De nuldelijnszorg verdient  een volwaardige plek
dec05

De nuldelijnszorg verdient een volwaardige plek

Huisartsen en openbaar apothekers zouden zich bewuster moeten zijn van hun rol bij het begeleiden van patiënten die zelfzorgmiddelen gebruiken, betoogt apotheker Maayke Fluitman. Symptomen van kleine kwalen zijn meestal prima te verhelpen met deze middelen, maar in sommige gevallen is hulp daarbij van een zorgverlener essentieel. Om huisartsen en openbaar apothekers hierover te informeren, zijn er twee FTO-modules over zelfzorg ontwikkeld, met de focus op griep en verkoudheid. Wat Gordon Oron, huisarts in Leerdam, het meest is bijgebleven van de thema-avond over zelfzorgmiddelen tijdens het FTO in zijn regio? Hij schrok van de aantallen: “Niet alleen het aantal zelfzorgproducten dat wordt aangeschaft, maar ook het aantal patiënten dat deze middelen gebruikt. Ik wist natuurlijk wel dat de meeste van mijn ‘gezonde’ patiënten zelden bij mij op het spreekuur komen voor hoofdpijn of hooikoorts. Zij gaan eerder naar de apotheek of lokale drogist voor een medicijn om klachten te verhelpen of te verlichten. Maar ik had niet op mijn netvlies hoeveel van mijn patiënten deze middelen kopen. Als ze bij mij op het spreekuur komen, moet ik dus heel alert uitvragen wat ze aan zelfzorgmiddelen gebruiken.” Aan de andere kant, zo vertelt Maayke Fluitman, apotheker geneesmiddel & maatschappij, gespecialiseerd in zelfzorg, zijn huisartsen in Nederland een wezenlijk deel van hun spreekuur kwijt aan kwalen die door de patiënt zelf opgelost kunnen worden, zoals een verkoudheid, een griepje, hooikoorts of keelpijn: “Dit kost de samenleving zo’n honderd miljoen euro per jaar en dat is exclusief de uitgaven aan voorgeschreven medicatie.” Hier moeten we iets mee, dat werd me die avond wel duidelijk, vult Oron aan: “Huisartsen en apothekers zouden een betere bijdrage kunnen leveren aan de zelfredzaamheid van de patiënten. Maar daarnaast moeten we patiënten die op het spreekuur komen, doorvragen over het gebruik van zelfzorgmiddelen. Dit kan namelijk belangrijke informatie opleveren voor het stellen van de diagnose en ook kunnen zelfzorgmiddelen gevaarlijk interacteren op voorgeschreven medicatie. Informatie over deze middelen levert dus hele relevante informatie op.” Nuldelijnszorg Om huisartsen en openbaar apothekers zich meer bewust te maken van de mogelijkheden en onmogelijkheden van zelfzorg, vertelt Fluitman, is het van belang dat er meer focus op dit terrein komt. Hiervoor zijn inmiddels diverse FTO materialen ontwikkeld: “Aanleiding was het rapport PISCE uit 2017 van de Europese Commissie om zelfzorg in de breedste zin van het woord te vergroten in de lidstaten. Niet alleen om daarmee te realiseren dat de juiste zorg op de juiste plek komt, maar ook om te stimuleren dat patiënten preventieve maatregelen treffen om gezond te blijven. Neprofarm, de brancheorganisatie van fabrikanten en importeurs van zelfzorgproducten, brengt momenteel een van de aanbevelingen uit het rapport in de...

