Rapport over verschillende aspecten van reuma
jun08

Rapport over verschillende aspecten van reuma

In ons land hebben bijna 2 miljoen mensen een reumatische aandoening. Dit legt een grote druk op de zorg. Mensen met een reumatische aandoening hebben veel ondersteuning nodig bij het dagelijks functioneren, zowel van professionals als van mantelzorgers. Met de toenemende vergrijzing zal het aantal mensen met een reumatische aandoening nog fors stijgen en daarmee eveneens de vraag naar zorg en ondersteuning. Het NIVEL heeft in opdracht van het Reumafonds een onderzoek uitgevoerd naar mensen met een reumatische aandoening en hun zorgvraag. De meeste reumatische aandoeningen vallen onder vier hoofdaandoeningen: chronische ontstekingsreuma, artrose, jicht en osteoporose. Vier maal zoveel thuiszorg
 Patiënten met reuma ontvangen ruim vier keer zo vaak thuiszorg dan de gemiddelde Nederlander. Voor persoonlijke verzorging is dat zelfs vijf keer zo vaak. Het zijn vooral ouderen die lijden aan de reumatische aandoening, terwijl juist bij deze groep de vraag naar zorg hoger ligt. Zo krijgt 40% van de 75-plussers met reuma thuiszorg. Goede afstemming
 Mensen met een reumatische aandoening zijn zeer tevreden over de kwaliteit van de reumazorg in Nederland. De huisarts, specialist, fysiotherapeut, apotheker en gespecialiseerde verpleegkundige krijgen allemaal een rapportcijfer tussen de 7,5 en de 8,3. Ze zijn echter minder tevreden over de afstemming tussen de verschillende zorgverleners, evenals over de afstemming tussen de zorg voor hun reumatische aandoening en de zorg voor andere chronische aandoeningen. Omdat mensen met een reumatische aandoening vaak meerdere aandoeningen hebben, is het voor de toekomst van belang dat de zorg voor mensen met een reumatische aandoening beter op elkaar wordt afgestemd. Hiervoor bestaan al initiatieven, zoals de medicatiebeoordeling door de huisarts en apotheker, maar deze initiatieven kunnen nog verder worden uitgebreid. Ook zou substitutie van de tweede naar de eerste lijn voor een deel van de mensen met een reumatische aandoening eraan kunnen bijdragen dat de zorg minder versnipperd is over verschillende zorgverleners. Tevens is het van belang dat zorgverleners zich ervan bewust zijn dat niet elke patiënt de vaardigheid bezit om in de veelheid aan zorgverleners en zorginstanties de weg te vinden. Nivel-rapport
 Het Nivel-rapport “Reumatische aandoeningen in Nederland: ervaringen en kengetallen”  is in twee delen opgeleverd. Nu het tweede deel gereed is, is het gehele rapport op 1 juni jl. aangeboden aan André Rouvoet, voorzitter Zorgverzekeraars Nederland. Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

Lees Verder
Off-labelgebruik van geneesmiddelen in de Europese Unie
mrt16

Off-labelgebruik van geneesmiddelen in de Europese Unie

Offlabelgebruik betekent dat geneesmiddelen op een andere manier gebruikt worden dan waarvoor zij zijn geregistreerd. Offlabelgebruik van geneesmiddelen in de Europese Unie komt veelvuldig voor, zowel in de eerstelijns- als in de tweedelijnszorg. Dit blijkt uit  studie van het Nivel, het RIVM en de EPHA (Europese alliantie voor publieke gezondheidszorg), uitgevoerd op verzoek van de Europese Commissie. Off-labelgebruik komt vaak voor bij kinderen en bij mensen met een zeldzame ziekte, maar bijvoorbeeld ook bij kanker, reuma en in de psychiatrie. Er zijn verschillende redenen voor het off-labelgebruik. Vaak is geen andere behandeling voor de patiënt en is off-labelgebruik van een geneesmiddel de enige optie. Ook tijd en kosten om een nieuwe toepassing van een bestaand geneesmiddel te ontwikkelen, kunnen een rol spelen. Daarnaast wordt soms een geneesmiddel offlabel gebruikt omdat het goedkoper is. Landelijke regelingen Verschillende landen in de Europese Unie hebben regelingen getroffen op het gebied van veilig en verantwoord off-labelgebruik. Frankrijk heeft een systeem waarin producten tijdelijk worden aanbevolen voor gebruik, waarbij monitoring plaatsvindt. In Hongarije moeten artsen voor het off-label voorschrijven toestemming vragen aan een speciale commissie. In Nederland is off-label voorschrijven toegestaan als de toepassing is opgenomen in de standaarden en protocollen van de beroepsgroep. Als deze nog in ontwikkeling zijn, moet de voorschrijver eerst overleggen met een apotheker. Mogelijkheden voor beleid Voor de studie is aan experts gevraagd welke andere mogelijkheden zij zien voor beleid en maatregelen. Daarbij komen tien opties naar voren, waaronder Europese ondersteuning van de lidstaten bij het opstellen van nationale richtlijnen voor off-labelgebruik. Een andere suggestie is het meer stimuleren van farmaceutische bedrijven om producten te registreren voor nieuwe indicaties of doelgroepen. Andere genoemde voorstellen zijn: uitgebreider monitoren van de werkzaamheid plus de bijwerkingen van off-label gebruikte geneesmiddelen en de noodzaak voor goede en toegankelijke informatie voor de patiënt. Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

