Verslag van: Week van de Longen 2017

3D illustration of Lungs - Part of Human Organic.Tijdens de Week van de Longen, het landelijk congres over longen en longziekten, presenteerden deskundigen de laatste ontwikkelingen op het gebied van longonderzoek en longzorg. Ook tijdens de KNMP-sessie werden onderzoeksresultaten gedeeld, waaronder een studie naar therapietrouw bij adolescenten met astma.

De longen stonden in de tweede week van april vier dagen centraal tijdens de Week van de Longen, het landelijk congres over longen en longziekten. Artsen, apothekers, andere zorgverleners, wetenschappers, zorgverzekeraars, patiëntenverenigingen, vertegenwoordigers van belangenorganisaties en longpatiënten presenteerden tijdens dit congres onderzoeksresultaten en laatste ontwikkelingen. Ook de KNMP, de beroeps- en brancheorganisatie voor apothekers, organiseerde een sessie. Zes onderzoekers deelden hun bevindingen aan een goed gevulde zaal belangstellenden.

De nieuwe KNMP-richtlijn Astma
Elaine Wong-Go, apotheker en KNMP-beleidsmedewerker, beet de spits af met haar onderzoek naar verwachtingen van astmapatiënten bij zorgverlening door de apotheker. In de nieuwe KNMP-richtlijn Astma, die nog in ontwikkeling is, wordt dit patiëntperspectief opgenomen. De belangrijkste conclusie van Wong-Go is dat astmapatiënten bij de eerste medicatie-uitgifte het gebruik van de inhalator willen bespreken met de apotheker en de manier van inhaleren. Ook hebben patiënten behoefte aan informatie over mogelijke bijwerkingen en wisselwerkingen met andere medicatie. Daarnaast, zo zag Wong-Go, is informatie wenselijk over medicatiegebruik bij exacerbaties en de servicemogelijkheden van de apotheek rondom astmazorg. Bij een tweede uitgifte van inhalatiemedicatie, zo bleek, willen patiënten met de apotheker hun ervaringen met de medicatie bespreken. Andere behoefte bij de tweede uitgifte is opnieuw informatie over medicatiegebruik bij exacerbaties. Opvallend, zo gaf Wong-Go aan, kwam uit het onderzoek naar voren dat informatiebehoefte per patiënt verschilt. Ook bleek dat veel patiënten niet weten wat een apotheker doet en waarvoor ze bij hem terechtkunnen. Wong-Go: “Naar aanleiding hiervan zijn we gestart met de ontwikkeling van een zogenaamde patiëntenmenukaart, waarmee de patiënt aangeeft welke informatie en zorg hij wil, zodat de apotheker gericht die zorg kan verlenen. Bovendien kan de apotheker zo zichtbaar maken voor welke zorg de patiënt bij hem terecht kan.”

SMARAGD-studie
Tijdens de tweede voordracht lichtte Esther Kuipers, apotheker en promovenda aan het Radboudumc, haar zogenaamde SMARAGD-studie toe naar de vraag of interventies van de apotheker effect hebben op verbetering van astmacontrole en therapietrouw. De onderzoeksvraag was toegespitst op de rol van apothekers bij ondersteuning van optimaal gebruik van inhalatiecorticosteroïden (ICS). Kuipers vergeleek een groep astmapatiënten die de gebruikelijke zorg van het apotheekteam kreeg, met een groep die een intakesessie had waar werd ingegaan op onder meer de aandoening, medicatie, bijwerkingen en therapietrouw. De patiënten werd daarnaast gevraagd elke twee weken de zogenaamde CARAT-vragenlijst in te vullen, waardoor de apotheker de symptomen van astma beter kan monitoren. Tijdens de follow-up van zes maanden werd met de interventiegroep de uitkomsten van CARAT besproken, therapietrouw en eventuele interventies. Helaas, zo gaf de promovenda aan, heeft deze studie geen positief effect van de interventies kunnen aantonen. Beide groepen scoorden gelijk op astmacontrole en therapietrouw. Kuipers: “Mogelijk waren te weinig patiënten geïncludeerd. Positief is wel dat patiënten in de interventiegroep aangaven de betrokkenheid van de apotheker te waarderen. Ook hadden ze meer inzicht gekregen in hun ziekte en ziektesymptomen.” Als subonderdeel van de studie werd gekeken naar de invloed van elektronisch monitoren; een deel van de controlegroep en een deel van de interventiegroep kreeg een apparaatje dat aan de inhalator werd bevestigd en bovendien een smartphone app waarmee medicatie-inname kon worden gemonitord. Hierin blijkt potentie te zitten: “Het bevorderde therapietrouw en bovendien zorgde het ervoor dat apothekers contact zochten met de patiënt als er problemen optraden.”