Lees Verder
Pepermuntolie verlicht klachten prikkelbare darmsyndroom
dec03

Pepermuntolie verlicht klachten prikkelbare darmsyndroom

Prikkelbare darmsyndroom is een vaak voorkomende aandoening die een sterke invloed heeft op de kwaliteit van leven. Geruststellen en symptoombestrijding zijn de belangrijkste componenten van de behandeling. Recente onderzoeken onthullen nieuwe behandelopties. Prikkelbare darmsyndroom (PDS) is een functionele aandoening van het maagdarmstelsel. Kenmerken zijn terugkerende episodes van buikpijn of een ongemakkelijk gevoel in de buik waarbij het ontlastingspatroon is veranderd. Deze episodes kunnen voor een zeer lange tijd komen en gaan. Binnen PDS geldt een differentiatie op basis van de klachten: PDS met obstipatie als belangrijkste kenmerk, PDS met voornamelijk diarree (PDS-D) en mengvormen. De pathofysiologie is nog niet opgehelderd 1. Ongeveer 40 procent van de patiënten heeft diarree als dominant symptoom2. Diagnose De diagnose PDS is te overwegen bij patiënten met buikpijn of die klagen over een ongemakkelijk gevoel in de buik, bij wie ook sprake is van verlichting van pijnklachten na de ontlasting. Of er is een link tussen de klachten en een veranderd ontlastingspatroon. De diagnose PDS wordt waarschijnlijker als een patiënt geregeld voor deze klachten bij de huisarts komt en recent een ingrijpende gebeurtenis heeft meegemaakt. Ook somatische en psychiatrische co-morbiditeit en een heftige darminfectie of onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten in de voorgeschiedenis maken de diagnose waarschijnlijker. Dit geldt ook voor de aanwezigheid van PDS in de familie. Andere aandoeningen moeten uitgesloten zijn, zoals een inflammatoire darmziekte, coeliakie of een maligniteit1. Prevalentie PDS komt in Nederland voor bij 15 tot 20 procent van de vrouwen en bij 5 tot 20 procent van de mannen. Deze cijfers zijn gebaseerd op zelfrapportage van patiënten. De prevalentie is voor mannen 4 per 1000 en bij vrouwen 10 per 1000. PDS komt vooral voor tussen het vijftiende en vijfenzestigste levensjaar. De klachten zijn vaak langdurig en van alle mensen met PDS-achtige klachten zoekt een derde tot de helft hulp. In Nederland krijgt ongeveer 90 procent van de patiënten behandeling via de eerste lijn. Bij ongeveer 50 procent van de patiënten die zich in de eerste lijn melden met maagdarmklachten, is het moeilijk een lichamelijke oorzaak hiervoor te vinden1. Behandeling De aanpak van PDS berust op geruststellen van de patiënt en zoveel mogelijk verminderen van de PDS-klachten. Ongerustheid kan belangrijk bijdragen aan instandhouding van de klachten. Bespreken van ongerustheid vermindert de klachten. Verder is het goed te onderzoeken welke bronnen van stress patiënten in hun dagelijks leven ervaren. Daarnaast is aandacht voor het voedingspatroon, de lichaamsbeweging en eventuele zelfzorg nodig. • Voedingspatroon: veel patiënten merken een verband tussen hun voedingspatroon en PDS-klachten. Wetenschappelijk gefundeerde voedingsrichtlijnen zijn niet voorhanden1. Wel zijn er aanwijzingen dat sterk bewerkt fabrieksvoedsel en een Westers dieet met veel vet- en suikerhoudende voeding, frisdrank en zoute snacks,...

Lees Verder
ZonMw Parel voor Amsterdam PrEP-project
dec03

ZonMw Parel voor Amsterdam PrEP-project

Het Amsterdam PrEP-project heeft de ZonMw Parel gewonnen. Dit onderzoek heeft aangetoond dat PrEP (pre-expositie progylaxe), een pil die hiv-infectie voorkómt, in de praktijk goed toepasbaar is. De resultaten van het project zijn meegenomen in een positief advies van de Gezondheidsraad. Dit heeft geleid tot een nationaal programma. Sinds afgelopen september stellen vrijwel alle GGD’en voor de komende vijf jaar PrEP beschikbaar. Jaarlijks krijgen ongeveer 700 mensen in Nederland de diagnose hiv. PrEP is bedoeld voor mensen die geen hiv hebben maar wel een verhoogd risico lopen om geïnfecteerd te raken. De doelgroep zijn mannen die seks hebben met mannen en deels transgender personen. Keuze uit gebruik In 2015 is onder leiding van internist-infectioloog Elske Hoornenborg het Amsterdam PrEP-project (AMPrEP) gestart met subsidie van ZonMw. Een vernieuwend element van dit onderzoek was het aanbieden van twee manieren van PrEP-gebruik: dagelijks PrEP slikken of alleen PrEP gebruiken rondom seks. Eerder is aangetoond dat beide manieren effectief beschermen tegen een hiv-infectie. Door de keuze aan te bieden, worden meer mensen bereikt en daarmee ook meer hiv-infecties voorkomen. Hoge therapietrouw De uitkomsten van het project zijn positief. Er was veel animo om mee te doen. De deelnemers waren zeer trouw in het slikken van PrEP. Het onderzoek heeft opnieuw bevestigd dat PrEP zeer effectief is bij hiv-preventie. Uit een rekenkundig model blijkt dat het PrEP-gebruik door de doelgroep ook zeer kosteneffectief is en mogelijk zelfs kostenbesparend. Dit effect is nog groter wanneer mensen kiezen voor alleen PrEP-gebruik rondom seks. Achterstand ingehaald Internationaal gezien liep Nederland achter op andere landen, zoals Frankrijk, België en Noorwegen, waar PrEP al een paar jaar beschikbaar is. Inmiddels zijn de resultaten van het AMPrEP-project meegenomen in een positief advies van de Gezondheidsraad en het dus heeft mede geleid tot nationale verstrekking van PrEP. Meer informatie Video over AMPrEP ZonMw-pagina: preventie van...

Lees Verder
Samenwerking eerste en tweede lijn in Longnetwerk Helmond en De Peel
dec03

Samenwerking eerste en tweede lijn in Longnetwerk Helmond en De Peel

Huisartsen aangesloten bij zorggroep PoZoB, apothekers, longartsen en verpleegkundigen werken samen in het Longnetwerk Helmond en De Peel. In regio hebben zo’n 5.000 mensen COPD en bijna 9.000 mensen hebben astma. Dat aantal neemt de komende 5 jaar naar schatting toe met 20 procent. Met de huidige aanpak kan de zorgverlening daar niet meer aan voldoen. Het netwerk zet zich in voor behoud van de longzorg in de regio Helmond en De Peel. Huisartsen, apothekers en longartsen hebben gezamenlijk gekeken naar de medicijnen en inhalatoren die longartsen en huisartsen (aangesloten bij zorggroep PoZoB) voorschrijven. Er is veel meer aandacht voor welke inhalator past bij een patiënt. Door gezamenlijk duidelijke keuzes te maken ten aanzien van de inhalatoren en bijbehorende medicatie, krijgt de patiënt zowel via de huisarts als in het ziekenhuis dezelfde medicatie en instructie. Met de apothekers in de regio zijn afspraken gemaakt over frequentere controle of mensen hun medicatie trouw nemen op het goede moment. Betere inhalatietechniek Ook is er meer aandacht voor de techniek waarmee patiënten de medicatie moeten inhaleren. Landelijk onderzoek heeft aangetoond dat 70% van de patiënten dit niet correct doen. Met de juiste inhalatietechniek kunnen de medicijnen beter hun werk doen, waardoor mensen minder last ervaren van hun astma of COPD. De apothekersassistenten, longverpleegkundigen, praktijkondersteuners en wijkverpleegkundigen krijgen hierin scholing, zodat zij op hun beurt beter de patiënten kunnen trainen. Met de juiste inhalatietechniek is het effect van de medicijnen groter, waardoor minder vaak complicaties voorkomen, zoals een longaanval waarbij ziekenhuisopname nodig is. Nieuw zorgpad voor patiënten met zeer complexe zorgvraag In het Longnetwerk wordt gewerkt aan een nieuw gezamenlijke aanpak voor een groep patiënten bij wie de ziekte moeilijk onder controle te houden is en die vaak acuut opgenomen moet worden in het ziekenhuis. Betere zorg die ook kosten bespaart De gezamenlijke aanpak in de regio heeft als belangrijkste doel de zorg voor longpatiënten te verbeteren. Als patiënten sneller de voor hen beste medicatie krijgen, medicatie beter gebruiken, minder vaak worden opgenomen, bespaart dat veel ongemak en leed. Tegelijk leidt deze aanpak ook tot kostenbesparing. Bron: Elkerliek...

