Diabetes mellitus type 2: Gezamenlijke besluitvorming vergroot de kans op therapietrouw aanzienlijk
apr23

Diabetes mellitus type 2: Gezamenlijke besluitvorming vergroot de kans op therapietrouw aanzienlijk

Om eerstelijns zorgverleners te stimuleren ook persoonlijke aspecten mee te nemen bij het bepalen van de diabetesbehandeling, organiseert de Diabetesvereniging Nederland nascholingsbijeenkomsten op diverse locaties in Nederland. Tijdens deze avonden staat het uitgangspunt centraal dat gepersonaliseerd behandelen een betere kans van slagen heeft. “Gezamenlijke besluitvorming vergroot de kans op therapietrouw aanzienlijk.” Een internationaal vrachtwagenchauffeur, een directiesecretaresse in een groot hectisch bedrijf en een depressieve obese man met financiële- en sociale problemen. De gemene deler van deze drie is dat ze diabetes type 2 hebben. Gemeen hebben ze ook dat het wenselijk is hun persoonlijke omstandigheden mee te nemen in de behandeling. Gebeurt dit niet, dan kunnen de eerste twee hun beroep namelijk niet meer goed uitoefenen. Bij de laatste is diabetes misschien wel niet het belangrijkste probleem dat zorgaandacht vereist. Behandelt de zorgverlener volgens de standaard en blijkt metformine niet meer voldoende om de bloedsuiker op peil te houden, dan wordt een SU-derivaat voorgeschreven. Echter, aangezien deze medicatie een verhoogd risico geeft op een hypo, is er grote kans dat de vrachtwagenchauffeur en de directiesecretaresse deze therapie naast zich neerleggen en zelf wat gaan aanrommelen met de medicatie. Ze willen namelijk tijdens werktijden niet worden belemmerd door een hypo. Ook grote kans dat de depressieve man zich niet houdt aan de therapie; naast al zijn andere problemen kan hij er geen hypo bij gebruiken. Deze drie patiënten, zo vertelt Fred Storms, gepensioneerd internist, adviseur van de Diabetesvereniging Nederland en gespecialiseerd in diabetes, zijn geen bedenksels. Het zijn reële voorbeelden. Sterker, dertig procent van de ruim 1,1 miljoen diabetes type 2 patiënten in Nederland past niet in een van de ‘behandeloptie-hokjes’. “Dat is natuurlijk frappant,” constateert Storms: “Zeker gezien het gegeven dat de nieuwe NHG-standaard het belang van gepersonaliseerde zorg benadrukt. Het probleem is alleen dat de standaard niet aangeeft hoe persoonlijke omstandigheden bij de behandelkeuze kunnen worden betrokken. Daar komt bij dat de NHG in de standaard geen effectieve alternatieven heeft opgenomen voor de SU-derivaat, formeel omdat de langeretermijn bijwerkingen niet bekend zijn. Alternatieven voor NPH-insuline die wel zijn opgenomen in de nieuwe standaard, DPP4-remmers en GLP1-agonisten, worden vanwege de hogere prijs terughoudend voorgeschreven.” Rollenspel Om deze lacunes op te vullen en een dieper inzicht te geven in de persoonlijke omstandigheden van diabetespatiënten, besloot de Diabetesvereniging Nederland (DVN) een nascholing voor patiënten en zorgverleners te ontwikkelen. Tijdens deze nascholing, geaccrediteerd door de NHG, worden handvaten gegeven om leefstijl en persoonlijke omstandigheden mee te nemen bij het bepalen van de diabetesbehandeling. Samen met Jeroen Doorenbos van DVN ontwikkelde Fred Storms de presentatie die op deze avond wordt gegeven. Lokaal wordt de avond verzorgd door een plaatselijke internist en verpleegkundig specialist....

Lees Verder
‘Hoofdrol voor de eerste lijn’
apr19

‘Hoofdrol voor de eerste lijn’