ADAPT-studie
Een ander onderzoek naar therapietrouw werd gepresenteerd door Ellen Koster, hoofdonderzoeker farmacologie aan de Universiteit Utrecht. In de zogenaamde ADAPT-studie (Adolescent ADherence Patient Tool), waar Koster als copromotor optreedt, staat de adolescent met astma centraal. Uit eerder onderzoek was naar voren gekomen dat therapieontrouw onder adolescenten vooral een kwestie is van vergeten de medicatie in te nemen en er de noodzaak niet van inzien. Ook blijken apothekers nauwelijks contact te hebben met deze groep, aangezien de ouders de medicatie ophalen bij de apotheek. ADAPT is de eerste studie waarin is achterhaald aan welke interventie deze jonge astmapatiënten behoefte hebben. Het blijkt een smartphone app te zijn. In samenwerking met een commerciële partner ontwikkelden de onderzoekers een app, gekoppeld aan een managementinformatiesysteem voor de zorgverlener. De jongeren voeren zelf informatie in via de app, bijvoorbeeld CARAT-scores. Ook worden ze eraan herinnerd medicatie in te nemen en kunnen ze informatiefilmpjes kijken over bijvoorbeeld inhaleren. Bovendien heeft het een chatfunctie, zowel met zorgverleners als met lotgenoten. Zorgverleners kunnen acteren als ze zien dat scores omlaaggaan of als uit antwoorden blijkt dat de patiënt medicatie niet inneemt. Hoewel nog niet alle data is verzameld, zijn de eerste onderzoeksresultaten positief, zo liet Koster tijdens het congres zien: “Een groot deel van de jongeren gebruikte de app gedurende de hele studieduur. De meesten een keer in de week. Het vaakst werd de vragenlijst gebruikt en ruim twee derde van de respondenten waardeerde het contact met lotgenoten.” Het meest nuttig zijn de filmpjes, zo gaf de onderzoeker aan. Deze bieden de jonge patiënten handvaten om therapietrouw beter onder controle te krijgen.

Bètablokkers bij longziekten
Martina Teichert, wetenschappelijk adviseur bij het KNMP en copromotor van Esther Kuipers, ging in op een andere studie uit het promotietraject van Kuipers. Hierin werd onderzocht waarom bètablokkers worden voorgeschreven bij patiënten met longziekten, terwijl deze contra geïndiceerd zijn bij patiënten met astma of COPD. Ze leiden namelijk tot vernauwing van de luchtwegen en verslechtering van de longfunctie. Dit is vooral het geval bij bètablokkers die bètareceptoren blokkeren in de long, niet-selectieve bètablokkers dus. Dit onderzoek richtte zich op de vraag of voorschrijvers op de hoogte zijn van deze contra-indicatie. Daarnaast wilden de onderzoekers weten of de toevoeging van niet-selectieve bètablokkers een waarschuwingssignaal opleverde in het apotheker informatiesysteem (AIS). Uit het onderzoek blijkt dat een derde van de voorschrijvers niet op de hoogte was van de contra-indicatie. Opgesplitst naar specialisme zijn huisartsen beter op de hoogte dan specialisten. De groep die wel op de hoogte was en toch voorschreef, deed dit om praktische redenen of beschouwde de contra-indicatie als niet relevant. Dit gold vooral voor oogartsen die meenden dat oogdruppels geen of verwaarloosbaar effect hebben op de longen. Bij de apothekers bleek veertig procent geen signaal te ontvangen van contra-indicatie. Omdat gebruiksduur van de medicatie niet goed was vastgelegd in het AIS, of omdat de dagelijkse dosering van de medicatie onbekend was. In de gevallen dat wel een signaal werd afgegeven, werd de patiënt hierover geïnformeerd. Teichert stelde dat een centrale rol is weggelegd voor de apotheker: “Dit omdat het vaak voorkomt dat een patiënt van verschillende artsen medicatie krijgt voorgeschreven. Dan is het bij uitstek aan de apotheker om contra-indicatie te signaleren. Maar om dat te kunnen doen, moet alle relevante informatie wel worden uitgewisseld met de apotheker.”

Stoppen van onnodig ICS
Ander onderzoek, maar met een vergelijkbare conclusie kwam van Job van Boven, universitair docent huisartsgeneeskunde en klinische farmacie aan het UMCG, en Corina de Jong, senior onderzoeker huisartsgeneeskunde UMCG. Van Boven deelde onderzoek naar het afbouwen van ICS bij COPD-patiënten. Hij stelde dat apothekers hierbij een centrale rol kunnen spelen, aangezien zij een goed overzicht hebben van voorgeschreven medicatie en herhaalrecepten. Boven: “De onderzoeksvraag was naar aanleiding van de Lijst van Onnodige Zorg. UMCG was samen met het Radboud aangewezen om te achterhalen of en hoe ICS-gebruik gedeïmplementeerd kan worden.” Hiertoe werden focusgroepen gevormd van patiënten, huisartsen en apothekers. De Jong vertelde: “De focusgroep van patiënten was enthousiast over het stoppen met ICS. Bijwerkingen, minder pufjes en vertrouwen in advies van de huisarts, werden genoemd als belangrijkste redenen. Hoewel sommige patiënten ook achterdochtig waren en meenden dat bezuinigingen de drijfveer waren van het afbouwen. Anderen vonden verandering lastig of eng. Patiënten gaven aan bij voorkeur begeleid te willen worden door de praktijkondersteuner en wensten intensieve ondersteuning bij het afbouwen. Ook gaven ze de voorkeur voor geleidelijk afbouwen en wilden ze ICS achter de hand houden ‘voor het geval dat’. In de focusgroep van de apothekers en huisartsen was ook unanimiteit over het belang van stoppen met onnodig ICS. Bezwaren die ze zagen hadden betrekking op het feit dat niet altijd duidelijk is of astma in het spel is. Bovendien gaven sommige huisartsen aan geen tijd te hebben voor deïmplementatie van ICS en vonden ze het moeilijk als patiënten geen verandering wilden. De zorgverleners stelden dat het afbouwen onderdeel moet worden van de standaard controle bij de praktijkondersteuner. De Jong: “Goede begeleiding, zo zagen we, is heel belangrijk. Als de patiënt maar steeds ergens met z’n vragen terecht kan en regelmatig contact heeft met de praktijkondersteuner, dan lijkt afbouwen van ICS geen problemen te hoeven opleveren.”

Tekst: Caroline Wellink

 

 

 

Gerelateerde berichten

Plaats een Reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *