Meteen naar de inhoud

Opvallend veel gezondheidsproblemen bij COPD-patiënten in de eerste lijn

Een aanzienlijk deel van de COPD-patiënten heeft ernstige problemen in de integrale gezondheidstoestand. Dat is zeker het geval bij patiënten in een revalidatieprogramma in de derde lijn, maar verrassend genoeg ook bij patiënten in de eerste lijn. Dit blijkt uit onderzoek uitgevoerd vanuit het Radboudumc in Nijmegen.

Chronische obstructieve longziekte (COPD) wordt tegenwoordig gezien als een complexe systemische ziekte. Daarbij is niet alleen het medische aspect – zoals het meten van de longfunctie en het voorkomen van exacerbaties – van belang, maar ook de impact van COPD op de integrale gezondheidstoestand van patiënten. Reden hiervoor is dat de mate van luchtwegobstructie niet of nauwelijks verband houdt met andere domeinen van gezondheid, zoals de symptomen die de patiënt heeft, de kwaliteit van leven en de mate waarin de patiënt beperkingen in het dagelijkse leven ervaart.
De meeste patiënten met COPD – 82 procent – worden in de eerste lijn behandeld, terwijl data over klinische kenmerken en gezondheidstoestand vooral afkomstig zijn uit de tweede lijn. Dit suggereert dat COPD-patiënten in de eerste lijn weinig problemen hebben met hun integrale gezondheidstoestand.1 De vraag was of dit ook echt zo is. Dat vormde de aanleiding voor een onderzoek, waarvan dr. Tjard Schermer een van de auteurs is. Hij werkt als associate professor op de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde van het Radboudumc in Nijmegen, van waaruit dit onderzoek plaatsvond.

Drie cohorten
Schermer: “We wilden te weten komen of er wel genoeg gekeken wordt naar de ‘zachte’ kant van de problemen die COPD-patiënten hebben. In het onderzoek brachten we daarvoor de data uit de eerste, tweede en derde lijn in kaart, waarbij de derde lijn in de COPD-zorg de longrevalidatieklinieken betreft waar multidisciplinair zorg wordt geboden aan patiënten met ernstige COPD.” Aan data konden de onderzoekers makkelijk komen, want die hadden ze al vanuit drie cohorten waarin de Nijmegen Clinical Screening Instrument-methode (NCSI-methode; zie kader) werd gebruikt om de integrale gezondheidstoestand aan de hand van scores op acht subdomeinen te meten, zodat ze deze patiëntengroepen daarop konden vergelijken. “De drie cohorten waren een groep van 289 eerstelijnspatiënten uit 8 huisartsenpraktijken in Nijmegen en omgeving, een groep van 184 tweedelijnspatiënten uit 2 Rotterdamse ziekenhuizen en een groep van 433 derdelijnspatiënten die deelnamen aan een longrevalidatieprogramma – van de afdeling Dekkerswald van het Radboudumc.”

Gerapporteerde ernstige problemen
In het onderzoek werden de klinische gegevens en NCSI-scores van deze 906 patiënten met COPD meegenomen. Op alle subdomeinen van de integrale gezondheidstoestand zagen de onderzoekers significante verschillen tussen de eerste-,Gerapporteerde ernstige problemen In het onderzoek werden de klinische gegevens en NCSI-scores van deze 906 patiënten met COPD meegenomen. Op alle subdomeinen van de integrale gezondheidstoestand zagen de onderzoekers significante verschillen tussen de eerste-, tweede- en derdelijnscohorten. “We zagen een resultaat dat we eigenlijk wel hadden verwacht: in de derde lijn waren de meeste mensen met problemen van de integrale gezondheidstoestand. Maar wat opmerkelijk was: ook in de eerste en tweede lijn had een aanzienlijk deel van de COPD-patiënten meerdere ernstige problemen met de integrale gezondheidstoestand. Ongeveer de helft van de COPD-patiënten uit de eerste lijn had ook ernstige problemen op drie of meer subdomeinen van de integrale gezondheidstoestand”, aldus beschrijft Schermer de eerste conclusie van het onderzoek.
De tweede conclusie was dat de heterogeniteit bij de NCSI-uitkomsten in de eerste lijn groot was. “Zo speelde bij sommige patiënten vooral vermindering van de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven een rol, terwijl anderen juist meer problemen hadden op het sociale domein of met vermoeidheid”, geeft Schermer aan.