De transitie van de tweede naar de eerste lijn, naar de juiste zorg op de juiste plek, heeft gevolgen voor de regulering en het toezicht. Marian Kaljouw, bestuursvoorzitter van de NZa, over het belang van netwerkzorg en nieuwe technologie. En over de collectieve kracht van zorgverleners in de eerste lijn: “Apothekers hebben bewezen als collectieven op te kunnen treden tijdens de contractonderhandelingen met zorgverzekeraars. Dat hebben ze heel goed gedaan. Beter dan huisartsen.” Marian Kaljouw draait al even mee in de zorg. Begonnen als verpleegkundige, gepromoveerd op het onderwerp ‘Behoeften van familieleden van intensive care-patiënten’, voorzitter van de beroepsvereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland, directeur van de Antoniusacademie van het St. Antonius ziekenhuis. En sinds vier jaar bestuursvoorzitter van de Nederlandse Zorgautoriteit, de NZa. De NZa maakt de regels en houdt toezicht op zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Het imago van de NZa was lange tijd die van waakhond in de zorg. Een hond die pas gaat blaffen als de zorg de regels overschrijdt. Onder leiding van Dr. M.J. Kaljouw verandert dat imago: meer transparantie, meer overleg met de betrokken partijen. Ook heeft de NZa een strategische agenda, een duidelijke koersbepaling. En zit de NZa dicht op actuele thema’s. Zo’n actueel thema is het rapport ‘Juiste zorg op de juiste plek’, opgesteld door een brede taskforce met een nieuwe visie op de inrichting van zorg en welzijn in ons land. Kernpunt van het rapport, dat vorig jaar is uitgekomen: veel ziekenhuiszorg naar de eerste lijn en naar de thuissituatie. Met een belangrijke rol voor de eerste lijn. “Het rapport is in lijn met onze strategische agenda, de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, met wat de spelers in zorg en welzijn willen. De gevolgen van de aangekondigde veranderingen zullen groot zijn. Als we slechts een deel van de institutionele zorg naar ‘huis’ brengen dan betekent dat al een forse verschuiving in de zorg.” Volgens Kaljouw kunnen nieuwe technologie als e-health en robotica en netwerkzorg waarbij aanbieders van zorg en welzijn gaan samenwerken helpen om de verschuiving op gang te brengen. “De NZa heeft op tijd voorgesorteerd op de toekomst die nu realiteit wordt. We willen en moeten ruimte maken voor nieuwe vormen van regulering, bekostiging en toezicht. Hoe geven we ruimte aan nieuwe technologische toepassingen die op ons afkomen? En over preventie, dat in belang toeneemt? Moeilijke thema’s die we niet uit de weg zijn gegaan. De zorg moet leren om op een andere manier te denken. Nu overheerst de gedachte dat we de rekening alleen betalen als er iets aan de hand is met de patiënt. Veel interessanter is hoe we kunnen voorkomen dat zorg nodig is. Daarnaast zijn we druk bezig met...

Lees Verder
Online herhaalrecept aanvragen wordt steeds gewoner
apr19

Online herhaalrecept aanvragen wordt steeds gewoner

Van de volwassen Nederlanders heeft 22 procent in 2018 via internet een herhaalrecept aangevraagd bij de huisarts. Dat percentage is niet zo hoog omdat de mogelijkheid niet overal  bestaat. Want er is wel degelijk belangstelling voor. Kijkend naar praktijken die online aanvragen aanbieden, maakt er bijna de helft van de patiënten daarvan gebruik. Daarentegen hebben weinig mensen de huisarts per video gesproken over gezondheidsklachten en er bestaat ook weinig bereidheid om dit in de toekomst wel te doen. Dit blijkt uit het onderzoek Belevingen van het CBS. Van de groep die de mogelijkheid heeft om online recepten aan te vragen, zegt 45 procent dit wel eens te doen. Omgerekend is dit 22 procent van de volwassen bevolking. Indien het mogelijk is om een online herhaalrecept aan te vragen, maakt meer dan 50 procent van de 55- tot 75-jarigen hier gebruik van. Opvallend: bij de 55-minners is dit lager, namelijk tussen de 33 en 41 procent. Van de volwassenen die niet de mogelijkheid hebben om herhaalrecepten aan te vragen, zegt bijna twee derde bereid te zijn dit in de toekomst wel te doen. De bereidheid is lager naarmate mensen ouder zijn en dat is natuurlijk niet verwonderlijk. Online afspraak maken Bijna vier op de tien volwassenen zeggen via internet een afspraak met de huisarts te kunnen maken. Ongeveer een derde van deze groep maakt hier ook gebruik van. Dit is 12 procent van alle volwassenen. Vrouwen maken met 36 procent vaker via internet een afspraak met de huisarts dan mannen (29 procent) als deze mogelijkheid er is. Liever mailen dan videobellen met huisarts Een kwart van de volwassen Nederlanders zegt via mail of website met vragen of klachten bij de huisarts te kunnen komen, 9 procent zegt dat dit ook via een videogesprek kan. Ruim 1 op de 5 van de mensen die op de hoogte is van deze mogelijkheid om te mailen doet dit wel eens. Bijna 1 op de 8 neemt wel eens contact op met de huisarts middels een videogesprek. Op de totale volwassen bevolking gaat het om respectievelijk 5 en 1 procent. Bijna 3 op de 10 zegt open te staan voor een videogesprek. Liever mailen of bellen dan een videogesprek Voor alle bevolkingsgroepen geldt dat zij vaker bereid zijn om te mailen of via de website een vraag te stellen dan om dat via een videogesprek te doen. Van jongeren tussen de 18 en 25 jaar vindt de helft het geen probleem om vragen te mailen of via de website te stellen en een kwart vindt video-bellen een optie. Bij de 75-plussers is dit respectievelijk 14 en 9 procent.   Bron: CBS...