Lees Verder
Hoop doet zweven
nov28

Hoop doet zweven

Recent was ik voor werk op Texel. Het zal een uur of zeven geweest zijn dat ik vanuit strandpaviljoen Paal 17 naar de ondergaande zon keek. In mijn zichtlijn zat een grijs bolletje met twee oren, hoorapparaat en grote kale plek waar ooit wel haar gezeten zal hebben. Wat er nog wel zat was pluizig. Er zat ook iets tegenover hem wat op een vrouw leek. Ze stonden op ‘standje zwijg’. Het kostte ze geen moeite op vakantie anderhalf uur niets tegen elkaar te zeggen. Een zwijghuwelijk heet zoiets, geloof ik. Mijn grootste angst. Maar soms begrijp je het wel. Vrouwen kunnen crèmes smeren wat ze willen, maar hier zie ik zelfs van een afstand dat het niet heeft geholpen. Ze zijn wellicht immuun voor de liefde geworden en bezweken onder de huwelijkse plichten of hoe zeg je dat netjes. Dat dit stel met de pont over mocht, is mij een raadsel. Om mij heen kijkend realiseer ik me dat dit het topje van de bejaardenberg is. Hier is voor Pia Dijkstra en haar donorwet binnenkort veel te halen. Ondertussen denk ik aan dat dunne randje cortex dat rest. Hoofdhaar wel te verstaan. Waarom groeit dat bij ons mannen het minst waar we het juist graag willen? Ik ken een cardioloog en hoor wel eens dat er bij een katheterisatie bij mannen een heel bos moet worden weggekapt. Ach, in gedachten zie ik ‘m al liggen: een wormpje dat al een eeuwigheid niet meer omhoog is gekomen. Ik moet er wel bij zeggen, dat ziekenhuis staat wel in het oosten van het land. Hier in de Randstad scheren we zo’n beetje alles weg en daarmee hebben we de schaamluis dakloos gemaakt. In Amsterdam pakken we dat nog frivoler aan. Daar zie je in het weekend mannen van 60 in een café doen alsof ze 25 zijn en een paringsdans oefenen… de volgende dag in de rij bij de GGD voor een SOA-test. Een mens is geen rationeel wezen. Zo was er deze zomer ophef bij restaurant het Olie Geultje in Burgstede. Je kijkt daar uit over de Oosterschelde. Prachtig uitzicht maar bereslecht eten. Oproer aan het strandje. Er lag een zeehond te sterven. Ouders en kinderen ontdaan, in tranen. De mensen van de dieren- ambulance werd agressief toegesnauwd waarom ze niet met een traumahelikopter waren gekomen. Toen de ambulance wegreed, vroeg een heftig snikkende vrouw aan mij: ‘Wat gaan ze nu met hem doen?’ Palliatief beleid, mevrouw. In werkelijkheid pakken ze uit het zicht van de menigte een hamer uit hun dieren EHBO-rugzak en slaan dat beest direct de hersens in. Althans dat hoop ik. Dat eindeloos oplappen en...

