Advies RIVM over uitbreiding hielprikscreening met 14 aandoeningen
Jul19

Advies RIVM over uitbreiding hielprikscreening met 14 aandoeningen

In 2015 heeft de Gezondheidsraad de minister van VWS geadviseerd om de hielprik uit te breiden met veertien aandoeningen. Maar is een dergelijke uitbreiding haalbaar? Het RIVM heeft dat in een uitvoeringstoets onderzocht. Ze concludeert dat uitbreiding van de neonatale hielprikscreening  zeker mogelijk is, mits dit in fasen gebeurt. In de uitvoeringstoets gaat het RIVM uitgebreid in op de wijze waarop de uitbreiding kan worden ingericht. Ze stelt dat uitbreiding van deze screening een complex proces is. Dit niet alleen vanwege het grotere aantal aandoeningen waarnaar moet worden gekeken, maar ook het personeel, de financiering, de ICT, de logistiek en de organisatie, de beschikbaarheid van de testmethodes, de kwaliteit daarvan en de aansluiting op de zorg. Dit alles hangt met elkaar samen. Bovendien betreft het zeldzame aandoeningen die in veel landen nog niet zijn opgenomen in het screeningspakket. Hierdoor is op internationaal niveau slechts beperkte kennis beschikbaar. Periode 2017-2022
 Het RIVM adviseert daarom een gefaseerde invoering in een periode tot en met 2022. Overigens zijn er begin 2017 al twee aandoeningen toegevoegd, namelijk alfa- en bèta-thalassemie. Dit zijn erfelijke afwijkingen van hemoglobine, een eiwit in het bloed dat belangrijk is bij het transport van zuurstof. Deze afwijkingen veroorzaken bloedarmoede. De ernst van de ziekte kan sterk variëren. Bij de hielprikscreening wordt vooral gekeken naar ernstige vormen. Het aantal op te sporen aandoeningen komt daarmee op 31. Breed draagvlak
 Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het  RIVM  heeft voor de uitvoeringstoets samengewerkt met kinderartsen, patiëntenorganisaties, screeningslaboratoria en screeningsorganisaties. Onder de betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisaties en andere stakeholders bestaat voldoende draagvlak voor de verdere uitbreiding. In overleg met  VWS  en de Gezondheidsraad is wel besloten voor een andere aanpak om in de toekomst nieuwe aandoeningen snel te kunnen toevoegen aan de hielprikscreening. Hierbij wordt gekozen voor toevoeging van één of een paar aandoeningen, in plaats van een groot aantal tegelijk. Onder redactie van: Gerda van Beek  ...

Lees Verder
Off-labelgebruik van geneesmiddelen in de Europese Unie
Mrt16

Off-labelgebruik van geneesmiddelen in de Europese Unie

Offlabelgebruik betekent dat geneesmiddelen op een andere manier gebruikt worden dan waarvoor zij zijn geregistreerd. Offlabelgebruik van geneesmiddelen in de Europese Unie komt veelvuldig voor, zowel in de eerstelijns- als in de tweedelijnszorg. Dit blijkt uit  studie van het Nivel, het RIVM en de EPHA (Europese alliantie voor publieke gezondheidszorg), uitgevoerd op verzoek van de Europese Commissie. Off-labelgebruik komt vaak voor bij kinderen en bij mensen met een zeldzame ziekte, maar bijvoorbeeld ook bij kanker, reuma en in de psychiatrie. Er zijn verschillende redenen voor het off-labelgebruik. Vaak is geen andere behandeling voor de patiënt en is off-labelgebruik van een geneesmiddel de enige optie. Ook tijd en kosten om een nieuwe toepassing van een bestaand geneesmiddel te ontwikkelen, kunnen een rol spelen. Daarnaast wordt soms een geneesmiddel offlabel gebruikt omdat het goedkoper is. Landelijke regelingen Verschillende landen in de Europese Unie hebben regelingen getroffen op het gebied van veilig en verantwoord off-labelgebruik. Frankrijk heeft een systeem waarin producten tijdelijk worden aanbevolen voor gebruik, waarbij monitoring plaatsvindt. In Hongarije moeten artsen voor het off-label voorschrijven toestemming vragen aan een speciale commissie. In Nederland is off-label voorschrijven toegestaan als de toepassing is opgenomen in de standaarden en protocollen van de beroepsgroep. Als deze nog in ontwikkeling zijn, moet de voorschrijver eerst overleggen met een apotheker. Mogelijkheden voor beleid Voor de studie is aan experts gevraagd welke andere mogelijkheden zij zien voor beleid en maatregelen. Daarbij komen tien opties naar voren, waaronder Europese ondersteuning van de lidstaten bij het opstellen van nationale richtlijnen voor off-labelgebruik. Een andere suggestie is het meer stimuleren van farmaceutische bedrijven om producten te registreren voor nieuwe indicaties of doelgroepen. Andere genoemde voorstellen zijn: uitgebreider monitoren van de werkzaamheid plus de bijwerkingen van off-label gebruikte geneesmiddelen en de noodzaak voor goede en toegankelijke informatie voor de patiënt. Onder redactie van: Gerda van Beek    ...