Lees Verder
Themajournaal Goed Gebruik Geneesmiddelen, april 2019
apr18
Lees Verder
Meer meldingen van bijwerkingen bij vrouwen
apr15

Meer meldingen van bijwerkingen bij vrouwen

Over medicatiegebruik van vrouwen wordt zo’n 50% meer bijwerkingen gemeld dan over mannen. Vrouwen gebruiken weliswaar meer geneesmiddelen dan mannen, maar ook wanneer daar rekening mee wordt gehouden, blijken er verschillen te bestaan. Lareb heeft hiernaar nader onderzoek gedaan, samen met onder meer de Universiteit Groningen en het Universitair Medisch Centrum Groningen.  Verschillen in optreden van bijwerkingen kunnen onder andere komen doordat mannen en vrouwen geneesmiddelen anders verwerken in het lichaam. Maar ook kunnen bijwerkingen eerder opgemerkt, en als hinderlijker ervaren worden. Zo is haartuitval en kaalheid opmerkelijker bij vrouwen, en borstvorming bij mannen. Geneesmiddelen met een grotere kans op bijwerkingen bij vrouwen zijn bijvoorbeeld schildklierhormonen, TNF-alfa-remmers en ADHD-medicatie. Ook viel op dat in het algemeen hoofdpijn en duizeligheid vaker bij vrouwen is gemeld, en agressie en peesklachten vaker bij mannen. Kennis over verschillen in optreden van bijwerkingen tussen man en vrouw kan helpen om geneesmiddelen in de toekomst meer gericht voor te schrijven. Het onderzoek, dat afgelopen week verscheen in het British Journal of Clinical Pharmacology, kunt u hier lezen. Dit onderzoek is gefinancierd vanuit het ZonMW-programma Gender en Gezondheid.   Bron: Lareb...

Lees Verder
CBG Collegedag 5 juni a.s.. Thema: Vertrouwen in medicijnen
apr15

CBG Collegedag 5 juni a.s.. Thema: Vertrouwen in medicijnen

In de media is er volop aandacht voor medicijnen. Met berichten over tekorten, veelbelovende nieuwe medicijnen, vervuiling van medicijnen, hoge prijzen en de gevolgen van preferente geneesmiddelen. Reden voor het CBG om het onderwerp ‘Vertrouwen in medicijnen’ centraal te stellen op de CBG Collegedag  op 5 juni a.s. Welke factoren bepalen het vertrouwen van burgers in medicijnen? Welke rol speelt feitelijke kennis in het vertrouwen in de wetenschap? Ervaringen van patiënten zoals het moeten wisselen van medicijnen en het niet beschikbaar zijn van het vertrouwde medicijn, lijken van invloed te zijn. Maar is dat wel zo? Of wordt het vertrouwen voor het grootste gedeelte bepaald door het contact tussen zorgverlener en patiënt? Het CBG heeft onderzoek laten doen naar het vertrouwen in medicijnen. De resultaten van het onderzoek komen tijdens de bijeenkomst aan bod. Sprekers Inspirerende en prominente sprekers uit het medisch-farmaceutische en bestuurlijke veld, waaronder minister Bruno Bruins,  bespreken tijdens het plenaire ochtendprogramma hun visie op het thema. ’s Middags is er tijd voor diverse inhoudelijke workshops en twee plenaire debatten, waarbij wordt ingegaan op de gevolgen van wisselen en medicijntekorten voor de dagelijkse praktijk. Ook wordt met de deelnemers op zoek gegaan naar oplossingen. Doelgroep De Collegedag is voor geïnteresseerden vanuit de overheid, wetenschap en de farmaceutische industrie. Maar uiteraard ook voor zorgverleners, patiëntvertegenwoordigers en masterstudenten farmacie en geneeskunde. Meer informatie De bijeenkomst vindt plaats in de Jaarbeurs te Utrecht.  Er is accreditatie aangevraagd voor farmaceutisch geneeskundigen, openbaar apothekers en ziekenhuisapothekers. Op de website van CBG Collegedag 2019 kunt u zich inschrijven t/m 31 mei 2019. Hier vindt u ook het volledige programma en kunt u bij inschrijving reeds een keuze maken uit de workshops....