Lees Verder
Zo snel mogelijk ICS starten na diagnose ‘astma’
nov26

Zo snel mogelijk ICS starten na diagnose ‘astma’

De GINA-richtlijn van 2019 meldt de belangrijkste wijziging in astmabehandeling sinds dertig jaar: vanwege een verhoogd risico op exacerbaties beveelt deze toonaangevende richtlijn monotherapie met kortwerkende bèta-2-agonisten niet meer aan. Er moet altijd een inhalatiecorticosteroïde bij worden gegeven om dit risico te verlagen. Volgens de hernieuwde richtlijn van de Global Initiative for Asthma (GINA) voor volwassenen en kinderen vanaf vijf jaar is er sterk bewijs dat monotherapie met kortwerkende bèta-2-agonisten zoals salbutamol weliswaar kortdurende verlichting van astmasymptomen geeft, maar patiënten niet beschermt tegen ernstige exacerbaties. Regelmatig of frequent gebruik van deze middelen verhoogt zelfs het risico op exacerbaties. De richtlijn beveelt daarom nu aan om alle volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar met astma te behandelen met inhalatiecorticosteroïden (ICS) om het risico op ernstige exacerbaties uit te sluiten. Bij personen met milde astma dient dit te gebeuren op geleide van symptomen (‘zo nodig’-gebruik) en bij ernstiger astma is een dagelijkse lage ICS-dosis aangewezen. De nieuwe aanbevelingen in de GINA-richtlijn vormen de meest ingrijpende wijziging in de behandeling van astma over de afgelopen dertig jaar. Deze nieuwe aanbevelingen vormen de weerslag van een twaalfjarige campagne van GINA om bewijs te verzamelen voor de verbetering van de behandeling van milde astma. Uitgangspunten daarbij waren verlaging van het risico op ernstige aan astma gerelateerde exacerbaties en sterfte. De GINA-richtlijn is weergegeven in de Pocket Guide die op zijn beurt weer een samenvatting is van het GINA-rapport over 2019, dat in zijn geheel te lezen is via www.ginasthma.org1. Astma Astma is een heterogene longziekte. Meestal is er sprake van een chronische luchtwegontsteking met aanvalsgewijs optredende bronchusobstructie als gevolg van toegenomen gevoeligheid van de luchtwegen voor allergische (Ig-E-gemedieerde) en niet-allergische prikkels (inspanning, rook, fijnstof, mist, kou, virusinfecties). Patiënten met astma hebben last van benauwdheid, piepende ademhaling, kortademigheid, hoest en energiegebrek2. Wereldwijd hebben zo’n 300 miljoen astmapatiënten astma. In Nederland kampen ongeveer 600.000 mensen met deze aandoening3. Over het algemeen wordt ervan uitgegaan dat 50 tot 75% van de astmapatiënten een milde vorm van astma heeft. Bij deze groep patiënten zijn de symptomen goed te beheersen met gebruik van SABA en een lage dosis ICS of een combinatie van ICS en formoterol. De wetenschappelijke inzichten rondom astmabehandeling zijn de afgelopen decennia verder verdiept. Er is hierdoor een brede range aan effectieve farmacotherapie voorhanden. Toch blijkt uit nationale en internationale cijfers dat de behandeling van astma relatief vaak suboptimaal is. In Nederland geldt dit bij een vijfde van de patiënten. Zorgelijk blijft het aantal gevallen van sterfte als gevolg van astma, 171 in 20182. Therapietrouw De therapietrouw bij ICS-onderhoudsmedicatie is laag: slechts een derde van de patiënten gebruikt dit volgens het voorschrift van de arts. Patiënten...

