Meer praten over therapietrouw bij orale oncolytica
sep17

Meer praten over therapietrouw bij orale oncolytica

Je zou verwachten dat kankerpatiënten hun medicatie volgens voorschrift innemen. Toch is dat niet altijd het geval, bleek tijdens het symposium Therapietrouw bij het gebruik van orale oncolytica, 22 juni jl. in het VU medisch centrum (VUmc) in Amsterdam. Ook bij deze patiëntengroep vormt therapietrouw een serieus probleem, zeker nu orale oncolytica steeds vaker de plaats innemen van infuusmedicatie. Het organiseren van een symposium over therapietrouw bij orale oncolytica stond al langer op het verlanglijstje van dr. Jacqueline Hugtenburg, apotheker in Amstelveen, universitair hoofddocent bij de afdeling klinische farmacologie van het VUmc en medeorganisator van het symposium. Het was er echter nooit eerder van gekomen. Het afgelopen jaar raakten de plannen echter in een stroomversnelling. En dat is maar goed ook, stelt Hugtenburg, want nu er steeds meer orale oncolytica op de markt komen, en er bovendien veel nieuwe orale oncolytica in de pijplijn van de farmaceutische industrie zitten, begint het onderwerp alsmaar dringender te worden. Geen misverstand, Hugtenburg is blij met alle nieuwe orale geneesmiddelen voor de behandeling van tumoren. Patiënten kunnen thuis, in hun eigen omgeving, hun medicatie innemen in plaats van dat ze daarvoor naar het ziekenhuis moeten. Dat is wel zo prettig. “Bovendien zijn er tegenwoordig orale oncolytica op de markt voor ziektebeelden die eerder niet behandeld konden worden. Ook dat is winst.” Tegelijkertijd zit er een ‘maar’ aan het verhaal. Want patiënten worden bij die orale middelen zelf verantwoordelijk voor de toediening van het geneesmiddel. “Voor infuustoediening maak je een afspraak in het ziekenhuis, daar kun je niet omheen. Tabletten kun je vergeten in te nemen of je kunt eens een dag overslaan. Je zou denken dat dit niet gebeurt bij kanker omdat dit een ernstige ziekte is, maar het gebeurt dus wel.” Drug holiday Veel onderzoek is er nog niet gedaan naar therapietrouw bij orale oncolytica, maar het onderzoek dat er is, laat een grote spreiding zien in de omvang van het probleem. “Afhankelijk van de gebruikte meetmethode, soort ziektebeeld, voorgeschreven geneesmiddel enz., zit de range ergens tussen de 20 en 100 procent,” vertelt Lonneke Timmers, apotheker bij Menzis, onderzoeker in het VUmc en samen met Hugtenburg organisator van het symposium. Bij kankerpatiënten met kortdurende behandelingen lijkt therapietrouw meestal geen probleem, vervolgt ze, maar hoe langer iemand gebruikt, hoe meer de therapietrouw daalt. “En we zien in de oncologie steeds meer orale therapieën die langdurig worden gevolgd.” Praten over therapietrouw is overigens minder makkelijk dan het lijkt, want voor iedere patiënt, en ieder ziektebeeld, betekent het iets anders. Toch is het goed om te weten waar we het over hebben, juist om patiënten beter te kunnen helpen, benadrukt Timmers. “In de literatuur maken...

Lees Verder
Therapietrouw bij orale oncolytica
jun30

Therapietrouw bij orale oncolytica

Hoewel orale oncolytica duidelijke voordelen bieden voor de patiënt, hebben ze als nadeel dat het zicht op therapietrouw er minder direct zichtbaar mee wordt. Als dit tot suboptimale therapietrouw leidt, kan het behandelresultaat tekort schieten. De apothekers zien een duidelijke rol weggelegd voor zichzelf om te voorkomen dat dit gebeurt. Het gebruik van orale medicatie in de oncologie is de laatste jaren sterk toegenomen. “Dat is vooral in het voordeel voor de patiënt omdat die voor de toediening van de medicatie niet naar het ziekenhuis hoeft, zegt Jacqueline Hugtenburg. Zij is universitair hoofddocent bij de afdeling klinische farmacologie en apotheek van het VUmc en apotheker in Amstelveen. “Een extra voordeel is dat nu orale middelen beschikbaar komen voor behandeling van ziekten die voordien niet of niet goed behandelbaar waren”, vertelt ze. “Deze middelen geven oncologische patiënten dan meestal een levensverlenging met een aantal maanden, maar soms ook langer. Chronisch myeloïde leukemie is er zelfs een chronische ziekte mee geworden.” Suboptimale therapietrouw Er zit echter een ‘maar’ aan dit verhaal, waarschuwt Hugtenburg, en dit is het feit dat de patiënt bij die orale middelen zelf verantwoordelijk wordt voor toediening van het geneesmiddel. “Voor infuustoediening staat een afspraak in het ziekenhuis”, zegt ze. “Tabletten kun je vergeten in te nemen of je kunt eens een dag overslaan. Je zou denken dat dit niet gebeurt bij kanker omdat dit een ernstige ziekte is, maar het gebeurt dus wel.” Een studie toont aan dat de therapietrouw bij orale oncolytica varieert tussen de zestien en honderd procent. Een voorbeeld: hormonale therapie bij borstkanker dient vijf jaar te worden toegepast. Na een jaar blijkt 22 procent er echter al mee gestopt te zijn en slechts een goede vijftig procent van de mensen haalt de volle vijf jaar. Hugtenburg: “We zien ook uit onderzoek met nieuwe orale middelen dat een derde van de patiënten minder dan 95 procent ervan gebruikt. We weten niet bij welk percentage het afkappunt zit in effectiviteit van toediening, maar 95 procent is geen honderd procent. Het is een serieus probleem.” Vijf bepalende factoren Hugtenburg onderscheidt in totaal vijf factoren die bepalen waarom patiënten hun medicatie niet of niet volledig innemen. “Ten eerste zijn er patiëntgerelateerde redenen”, vertelt ze. “Ten tweede ziektegerelateerde redenen, zoals de ernst van de ziekte. Ten derde therapiegerelateerde redenen, vooral bijwerkingen. Dan sociaaleconomische factoren zoals opleidingsniveau en inkomen. En tot slot is er het systeem van de gezondheidszorg, ofwel de factor van goede uitleg over het belang van de therapie en therapietrouw door de arts.” Een punt van aandacht is dat de arts niet de enige is die een rol speelt in de begeleiding van patiënten die orale...

Lees Verder