Implicaties resultaten
“De implicatie van deze onderzoeksresultaten is dat veel van de problemen die COPD-patiënten ervaren in de eerste lijn kunnen worden aangepakt, bijvoorbeeld door een fysiotherapeut of psycholoog, of in het sociale domein door bijvoorbeeld een maatschappelijk werker”, stelt Schermer. “Het zou goed zijn als de huisarts eerst gericht deze zorg- en hulpverleners inschakelt in plaats van meteen naar een longarts te verwijzen. Deze bevindingen brengen ook aan het licht dat een deel van de COPD-patiënten in de tweedelijnszorg ook prima kan worden behandeld door de huisarts. Als een longarts een patiënt goed in beeld heeft en weet wat er aan zorg nodig is, dan kan de longarts naar de eerste lijn terugverwijzen voor de zorg die een huisarts ook kan leveren. Het moet geen automatisme zijn dat de patiënt dan bij de longarts blijft, vooral bij patiënten die in weinig domeinen problemen hebben”, zegt Schermer.
De relatie tussen de eerste en de derde lijn zal vooral worden gekenmerkt door elkaar te informeren, niet zozeer door het overnemen van zorg. “Het zal niet snel gebeuren dat iemand die in longrevalidatie in de derde lijn zit voor de volledige COPD-zorg naar de eerste lijn teruggaat, want daarvoor is die zorg te specialistisch. Uiteraard kan de huisarts wel een deel van de zorg overnemen als de patiënt naar huis teruggaat, in afstemming met de behandelaars in de revalidatiekliniek.”

“Het zou goed zijn als de huisarts eerst gericht zorg- en hulpverleners inschakelt”

Juiste zorg blijven bieden
De rol van de huisarts is om de problemen die COPD-patiënten hebben met hun integrale gezondheidstoestand in kaart te brengen. “Dat zou idealiter in de loop van de tijd moeten worden herhaald om de juiste zorg te kunnen blijven bieden of waar nodig bij te stellen”, adviseert Schermer. “Ik realiseer me dat huisartsen het steendruk hebben. Ze hoeven ook niet alles zelf te doen, het is daarom belangrijk dat ze hun netwerk voor chronische zorg goed op orde hebben en patiënten kunnen doorverwijzen naar de juiste zorg of hulp. De behoefte van de patiënten kunnen ze in kaart brengen met behulp van scorelijsten, zoals het door ons gebruikte NCSI, die patiënten zelf kunnen invullen. Zorggroepen kunnen de praktijken hierbij ondersteunen. De rol om problemen in de integrale gezondheidstoestand in kaart te brengen, ligt er nadrukkelijk ook voor POH’ers omdat die een grote rol hebben gekregen in de zorg voor COPD-patiënten en patiënten met andere chronische aandoeningen.”

“Ook aandacht en zorg voor de ‘zachte kant’ van COPD-patiënten kan erg helpen”

Breed kijken
“Het is belangrijk om bij elke patiënt breed te kijken naar de problemen”, zegt Schermer. “Als een COPD-patiënt in de huisartspraktijk komt bijvoorbeeld voor een regulier controlebezoek of naar aanleiding van toegenomen klachten, kijk dan ook naar de domeinen van de integrale gezondheidstoestand en verwijs zo nodig door. Een psycholoog kan bijvoorbeeld helpen met de beleving van de klachten, het omgaan met vermoeidheid en de frustratie vanwege de beperkingen in functioneren. Fysiotherapeuten kunnen hier ook een rol in spelen. Maatschappelijk werkers kunnen aangrijpen op de eenzaamheid die patiënten kunnen ervaren of de zorgen die ze hebben door verminderd functioneren in relatie tot het sociale domein. Het is goed dat huisartsen zich realiseren dat juist ook aandacht en zorg voor de ‘zachte kant’ van COPD-patiënten erg kan helpen. Het inzetten op deze ‘zachte’ kant van de zorg is uiteraard niet beperkt tot COPD alleen. Huisartsen kunnen dit ook prima doen bij andere aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten, diabetes en mentale problemen.