Lees Verder
Polyfarmacie is het thema van de bijwerkingenweek
nov26

Polyfarmacie is het thema van de bijwerkingenweek

De laatste week van november is de internationale ‘bijwerkingenweek’. Thema van dit jaar is polyfarmacie. Met als doel medicijngebruikers én zorgverleners bewust te maken van het belang van het melden van bijwerkingen, zeker als iemand meerdere medicijnen tegelijk gebruikt. Met als oproep: melden van bijwerkingen heeft zin, ook als ze in de bijsluiter staan. In ons land zijn medicijnautoriteit CBG en Bijwerkingencentrum Lareb initiators van de jaarlijkse campagne in het kader van de internationale bijwerkingenweek. Meer dan de helft van de Nederlanders gebruikt wel eens een medicijn op recept. En ruim een kwart van de inwoners gebruikt meer dan 5 medicijnen tegelijk. Vaak zijn dit ouderen en patiënten met chronische aandoeningen zoals hart- en vaatziekten en diabetes. Polyfarmacie Het gebruik van meer medicijnen tegelijkertijd is dit jaar het thema van de bijwerkingenweek. Bij polyfarmacie kan het ene medicijn de werking van het andere medicijn beïnvloeden. Een voorbeeld is de combinatie van plaspillen met sommige pijnstillers, zoals ibuprofen of diclofenac (NSAID’s). Plaspillen zetten de nieren aan tot extra afvoer van vocht in het lichaam, terwijl ibuprofen en diclofenac de afvoer van vocht kunnen afremmen. Dit kan leiden tot extra bijwerkingen, zoals hartklachten. Zo’n volledig mogelijk beeld Meldingen van bijwerkingen dragen bij aan nieuwe of meer volledige informatie over medicijnen bij gebruik in de praktijk. Ton de Boer, voorzitter CBG: “Dit inzicht is essentieel om de veiligheid van medicijnen te bewaken. Op basis van informatie over bijvoorbeeld een nieuwe bijwerking, interacties tussen medicijnen of een opvallende toename in het aantal meldingen ondernemen we waar nodig actie, ook op Europees niveau.” Voorbeelden van dergelijke acties zijn het aanpassen van de informatie in de bijsluiter, het recept-plichtig maken van een medicijn en het actief verspreiden van risico-informatie. Melden Medicijngebruikers en zorgverleners kunnen een bijwerking of vermoeden daarvan melden bij Bijwerkingencentrum Lareb, via www.mijnbijwerking.nl. Afgelopen jaar zijn daar bijna 34.000 bijwerkingen gemeld. Bij het melden maakt het niet uit of het om een nieuwe of een bekende bijwerking gaat. Internationale bijwerkingenweek De internationale bijwerkingenweek is een jaarlijkse (social) mediacampagne waar dit jaar 57 landen aan meedoen, geïnitieerd door de Wereldgezondheidsorganisatie WHO.  Campagnematerialen Voor de campagne in ons land zijn een aantal zeer korte filmpjes ontwikkeld: Video algemeen Video ouderen Video...

Lees Verder
IJzeren Bruno
nov25

IJzeren Bruno

Minder dan 0,031 procent van de totale begroting, Bas. Dat is nodig om voor eens en altijd de boel vlot te trekken. Komt er eindelijk een einde aan het gedoe. Ja, het gaat niet goed met Feijenoord, Niels. Maar denk je echt dat die scorende middenvelder zo weinig kost om mee te draaien in de top van de eredivisie? Staan we straks toch nog te juichen op de Coolsingel! Zit je weer met je hoofd bij de bal, Bas. Die 0,031 procent van de totale zorgkosten van 88 miljard euro kost het om een einde te maken aan de tekorten aan geneesmiddelen. Kunnen apothekers en huisartsen eindelijk weer eens gewoon gaan zorgverlenen in plaats van eindeloos zoeken naar dat laatste doosje met de anticonceptiepil of een alternatief voor bumetanide. 28 miljoen voor een ijzeren voorraad van vijf maanden medicijnen, Niels. Maar vooral om een groot maatschappelijk probleem op te lossen. Geen nee-verkoop aan de balie, niet uren en dagen zoeken naar dat ene doosje, geen agressie aan de balie. Klinkt als een goed plan. Niks mis met dat plan van Bruno Bruins, Bas. Sinds 2010 is er sprake van oplopende tekorten en al jaren wordt gezocht naar en vooral gepraat over een oplossing. Nu zijn we 10 jaar verder en ligt er een voorstel dat in de kern door marktpartijen wordt gedragen. Alleen nog even afstemmen wie de rekening gaat betalen, Niels. De ministeriële inkt is nog niet droog of het grote wijzen naar elkaar is al begonnen: ‘ik ga dat niet betalen, dat moet jij maar doen. Nee, ik ook niet. Echt niet. En ik zeker niet.’ En zo gooien VWS, zorgverzekeraar, fabrikant, groothandel en apotheker de rekening over elkaars schutting.De discussie gaat niet alleen over wie de rekening betaalt, Bas. Grotere voorraad betekent grotere kans op verspilling en dus hogere kosten. Nu al worden er dagelijks ruim 4.500 verpakkingen vernietigd. Dat neemt alleen maar toe nu de schappen zich vullen met een voorraad van vijf maanden.Misschien is het een idee om een marktplaats voor overtollige medicijnen te starten, Niels? Kunnen apothekers onderling medicijnen uitwisselen zodat die niet worden vernietigd, maar gewoon gebruikt. Geen verspilling, maar wel lagere zorgkosten. Goed idee, Bas. Twee apothekers hebben hetzelfde plan en zijn inmiddels het platform PharmaSwap gestart waar in ieder geval al apothekers onderling medicatie kunnen verhandelen. Lees er alles over in deze uitgave. Dat scheelt. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de verspilling van geneesmiddelen op zo’n 100 miljoen per jaar wordt geschat. Mooie uitdaging voor PharmaSwap om ook de ijzeren voorraad bij groothandels én bij fabrikanten in het platform op te nemen en zo de verspilling nog verder tegen te...