Lees Verder
Start project Regie op Registers voor dure geneesmiddelen
apr15

Start project Regie op Registers voor dure geneesmiddelen

Om de beste zorg voor de beste prijs te garanderen, wil het Zorginstituut bevorderen dat nieuwe innovatieve geneesmiddelen snel aan de juiste patiënten worden aangeboden. Terwijl tegelijk dure geneesmiddelen beperkt moeten blijven tot alleen patiënten voor wie de behandelingen effectief zijn. De uitkomsten van de behandeling met nieuwe medicijnen zijn daarbij van groot belang. Het Zorginstituut start daarom met het project ‘Regie op Registers voor dure geneesmiddelen’. Steeds vaker worden dure geneesmiddelen op de markt toegelaten terwijl er nog onzekerheid is over hun effectiviteit, kosteneffectiviteit, de juiste plaatsbepaling in de behandeling of de juiste indicatiestelling. Deze middelen stromen echter vaak automatisch het basispakket in, terwijl het kan gaan om niet-uitontwikkelde producten, waarvoor wel een volwaardige prijs wordt berekend. Dataverzameling Er is behoefte om de effectiviteit, de kosteneffectiviteit en (bij)werkingen in de praktijk goed te volgen. Daarom moet informatie uit de klinische praktijk worden vastgelegd om de uitkomsten van een behandeling met een nieuw, duur geneesmiddel te kunnen meten. Verzameling van deze informatie kan via patiënt- of aandoeningenregistraties. Regie op registraties De minister voor Medische Zorg heeft het Zorginstituut gevraagd om een uitvoeringstoets. Gericht op de behoeften van partijen in het veld om de effecten van deze geneesmiddelen te volgen. Maar ook gericht op de kennisbehoefte van het Zorginstituut om gegevens uit de praktijk te gebruiken voor het pakketbeheer. Het is daarbij niet van belang of deze geneesmiddelen bij de start van instroom in het pakket wel of niet beoordeeld zijn. Het gaat vooral om te komen tot dergelijke, meer uniforme registraties. Gefaseerde uitvoering In de praktijk vindt de monitoring van gebruik, effectiviteit en kosteneffectiviteit van dure geneesmiddelen versnipperd plaats. Een structurele, uniforme aanpak voor dit specifieke doel komt niet vanzelf tot stand. Belangrijk onderdeel van dit project is dat het Zorginstituut nadrukkelijk zal aansluiten bij andere initiatieven, en haar activiteiten zal afstemmen op de uitkomsten hiervan. Het project wordt gefaseerd en in nauwe afstemming met relevante partijen uitgevoerd.   Bron: Zorginstituut Nederland...