Figuren gebaseerd op: NPJ Prim Care Respir Med. 2020 Sep 8;30(1):39

Aard en ernst COPD-problemen meten met NCSI
Het Nijmegen Clinical Screening Instrument (NCSI) is een hulpmiddel waarmee zorgverlener én patiënt inzicht krijgen in de aard en de ernst van de problemen die een patiënt met een chronische aandoening, zoals COPD, in het dagelijkse leven ervaart. Het instrument bestaat uit een vragenlijst (15 tot 20 minuten invultijd) waarmee de integrale gezondheidstoestand nauwkeurig in kaart wordt gebracht. Afnemen van de vragenlijst gebeurt op de computer via internet: dit kan in de huisartsenpraktijk, poliklinisch en zelfs thuis. Extra gegevens zoals data over de longfunctie en de exacerbatiefrequentie zijn via de webapplicatie eenvoudig toe te voegen. Met het NCSI kan de zorgverlener een zorg-op-maatbehandelplan opstellen, waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke behandeldoelen van de patiënten. Zo kan de patiënt worden gemotiveerd tot gedragsverandering. Het NCSI bestaat uit een meetinstrument en een bijbehorende interventie.2
In de studie van het Radboudumc is het NCSI gebruikt als meetinstrument waarbij werd gekeken naar 8 subdomeinen (zie figuren op pagina 20), die vallen onder de 4 hoofddomeinen die een rol spelen bij het beoordelen van de ziekte-ernst van COPD: de mate van fysiologische stoornis gemeten aan hand van bijvoorbeeld longfunctie en exacerbatiefrequentie, klachten, beperkingen in het dagelijks functioneren en problemen in de kwaliteit van leven. Deze hoofddomeinen samen geven aan hoe het gesteld is met de integrale gezondheidstoestand van de patiënt.1-2 Direct na het invullen van het instrument krijgen de zorgverlener en patiënt een grafisch overzicht van de resultaten. Voor elk subdomein van de integrale gezondheidstoestand is de score van de patiënt zichtbaar door een bolletje in de kolommen, die onderverdeeld zijn in de kleuren groen (normaal functioneren), geel (geringe problemen) en rood (ernstige problemen). De kleuren zorgen ervoor dat het overzicht makkelijk door de zorgverlener én de patiënt zelf te interpreteren is. Duidelijk wordt welke problemen en zorgvragen de patiënt ervaart en hoe ernstig deze zijn.2


Foto: eigen archief TS

Dr. T.R.J. Schermer studeerde fysiotherapie aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en daarna biomedische wetenschappen aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Sinds 1996 doet hij onderzoek naar de diagnostiek, het beloop en de behandeling van chronische luchtwegaandoeningen (COPD en astma). In 2005 promoveerde hij op het proefschrift “Optimizing health care for patients with COPD or asthma in Dutch general practice”. Tegenwoordig combineert hij het onderzoekswerk bij de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde van het Radboudumc met zijn rol als epidemioloog en wetenschapsadviseur bij Gelre Ziekenhuizen in Apeldoorn en Zutphen.

Referenties
1. de Klein MM, Peters JB, van ’t Hul AJ, et al. Comparing health status between patients with COPD in primary, secondary and tertiary care. NPJ Prim Care Respir Med. 2020 Sep 8;30(1):39.
2. Nijmegen Clinical Screening Instrument (NCSI). COPD & Astma Huisartsen Advies Groep.

Marc de Leeuw, apotheker en medisch auteur farmacie

Dit artikel verscheen eerder in FarmaMagazine november 2022.

Lees meer artikelen? Schrijf u in voor de tweewekelijkse FarmaMagazine nieuwsbrief!

Subsidie ZonMw voor verbeteren van hooikoortsverwachting

Hooikoorts beperkt het dagelijks functioneren van vele Nederlanders. ZonMw subsidieert een onderzoeksproject dat onder meer de ontwikkeling van een betrouwbare pollenverwachting als doel heeft. Daarmee kan hun gerelateerde ziektelast worden verlaagd.

Portretfoto (kleur) Sandra Kooij

Verhoogd risico op multimorbiditeit bij ADHD

Bij therapieresistente patiënten met chronische lichamelijke aandoeningen zouden huisartsen moeten nagaan of er sprake is van ADHD”, betoogt prof. dr. Sandra Kooij. ADHD resulteert namelijk in een verhoogd risico op een hele waslijst aan somatische ziekten. Ook hebben patiënten met deze stoornis relatief vaak een verstoord slaapritme.

Vacatures

Sluit u aan bij meer dan 6.500 huisartsen en apothekers die tweewekelijks onze nieuwsbrief ontvangen over ontwikkelingen in de eerste lijn.

Sluit u aan bij meer dan 6.500 huisartsen en apothekers die tweewekelijks onze nieuwsbrief ontvangen over ontwikkelingen in de eerste lijn.

We gaan vertrouwelijk om met je gegevens

Mis nooit meer het belangrijkste eerstelijns nieuws!

Elke twee weken in 10 minuten op de hoogte van het laatste nieuws en trends in de eerstelijns zorg.

We gaan vertrouwelijk om met je gegevens