Lees Verder
Meerwaarde van de gekoppelde glucosemeter nog goeddeels onbenut
nov25

Meerwaarde van de gekoppelde glucosemeter nog goeddeels onbenut

Labwaarden meten in de huisartspraktijk wordt dankzij de ontwikkelingen in Point of Care Testing (POCT) steeds gangbaarder. Wel is in glucosemeters nog een belangrijke slag te maken, want veel huisartspraktijken houden nog vast aan de consumentenmeters die hiervoor op de markt zijn. De overstap naar professionele gekoppelde meters biedt enorme voordelen. POCT zal zich steeds verder ontwikkelen in de eerste lijn. Het klinisch chemisch laboratorium van Maasziekenhuis Pantein in Beugen sorteerde hierop voor door via een pilot in achttien huisartspraktijken een POCT meter voor CRP, glucose en urine te plaatsen. Een zorgvuldig doorlopen traject, zo maakt Aldy Kuypers (klinisch chemicus en hoofd van het laboratorium) duidelijk: “We deden dit praktijk voor praktijk, want het kost tijd om de apparatuur in te richten in de huisartspraktijken, om de gebruikers te scholen en om de koppeling met het laboratorium tot stand te brengen. Iedere keer als een huisartspraktijk was geïmplementeerd, kon de volgende starten.” Na de pilot van twee maanden mocht de huisartsenpraktijk kiezen welke meters ze wilden behouden. Het bleek een aanpak die heel veel heeft opgeleverd, vertelt haar collega Lisette Ouwendijk, vakspecialist klinische chemie met aandachtsgebied POCT: “Doordat de huisarts snel de beschikking heeft over de juiste uitslag, kan hij handelen als de patiënt nog in de spreekkamer is.” Achterblijvende belangstelling Uit de pilot bleek dat de interesse voor de CPR-meters een succes was. In de urinestripmeters had veertig procent van de praktijken interesse, maar de interesse in de glucosemeter bleef ver achter. En dat is teleurstellend, vinden beiden. “De toegevoegde waarde van een professionele, gekoppelde glucosemeter is heel groot, maar die blijft nu dus goeddeels onbenut”, zegt Kuypers. “Ons vermoeden is dat dit komt omdat hiervoor een alternatief bestaat in de vorm van een makkelijk te verkrijgen consumentenmeter, met een eenvoudige bediening. Veel huisartspraktijken gebruiken die nog, en blijken moeilijk te bewegen om de stap te maken naar een professioneler alternatief. Terwijl het juist zo goed zou zijn als ze dit wel deden, want we streven ernaar om patiënten in de huisartspraktijk dezelfde kwaliteit zorg te bieden als in het ziekenhuis aanwezig is.” Dat kan ook heel goed, want het alternatief is gewoon voorhanden. “Feitelijk zijn er twee alternatieven”, verduidelijkt Ouwendijk, “een niet-gekoppelde en een gekoppelde professionele glucosemeter. Beide bieden een even goede meetkwaliteit, maar wij willen dat de gekoppelde meter de gouden standaard is en dat is niet voor niets. Het grote voordeel ervan is dat de meting die de huisarts doet, direct wordt opgeslagen in het patiëntdossier in zijn HIS én in het datasysteem van het laboratorium wordt opgenomen. Dit voorkomt dat de data handmatig in beide systemen moet worden ingevoerd, wat bij de ongekoppelde variant...