Lees Verder
Minister Bruins: met andere regels lagere medicijnprijzen
apr15

Minister Bruins: met andere regels lagere medicijnprijzen

Minister Bruins, Medische Zorg en Sport, laat onderzoeken wat de effecten zijn van een dwanglicentie. Hij weet dat het een verstrekkend middel is, maar sluit niet uit dat dit in de toekomst wordt ingezet als drukmiddel om de prijzen van medicijnen naar beneden te krijgen. Als ander ingrijpend middel stelt hij voor om de periode waarop fabrikanten geneesmiddelen exclusief op de markt mogen brengen, in te korten van 10 naar 5 jaar. Dit wil hij volgende maand hoog op de agenda van de nieuwe Europese Commissie krijgen Dit zegt minister Bruno Bruins in een interview in EenVandaag. Volgens hem staat de duur van de periode waarop fabrikanten de mogelijkheid hebben om geneesmiddelen exclusief op de markt te brengen vaak niet in verhouding met de investeringen voor het produceren van het medicijn. Bovendien is er vaak geen inzage in de kosten om een medicijn te ontwikkelen. “Sommige fabrikanten vragen echt waanzinnige prijzen voor hun medicijnen, zonder een onderbouwing daarvoor Bruin wil aan zijn Europese collega-ministers voorstellen te komen tot een redelijke termijn die in verhouding staat tot kosten om het middel te produceren. Zijn idee: “Dan kom je bijvoorbeeld uit op 5 jaar.” Dwanglicentie Daarnaast laat hij op dit moment ook door een speciale commissie onderzoeken of hij in de toekomst andere fabrikanten het recht kan geven een middel na te laten maken, als een farmaceut weigert zijn prijs te matigen. In dat geval kan hij een dwanglicentie afgeven, waarbij dus feitelijk het patent van de fabrikant wordt gebroken. Kritische kanttekening Directeur van de Vereniging van Innovatieve Geneesmiddelen Gerard Schouw noemt in dezelfde uitzending deze voorstellen zeer onverstandig. “Een uitgebreid onderzoek heeft aangetoond uit dat de ontwikkelingskosten van een nieuw geneesmiddel ruim 2 miljard euro bedragen. De minister weet ook dat deze kosten moeten worden terugverdiend. Daarnaast stelde hetzelfde onderzoek ook dat het huidige patenten-systeem adequaat functioneert.”   Bron:...

Lees Verder
Bruins zet vaart achter digitale gegevensuitwisseling
apr15

Bruins zet vaart achter digitale gegevensuitwisseling

Minister Bruins (Medische Zorg) komt met concrete voorstellen voor het verplicht elektronisch uitwisselen van gegevens. Dit wordt een wettelijke verplichting en vindt stapsgewijs plaats via een zogeheten Roadmap. Daarin staat welke gegevensuitwisselingen als eerste gedigitaliseerd worden, waaronder medicatieoverzicht en het digitale receptenverkeer. Dat schrijft minister Bruins in een brief aan de Tweede Kamer. Zijn streven is dat digitaal het nieuwe normaal wordt. NICTIZ heeft tien processen vastgesteld voor de start van de digitale gegevensuitwisseling. Dit zijn: ambulance-overdracht, huisartswaarneming, triageverwijzing, acute verloskunde, verpleegkundige overdracht, ziekenhuisoverdracht, medicatie, beelduitwisseling, verwijzing, jeugdgezondheidszorg en ketenzorg bij chronische aandoeningen. Eenheid van taal en techniek Vereiste daarbij zijn eenheid van taal en eenheid van techniek. Zorgverleners en zorginstellingen worden verplicht tot digitale dossiervoering en tot elektronische gegevensuitwisseling, waarbij zij moeten voldoen aan voorschriften voor taal en techniek. Dat betreft twee sporen: Het eerste spoor: aanwijzen van een te digitaliseren gegevensuitwisseling. Het tweede spoor: verplicht te gebruiken bouwstenen en verplicht te gebruiken woordenboeken. Bruin ligt het tweede spoor toe in zijn brief. ‘Bouwstenen zoals bloeddruk komen voor in meerdere gegevensuitwisselingen. We moeten ervoor zorgen dat dit soort informatie altijd op dezelfde manier wordt uitgewisseld. Daarom wil ik in het tweede spoor van de wettelijke verplichting de te gebruiken bouwstenen aanwijzen en ook de (internationale) woordenboeken (zoals SNOMED of LOINC) die bij het maken van dergelijke bouwstenen gebruikt moeten worden’, aldus Bruins. De wettelijke verplichting zal stapsgewijs per gegevensuitwisseling worden ingevoerd. Informatiestandaard Voorzitter van de LOA Reinier Bax: ‘Wij zijn positief gestemd dat de eerdere oproep om het medicatieproces tot prioritair zorgproces te bestempelen, is vertaald naar de concept Roadmap. Wat de KNMP betreft speelt de informatiestandaard 9.x hierbij een cruciale rol.’ Zorgvuldigheid vereist De ambitie van de bewindsman is om de gegevensuitwisseling in de zorg in Nederland in hoog tempo volledig te digitaliseren en de patiënt toegang te geven tot zijn medische gegevens. Bax: ‘Wij onderschrijven het belang dat patiënten al hun eigen gegevens digitaal kunnen inzien en beheren. Daarbij maakt de KNMP wel de kanttekening dat adequate implementatie vraagt om zorgvuldigheid.’ Bronnen: Rijksoverheid, Brief Bruins, KNMP...

Lees Verder
Medicijnjournaal april 2019
apr09
Lees Verder