Lees Verder
Start register voor medicijnen overactieve blaas
feb15

Start register voor medicijnen overactieve blaas

Het NIVEL en Bijwerkingencentrum Lareb ontwikkelen een methode om snel informatie te krijgen over de werking en de bijwerkingen van medicijnen. Er wordt gestart met medicijnen die gebruikt worden bij een overactieve blaas. Daarna wordt deze methode inzetbaar voor veel meer aandoeningen. Voordat een medicijn op de markt komt, is weliswaar al redelijk veel bekend over de werking en bijwerkingen van een geneesmiddel, maar beslist nog niet alles. In het kader van de medicatieveiligheid en patiëntveiligheid is het monitoren van bijwerkingen van medicijnen van belang. De keuze van het NIVEL en Lareb in dit project te starten met medicatie voor een overactieve blaas is gelegen in het feit omdat die aandoening veel voorkomt in de eerste lijn, en patiënten hierbij een negatieve kwaliteit van leven ervaren. Lareb en het NIVEL willen op termijn de methode uiteraard gaan inzetten voor veel meer aandoeningen. Patiëntervaringen Via de vijfhonderd huisartsenpraktijken die deelnemen aan NIVEL Zorgregistraties eerste lijn worden in totaal zeshonderd patiënten met een overactieve blaas geïncludeerd. Deze mensen worden gevraagd naar hun ervaringen middels online vragenlijsten via Lareb Intensive Monitoring. Hun ervaringen worden aangevuld met gegevens uit de patiëntendossiers. Deze informatie helpt zorgverleners en patiënten bij de afweging om een medicijn voor te schrijven of te gebruiken. Project Het project wordt gefinancierd door ZonMw en loopt van 1 januari 2017 t/m 31 december 2019. Een begeleidingscommissie van vertegenwoordigers van Stichting Bekkenbodem Patiënten, het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, het Nederlands Huisartsen Genootschap en de Nederlandse Vereniging van Urologen adviseren het project. Daarnaast nemen een gezondheidseconoom en hoogleraar farmacotherapie deel aan de commissie. Zie informatie bij Lareb: www.lareb.nl/Nieuws/2017/Start-register-voor-medicijnen-overactieve-blaas Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