Lees Verder
Falen en opstaan
nov25

Falen en opstaan

“Ik ben heel vaak bang fouten te maken en deze niet op te merken, zo bang dat ik soms dan maar niets doe.” -Quote uit Foutenfestival 2018 georganiseerd door De Jonge dokter- Laatst werd ik uitgenodigd voor een selectiegesprek. Dit gesprek had ten doel mijn geschiktheid te testen, als durfal en visionair, voor een mogelijke bestuursfunctie. Tijdens dit gesprek werd mij gevraagd wat mijn visie was op wat zorgprofessionals nodig hebben in hun ‘leren en ontwikkelen’. Hier hoefde ik niet lang over na te denken. Gezien het rappe tempo van alle veranderingen in de zorg die tegenwoordig plaatsvinden en de uitdagingen waarmee ze te maken hebben, ben ik ervan overtuigd dat de belangrijkste uitdaging voor zorgprofessionals hun weerbaarheid is. Weerbaar zijn tegen nieuwe regels van de zorgverzekeraar of overheid, weerbaar tegen personeelswisselingen en -tekorten, weerbaar tegen boze en teleurgestelde patiënten en vooral weerbaar om de lol en energie in je werk te behouden. Door weerbaarheid van zorgprofessionals te stimuleren, worden ze autonoom en zitten ze zelf achter het stuur. Een manier om dit te doen is ze bewust te maken van het onbewuste. De bewustwording van automatische patronen die er door de jaren heen ingebakken zijn, maakt keuze voor nieuwe patronen mogelijk. Nieuwe patronen ontwikkel je door bijvoorbeeld zelfinzicht, kennis over gedrag(sverandering) en het leren organiseren van je eigen ontwikkeling. Veel zorgprofessionals kampen met onzekerheid en zijn, zoals geïllustreerd wordt in de bovenstaande quote van de jonge dokter, bang om fouten te maken. Zo bang, dat het verlammend werkt. Het is een utopie om te denken dat je geen fouten meer maakt. Zelfs de meest ervaren dokters maken ze nog steeds. Zo’n initiatief als het foutenfestival is een mooi voorbeeld van hoe we zorgprofessionals kunnen laten omgaan met fouten. Ook het deelnemen aan intervisie met vakbroeders zorgt voor herkenning en verbroedering en biedt daardoor nieuwe inzichten. Uit onderzoek blijkt dat ‘leren en ontwikkelen’ een belangrijke energiebron is voor zorgprofessionals. Als het resultaat hiervan is ‘vrijer over fouten durven praten’ en daardoor ‘durven falen’, dan slaan we twee vliegen in één klap. Met de selectiecommissie is het niets geworden, ze twijfelden aan mijn bestuurlijke sensitiviteit. Aan durf, overtuigingskracht en visie ontbrak het niet, maar of ik dan ook ‘het spel’ binnen zo’n bestuur kon spelen? Ik heb helaas het vuur in mijzelf niet goed kunnen beteugelen, ten bate van een bestuursfunctie. En ook al voelt dit als falen als je hoort dat men je niet geschikt vindt, ik neem deze ervaring mee in de rugzak, reflecteer op het gesprek, maak keuzes, herpak mezelf en ga weer...

Lees Verder