Lees Verder
Voorkom medicijnresten in milieu
Jun01

Voorkom medicijnresten in milieu

Afgelopen week presenteerde het RIVM bij ‘NoPills in the environment’ de Nederlandse Geneesmiddelenketen. Er zijn maatregelen nodig om de groeiende vervuiling van water door medicijnresten te verminderen. Medicijnresten zijn vooral in het oppervlaktewater te vinden, maar ook in het grondwater en in de bodem. Restanten van geneesmiddelen worden soms aangetroffen in het drinkwater. Omdat dit om zeer lage concentraties gaat, zijn effecten op de gezondheid van mensen onwaarschijnlijk. De schadelijke effecten van de aanwezigheid van geneesmiddelen in het milieu op plant, dier en ecosystemen zijn echter wel bekend. Terug naar de apotheek Iedereen kan volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu deze vervuiling tegengaan: Fabrikanten kunnen milieu-informatie over hun producten publiek beschikbaar maken. Artsen kunnen minder of anders voorschrijven. De patiënt kan restanten van geneesmiddelen terugbrengen naar de apotheek. In Brussel bepleitte het RIVM bij het internationale samenwerkingsverband van onderzoeksinstituten en waterschappen, NoPills in the environment, een ketenakkoord dat wordt opgesteld tussen onder andere overheid, industrie en waterbeheerders. Maatregelen in het najaar De aanwezigheid van geneesmiddelen in het milieu kan tot maatschappelijke kosten leiden: kosten voor monitoring en zuivering. Het RIVM ondersteunt de hele keten, van preventie tot zuivering, met kennis om op doelmatige wijze kosten te besparen en risico’s te verminderen. In het najaar publiceert het RIVM een multidisciplinaire inventarisatie van mogelijke maatregelen in de geneesmiddelenketen, waarvoor zowel gedragswetenschappelijke als milieuwetenschappelijke kennis is gebruikt.  ...

Lees Verder
RIVM start onderzoek naar bloedglucosemeters
Mrt04

RIVM start onderzoek naar bloedglucosemeters

In antwoord op vragen van het Tweede Kamerlid Tunahan Kuzu (Groep Kuzu/Öztürk, partij Denk i.o.) vindt minister Edith Schippers het in het belang van de premiebetaler en de patiënt dat zorgverzekeraars kosten willen beheersen bij de aanschaf van hulpmiddelen. Bloedglucosemeters moeten echter wel voorzien zijn van een CE-certificaat en voldoen aan de ISO-norm 15197. Signalen over afwijkende meetresultaten pakt de IGZ serieus op: daarom is het RIVM gevraagd een onderzoek te starten. De Diabetesvereniging luidde in januari jl. de noodklok over het overzetten van patiënten op goedkopere bloedglucosemeters. In februari stelde Tunahan Kuze hierover Kamervragen. In haar antwoord zegt de minister dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat zorgverzekeraars de kosten willen beheersen. Bij navraag verklaren verzekeraars echter “dat zij met leveranciers kwaliteitseisen hebben afgesproken over de glucosemeters die aan patiënten worden verstrekt en dat deze eisen ten opzichte van vorig jaar niet zijn afgezwakt.” Kleinere kans op complicaties Op de vraag of de minister op de hoogte is van de consequenties voor de gezondheid van diabetespatiënten, wanneer een leverancier of een apotheker hen overzetten op een bloedglucosemeter waarvan de kwaliteit niet gegarandeerd is, schrijft zij: “Een goede controle van bloedglucose is van het grootste belang om complicaties van diabetes bij patiënten te voorkomen. Diverse studies hebben bewezen dat adequate glucosecontrole (naast een goede leefstijl en een goede behandeling) de kans op het optreden van ernstige complicaties beduidend kan terugdringen. Het is aan veldpartijen om op basis van richtlijnen, protocollen en overeenkomsten tot een kwalitatief goede invulling te komen van de functionele aanspraak.” Besluit in-vitro diagnostica Over de nauwkeurigheid en het gebruiksgemak van glucosemeters wordt in de beantwoording het volgende opgemerkt. “Bloedglucosemeters worden gerekend tot de middenhoogrisico in-vitro diagnostica (IVD) en moeten voldoen aan de gestelde eisen in het Besluit in-vitro diagnostica. Als dat zo is, geeft de aangemelde instantie hiervoor een CE-certificaat af. Voor de bloedglucosemeter zijn de eisen verder gespecificeerd in een ISO 15197 norm. Daarnaast worden bloedglucosemeters door de aangemelde instantie extra op bruikbaarheid en begrijpelijkheid gecontroleerd omdat het zelftesten zijn en hiervoor strengere eisen gelden.” De Europese Commissie zal in een toekomstige verordening voor de markttoelating van IVD’s nog verdergaande eisen gaan stellen aan deze testen. Zelf regie voeren De minister beëindigt de beantwoording van de vragen met de volgende passage. “Nieuwe en goedkopere meters betekent niet vanzelfsprekend minder nauwkeurigheid en gebruiksgemak. Waar het om gaat is dat de verzekerde beschikt over een glucosemeter die voldoet aan de functionele eisen die de diabetes verpleegkundige heeft gesteld, en waarmee de verzekerde in staat is om zelf regie te voeren op zijn bloedsuikerwaarden. Zorgverzekeraars gebruiken in hun afspraken met zorgaanbieders een nauwkeurigheidseis waaraan de kwaliteit van...

Lees Verder