Lees Verder
Ketenzorg antistolling zoekt weg naar praktijk
mei01

Ketenzorg antistolling zoekt weg naar praktijk

De Landelijke Standaard Ketenzorg Antistolling (LSKA 1.0) en de Leidraad begeleide introductie nieuwe orale antistollingsmiddelenuit 2012 zijn grotendeels geïmplementeerd. Voor de 2.0 versie van de LSKA is het draagvlak groot, maar ontbreekt invoering in de praktijk. Zo blijkt uit onderzoek van NIVEL. Antistollingsmiddelen zijn risicovolle medicijnen, omdat ze het risico op een bloeding verhogen, terwijl er bij een onvoldoende stollingsniveau juist een verhoogd risico ontstaat op trombose. Bij de behandeling van patiënten die antistollingsmiddelen gebruiken, zijn vaak meerdere medischspecialisten, de huisarts, een apotheker en de trombosedienst betrokken. Samenwerking en afstemming tussen deze zorgverleners is essentieel maar complex, en een potentiële bron van fouten. Daarnaast zijn recent nieuwe antistollingsmiddelen op de markt gebracht, wat die complexiteit nog vergroot. Hierdoor ontstond de behoefte de structuur van de organisatie rond antistolling aan te passen en te verbeteren, en zijn daarvoor verschillende richtlijnen ontwikkeld. Regionale Antistollingscentra en Expertisecentra De landelijke standaard 2.0 beveelt een regionale structuur van de antistollingszorg aan, die de ketenzorg samenbrengt in Regionale antistollingscentra en Expertisecentra. Deze centra zijn gebaseerd op samenwerkingsverbanden tussen meerdere trombosediensten en meerdere ziekenhuizen. Slechts in één regio in Nederland zijn op dit moment formeel een regionaal antistollingscentrum en een expertisecentrum opgericht. In verschillende andere regio’s wordt wel gebrainstormd over de toekomstige vormgeving van deze centra, maar ontbreken financiële middelen, ondersteuning en coördinatie om daadwerkelijk de implementatie in gang te zetten. Omdat regio’s van elkaar verschillen, lijkt niet één aanpak of model het juiste voor de vormgeving van regionale antistollingscentra en expertisecentra. In gesprek  gaan over vervolgstappen Om gezamenlijk tot succesvolle implementatie van de nieuwe standaard, de LSKA 2.0 te komen, is het zinvol dat de verschillende bij antistollingszorg betrokken zorgverleners en instanties met elkaar in gesprek gaan en gezamenlijk concrete vervolgstappen bedenken. Procesbegeleiding op zowel regionaal als landelijk niveau, kan helpen om snellere en grotere stappen te zetten.Het onderzoek naar de stand van zaken bij implementatie van LSKA versie 2.0 bij het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, werd geleid door prof. dr. Cordula Wagner en is hier te downloaden. Tekst: Kees Kommer  ...

Lees Verder
In Kerkrade ruim tweemaal zo veel recepten dan in Utrecht
mrt10

In Kerkrade ruim tweemaal zo veel recepten dan in Utrecht

De gemeente Kerkrade heeft met 13 per inwoner het hoogst geschatte aantal voorschriften van geneesmiddelen. De gemeente Utrecht heeft met 5,7 het laagst geschatte aantal voorschriften per inwoner. Door de bevolkingssamenstelling zijn er vergelijkbare verschillen in de vraag naar andere zorg in de eerste lijn. Dat blijkt uit gegevens van de VAAM van NIVEL en NPCF. Met de Vraag Aanbod Analyse Monitor willen het NIVEL en de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie een bijdrage leveren aan de discussie over een zo goed mogelijke afstemming van het aanbod van eerstelijns voorzieningen op de lokale vraag. Deze informatie is vooral van belang voor organisaties die zich bezighouden met de beschikbaarheid en bereikbaarheid van eerstelijnszorg op lokaal niveau, zoals gemeenten, GGD’en, regionale ondersteuningsstructuren, grotere gezondheidscentra of koepels, verzekeraars en regionale patiënten- en consumentenorganisaties. Leeftijd, huishouden, inkomen “De bevolkingssamenstelling van een gebied blijkt sterk samen te hangen met de vraag naar eerstelijnszorg”, stelt NIVEL-afdelingshoofd professor Dinny de Bakker. “Met name de samenstelling naar leeftijd, het percentage eenpersoonshuishoudens en het percentage mensen met een laag inkomen van een gebied, hebben een sterke samenhang met bijvoorbeeld de vraag naar huisartsenzorg.” Utrecht en Kerkrade NIVEL heeft op basis van de lokale bevolkingssamenstelling het aantal geneesmiddel voorschriften per inwoner berekend. De gemeente Utrecht heeft met 5,7 het laagst geschatte aantal voorschriften per inwoner. Dit lage aantal voorschriften per inwoner wordt verklaard door het hoge aantal jongeren, het lage aantal ouderen en het hoge aantal eenpersoonshuishoudens. De gemeente Kerkrade heeft met 13 per inwoner het hoogst geschatte aantal voorschriften van geneesmiddelen. Hier wonen relatief veel ouderen en veel mensen met een laag inkomen. Vaals en Urk Vergelijkbaar zijn de verschillen in behoefte aan huisartsenzorg. Uit de berekeningen van het NIVEL blijkt dat in de gemeente Vaals een inwoner 5,7 keer per jaar de huisarts bezoekt. Dit hoge aantal huisartsbezoeken komt door het relatief hoge aantal ouderen en het relatief lage aantal jongeren. Hiernaast is het percentage lage inkomens hoog. De gemeente Urk heeft met 3,7 huisartsbezoeken per inwoner per jaar het laagste aantal; in deze gemeente wonen relatief veel jongeren en weinig ouderen, hiernaast zijn er weinig eenpersoonshuishoudens en weinig niet-westerse allochtonen. Zorgmonitor meet lokale vraag Met de VAAM is per postcode, gemeente of regio de vraag te berekenen naar huisartsenzorg, farmaceutische zorg, fysiotherapeutische zorg, eerstelijns geestelijke gezondheidszorg, oefentherapie, diëtetiek, verloskundige zorg en logopedie. Daarnaast is met deze zorgmonitor op lokaal niveau de vraag naar zorg voor specifieke aandoeningen, bijvoorbeeld chronische ziektes of psychosociale problemen, te bepalen. De vraag is gebaseerd op de bevolkingssamenstelling en wordt vergeleken met het lokale aanbod aan huisartsen, fysiotherapeuten en verloskundigen om de afstemming tussen vraag en aanbod te analyseren. De VAAM wordt gesubsidieerd...

