-Standaard Hoofdpijn
apr08

Herziene NHG-Standaard Hoofdpijn

Ongeveer 10 jaar na de tweede herziening is thans – januari 2014 – de derde herziening van de NHG-Standaard Hoofdpijn verschenen. Er is bij de diagnostiek en behandeling van hoofdpijn niet heel veel veranderd in die tien jaren, en wat ook niet is veranderd is dat hoofdpijn nog steeds heel vaak voorkomt. Volgens de Nederlandse Vereniging van Hoofdpijnpatiënten (www.hoofdpijnpatienten.nl) zijn er ongeveer 500.000 mensen in Nederland die meer dan 15 dagen per maand hoofdpijn hebben. En meer dan de helft van deze mensen is er nog nooit mee naar hun huisarts gegaan. Zij komen vast en zeker regelmatig bij de apotheek – of drogist – om pijnstillers te halen. Spanningshoofdpijn Men onderscheidt een aantal verschillende vormen van hoofdpijn. Spanningshoofdpijn komt verreweg het meeste voor en epidemiologische gegevens laten zien dat ongeveer 60% van de bevolking wel eens klachten heeft van spannings­hoofdpijn. De ernst van spanningshoofdpijn is licht tot matig. Spanningshoofdpijn is tweezijdig, drukkend en neemt niet toe bij lichamelijke activiteiten en kan gedurende een half uur tot vele dagen aanwezig zijn, zonder misselijkheid of braken. Overgevoeligheid voor licht en/of geluid komt meestal niet voor, zelden één van beide. Spanningshoofdpijn komt ook bij kinderen voor en deze zit dan rondom de schedel of in de nek, net als bij volwassenen. Bij kinderen duurt spanningshoofdpijn zelden een hele dag. Over de oorzaak van spanningshoofdpijn is niet veel bekend. Spanningshoofdpijn is geen ernstige aandoening maar kan het dagelijks leven wel in negatieve zin beïnvloeden. Migraine Minder vaak dan spanningshoofdpijn maar toch nog vaak komt migraine in zijn verschillende vormen voor: ongeveer 15% van de bevolking heeft er mee te maken. Met andere woorden, de prevalentie van spanningshoofdpijn is 60% en die van migraine 15%. Indrukwekkende cijfers. Migraine is een neurovasculaire aandoening met heftige hoofdpijn die in aanvallen optreedt. De aanvallen kunnen wisselen in ernst en duur. Bij vrouwen met migraine houdt het optreden van de aanvallen in ongeveer 60% van de gevallen verband met de menstruatiecyclus: meestal treden de aanvallen op voor of tijdens de menstruatie. Mogelijk is oestrogeenonttrekking een uitlokkende factor. Eerstegraadsfamilieleden van een patiënt met migraine met aura hebben een naar schatting bijna viermaal verhoogd risico op het krijgen van migraine met aura. Bij migraine met aura is er – waarschijnlijk alleen bij vrouwen – een  tweemaal verhoogd risico op een beroerte (herseninfarct), bij migraine zonder aura daarentegen niet. Aanvallen van migraine worden nogal eens (ongeveer 20% van de gevallen) voorafgegaan door een zogenoemd aura: een focaal neurologisch symptoom dat zich kan uiten in één of meer reversibele symptomen zoals visusstoornissen (bijv. flikkerscotomen: een flikkerend sterretje aan een kant van het gezichtsveld van beide ogen, dat in de loop van...

Lees Verder
Minder cardiovasculair risico,  dus meer statines?
mrt11

Minder cardiovasculair risico, dus meer statines?

De NHG-Standaard Cardiovasculair Risicomanagement gepubliceerd in december 2012 geeft veel informatie betreffende risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen zoals beroerte, angina pectoris en hartinfarct. Het betreft onder meer leeftijd, geslacht, ethniciteit, alcoholgebruik, voeding, roken, lichaamsbeweging, diabetes mellitus, bloeddruk en zeker ook het lipidenprofiel in het bloed. Met de gegevens van de individuele patiënt stelt men een zogenoemd risicoprofiel op waarmee vervolgens een schatting kan worden gemaakt van het risico op ziekte of sterfte door hart- en vaatziekten in de komende tien jaar. Volgens deze Standaard is een hoog risico ≥20%, een matig risico 10% tot 20% en een laag risico <10% op ziekte of sterfte in de komende 10 jaar. Een gezonde leefwijze met gezonde voeding (en niet te veel!), voldoende lichaamsbeweging en – voor zover van toepassing – stoppen met roken wordt altijd aangeraden, ook bij patiënten met een zogenaamd 10-jaarsrisico <10%. Daarnaast kan medicamenteuze therapie nuttig zijn maar – zo concludeert men – bij een 10-jaarsrisico op ziekte of sterfte door hart- en vaatziekten < 10% is medicamenteuze behandeling van lichte tot matige hypertensie (systolische bloeddruk 140-160 mmHg) en/of licht tot matig verhoogd cholesterolgehalte (TC/HDL-ratio 5 tot 8) meestal niet zinvol. Primaire preventie Bij de risicoschatting speelt de verhouding tussen ‘totaal cholesterol’ (TC) en ‘HDL-cholesterol’ (HDL; TC/HDL-ratio) een belangrijke rol, terwijl voor het volgen van de resultaten van de behandeling de aandacht vooral uitgaat naar ‘LDL-cholesterol’ (LDL). Een belangrijk onderwerp hierbij is uiteraard de primaire preventie. Hierbij geldt dat patiënten met een TC/HDL-ratio >8 zonder meer in aanmerking komen voor medicatie (dat wil zeggen een statine), ongeacht het vastgestelde risico op hart- en vaatziekten. Op grond van het gegeven dat elke mmol/l daling van LDL ongeveer 20% verlaging van het relatieve risico op ziekte of sterfte door hart- en vaatziekten en 10% vermindering van het relatieve risico op sterfte in het algemeen oplevert, streeft men naar een LDL-concentratie ≤2,5 mmol/l. Als met een verbetering van de leefstijl en optimaal gebruik van statines deze waarde niet wordt gehaald, is in een andere paragraaf vermeld hoe dan te handelen. Soms raken de leefstijl- of therapeutische mogelijkheden uitgeput en moet men deze hoge waarde helaas accepteren. De European Society of Cardiology (ESC) en de European Atherosclerosis Society (EAS) hebben in 2011 ‘Guidelines for the management of dyslipidaemias’ gepubliceerd. Hierin worden eveneens aanwijzingen gegeven om het risico op cardiovasculaire ziekten bij individuele patiënten te schatten en ook aanwijzingen voor de behandeling van te hoge cholesterolconcentraties. Deze richtlijn geeft voor patiënten met een heel hoog risico (met hartvaatziekte, diabetes mellitus type 2 met orgaanschade, matige tot ernstige chronische nierziekte of een berekend 10-jaarsrisico ≥10%) het advies om te streven naar een LDL <1,8 mmol/l...

Lees Verder
Pagina 1 van 212