Lees Verder
21 tot 43 procent teveel voorgeschreven
jan19

21 tot 43 procent teveel voorgeschreven

Geneesmiddelen overhouden? Dat blijkt te verschillen per huisarts. Patiënten uit de ene praktijk houden veel meer geneesmiddelen over dan patiënten uit de andere praktijk, zo blijkt uit een publicatie van onderzoekers van het NIVEL in het Pharmaceutisch Weekblad. De patiënten geven het vaakste aan met hun geneesmiddel te stoppen op advies van de arts. Andere veel genoemde redenen zijn dat de arts niet de juiste dosering of hoeveelheid heeft voorgeschreven, of voor een te lange periode. NIVEL-onderzoeker Margreet Reitsma: “Ook deze redenen verschillen tussen huisartsenpraktijken. Wellicht kunnen artsen dus ook bijdragen aan een besparing op geneesmiddelen door nog zorgvuldiger voor te schrijven. Het blijft zoeken naar een optimum tussen tegemoetkomen aan de individuele patiënt en het beperken van de hoeveelheid ongebruikte geneesmiddelen.” Oorzaken van verspilling NIVEL deed uitgebreid onderzoek. Ruim een derde van de mensen die geneesmiddelen op recept gebruiken, houdt die weleens over. Dit is de meest genoemde bron van verspilling bij het Meldpunt Verspilling van het ministerie van VWS. Met een zorgvuldiger geneesmiddelgebruik is jaarlijks naar schatting 7% op de zorguitgaven te besparen. Geneesmiddelen overhouden is overigens niet altijd verspilling. Het kan te maken hebben met de grootte van de standaardverpakking: als je zestien tabletten moet nemen uit een strip van twintig, houd je er vier over. Dat kan goedkoper zijn dan het aantal tabletten per strip aan te passen. Of als een chronisch zieke patiënt slecht ter been is, ligt het voor de hand deze wat grotere hoeveelheden voor te schrijven zodat deze patiënt niet iedere week opnieuw de gang naar de apotheek hoeft te maken. Verschillen per praktijk Er zijn dus allerlei goede redenen om geneesmiddelen over te houden. Vaak wordt echter gedacht dat patiënten die geneesmiddelen overhouden daar zelf wat laconiek mee omspringen, ze vergeten of er uit eigen beweging mee stoppen omdat ze niet aanslaan of vanwege bijwerkingen. Een deel van de hoeveelheid ongebruikte geneesmiddelen blijkt ook afhankelijk te zijn van de arts. Patiënten van de ene huisartsenpraktijk blijken veel meer geneesmiddelen over te houden dan patiënten van de andere huisartsenpraktijk. Het varieert van 23% in de ene tot 41% in de andere. Gegevens consumenten en huisartsen gecombineerd Wat is de rol van de dokter hierin? Voor het onderzoek zijn antwoorden op vragenlijsten van leden van het Consumentenpanel Gezondheidszorg gecombineerd met gegevens uit zeven huisartsenpraktijken uit de NIVEL Zorgregistraties eerste lijn. Het panel bestaat uit ruim 10.000 mensen van 18 jaar en ouder. NIVEL Zorgregistraties verzamelt routinematig gegevens bij onder meer 478 huisartsenpraktijken met meer dan anderhalf miljoen ingeschreven patiënten. Een deel van de panelleden is via deze praktijken geworven en heeft toestemming gegeven om hun antwoorden op de vragenlijsten te combineren met...

Lees Verder